Altijd alle tijd 2005/9

De Eenzame Uitvaart als langzaam kunstwerk


In de zomer van 2002 werd Bart FM Droog benoemd tot stadsdichter van Groningen. Bij die gelegenheid sprak hij het voornemen uit, voortaan die begrafenissen in zijn gemeente te bezoeken, waar anders niemand, en niemand anders komt. Ik vond dat een ontroerende gedachte. Zinloos als zwaaien naar de zon, limonadeflesje leeggieten in zee, maar ik meen dat er iets beschaafds van uitgaat. De wereld zegt dag.


Omdat, zoals Marga Bosch dat ooit uitdrukte, ieder mens de moeite waard is om over na te denken. Dat er niemand onbeweend het graf in gaat. Waar men in Groningen soms jarenlang op een eenzame dode moet wachten, bleek het in Amsterdam jaarlijks om een vijftiental te gaan, te veel voor een enkele dichter. Zo ontstond het idee voor de Poule des Doods. Het Amsterdams Fonds voor de Kunst, afdeling Letteren, honoreerde mijn aanvraag om dichters een vergoeding te betalen voor het schrijven van een gedicht en het uitspreken van het gedicht ter plekke. Er wordt voor iedere uitvaart een uniek gedicht geschreven, want het moet wel kunst blijven, daar aan het graf. Het mocht geen gemakzuchtig vrijwilligerswerk worden, daarbij is het resultaat van de daad volkomen ongewis. De dichter krijgt opdracht om een goed gedicht te schrijven. Het ritueel dient pijnlijk nauwkeurig voltrokken. Drie muziekstukken zullen vergeefs door de aula schallen. De dragers zetten hun hoed op en nemen de hoed af. Dof knalt het zand op de kist. Ook dat is respect.

Je zou de eenzame uitvaart een langzaam kunstwerk kunnen noemen, waarbij iedere dode een nieuw hoofdstuk schrijft in het grote boek van de vergetelheid. Het product is voor de individuele dichters een gedicht, achteraf verrijkt met een ervaring. Het product, publicitair gesproken, is een product van hoop, van medemenselijkheid. Het product voor mij, als initiatiefnemer, aanjager, tussenpersoon, verslaglegger, dikwijls de schrijver van het gedicht, en altijd de bezoeker, lijkt een soort beroep geworden, zij het grotendeels onbezoldigd. Het veroorzaken en vervolgens jarenlang toepassen van dit specifieke project heeft mij veranderd, en blijft mij veranderen.
Met de Sociale Dienst, afdeling Bureau Uitvaarten van Gemeentewege en het Fonds kwam ik overeen dat we het project buiten de publiciteit zouden houden. Ik zou in de kleine kring van mijn weblog voor de betrokkenen telkens verslag uitbrengen, bij wijze van verantwoording, en dat was dat. Het zou geen toneelstuk worden. Ik wist, dat ik publicitair gesproken, goud in handen had. Dat goud moest beschermd worden.

Je kunt het lijk niet vragen of het zin heeft om postuum beroemd te worden. Voor de dichter, en voor de integriteit van het gehele project, is het van belang dat hij zijn gedicht niet over het hoofd van de overledene heen tot de ijverige journalist richt, maar dat hij werkelijk tot de dode spreekt, in de werkelijke situatie ìs. Zijn onzichtbaarheid maakt deel uit van de kwaliteit van de gebeurtenis, die in onze gemediatiseerde wereld dus in strikte zin géén gebeurtenis is. Joseph Beuys is de uitvinder van het begrip Sociale Sculptuur. Zo begrijpen we de eenzame uitvaart. Het product is de situatie zelf: de dichter, in een ongemakkelijke situatie gebracht.

Helaas. Eén der commissieleden van het Fonds verbrak onmiddellijk de overeengekomen code van stilzwijgen door het project luidkeels op de openingspagina van het Cultureel Supplement van zijn krant aan te kondigen. Sindsdien gaat er geen week voorbij of er belt een journalist met het verzoek een uitvaart bij te wonen voor een sfeerverslag, mailt een documentairemaker, belust op tranen en emo-tv, schrijft een fotografiestudent met een project, en ik zeg altijd nee. Nee.

Doorgaans neemt men daar genoegen mee.
Een enkeling gaat door. Men richt verzoeken aan het Hoofdkantoor, daar hebben ze een hele afdeling gewijd aan communicatie, waar men vindt, dat de Dienst wel enige positieve publiciteit kan gebruiken. Jeroen de Geus, van AT 5, kreeg recentelijk van het Hoofdkantoor toestemming een uitvaart te filmen. Ze noemen Hoofdkantoor niet voor niks Hoofdkantoor.

Ik kan daar grappig over doen, maar wezenlijk ben ik dubbelhartig: na twee jaar en zesendertig eenzame uitvaarten, die ik op een enkele na allemaal bezocht, is de basis wel zo stevig dat de publiciteit niet helemaal onwelgevallig komt: de bodem van de schatkist van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, die het project - nog zes dichters te gaan - betaalt, is bereikt. En niet onbelangrijk, meneer Fritz gaat met pensioen en daarmee moet de eenzame uitvaart elders in de Organisatie ondergebracht. Er moet ergens nieuw geld vandaan komen. Het project zelf is niet geheim. Ik praat er graag over. Publiciteit kan handig zijn. En voor meneer Fritz is het misschien aardig, als hij voor zijn pensioen nog eens op televisie komt.

Van mijn moeder heb ik geleerd van de nood een deugd te maken. Ik besloot, als het einde van meneer U. dan toch op televisie kwam, mijn gedicht voor de denkbeeldige bühne te schrijven: niet voor Willem U., die werd uitverkoren postuum op de beeldbuis te stralen, maar voor de kijkers thuis. Ik zou de draai naar de camera in het gedicht zelf maken. Tien maanden lang lag het lijk ongezien te rotten in zijn woning. Kwamen de buren thuis en zetten hun schoenen voor de deur. Nooit belde iemand aan om te vragen hoe het gaat, in de lege jaren die aan dit verscheiden voorafgingen.

Dus zitten we de dienst met een camera op ons uitgestreken smoelwerk gericht, zwijgend uit.

F. Starik
zie ook de weblog van de eenzame uitvaarten

Eenzame uitvaart nummer 35
De vijftien minuten

I.M. de heer Willem U., 8-6-1952, Amsterdam, gevonden in zijn woning door de regiopolitie op 10 december 2004. Hij overleed ongeveer tien maanden eerder. Er werden geen sporen van een sociaal netwerk aangetroffen. Hij is getrouwd geweest, in de jaren tachtig gescheiden, heeft een zoon, die zich volledig van hem distantieert. Willem wordt op Vredenhof begraven, dinsdag 28 december 2004, om 14 uur.

Het jaar was nog maar koud begonnen.
Hopeloze dagen stonden voor het raam,
winter: donker, nat? Februari, bloemen
op de ruiten, blijf maar binnen, ga niet

meer naar buiten. Leg je neer in bed,
doe je gebit in het waterglas, onderstreep
de televisieprogramma’s in de gids waarvan
je je voorneemt ze later te bekijken, wat

je niet wilt zien: een programma om te lachen,
iemand die zomaar sterft, een mens als jij, en ieder
mens de moeite waard om op te wachten over na te denken.
Ik kan je niets dan dit moment aanbieden en dat moment

vermenigvuldigt zich. Daar lig je in je kist
in het laatste kwartier van je naam. In de toekomst,
zeggen ze, zal iedereen zijn vijftien minuten
moeten doorstaan: komt het vroeg, komt het later

hier zijn die van jou.
Eindelijk op televisie.
Ik wou dat je jezelf kon zien.
Zien hoe je straalt.

Straks komen de buren thuis,
zetten hun toestel aan, schakelen over
naar een ander kanaal, leggen zich in bed
en zeggen welterusten, welterusten.


© Uw dichter van dienst, F. Starik, 28 december 2004

< back