Altijd alle tijd 2005/9

Het exclusieve beeld

Tussen 1997 en 2004 kon het publiek enkele voorbeelden uit het beroemde breviarium Mayer van den Bergh in diverse musea in Europa bekijken. Wegens restauratie was het boek uit elkaar gehaald en hierdoor was het voor het eerst mogelijk, om het boek echt goed te bestuderen. Echter alle geïllustreerde bladen waren voor het eerst in zijn geheel tentoongesteld in het museum Meyer van den Bergh te Antwerpen tussen oktober 2004 en januari 2005. Onlangs is het boek weer definitief in zijn kaft opgeborgen. Vijfhonderd jaar lang was het een gesloten boek en nu is het weer een gesloten boek voor, wie weet, weer vijfhonderd jaar.


In 1898 kocht de Antwerpse verzamelaar Fritz Mayer van den Bergh het gebedenboek, een Gents handschrift van uit ca 1500. Het boekje is 22 x 16 cm en heeft 1412 handgeschreven bladzijden veelal met versierde initialen waarvan 149 met gedecoreerde randen, 29 volbladzijden miniaturen, 7 halfbladminiaturen, 20 kleine miniaturen, 9 met geïllustreerde randen en 12 geïllustreerde kalender bladen.
Op basis van de kalender, stijlvergelijking, type versieringen en gebruikte schrijfwijzen ligt de datering ergens tussen 1482 en 1510. Waarschijnlijk is er tussen 1495 en 1501 aan gewerkt. Wie het gemaakt heeft is niet bekend. De Maximiliaanmeester (genoemd naar het eerste getijdenboek van Maximiliaan I) is vermoedelijk de supervisor geweest. Maar er zijn meerdere kunstenaars aan het werk geweest. Het maken van een dergelijk boek is te vergelijken met het maken van een speelfilm. Het is een jarenlang werkproces onder leiding van een regisseur c.q. producer ofwel supervisor. Hij besteedt het werk uit aan allerlei specialisten zoals perkamentmakers, kopiisten en kunstenaars. Hij zorgt voor de universele opmaak en stijl en uitbesteding.
De Maximiliaanmeester was verantwoordelijk voor de vele decoratieve motieven zoals bij de letterranden, randen met minutieuze bloemen en vogels op de roze, rode, goudgele achtergrond, of nog mooiere abstracte ruiten in blauw met goud. De meeste beroemde volbladminiaturen zijn oorspronkelijk losse folios, die later door de supervisor in de katernen zijn bijgevoegd. Deze zijn in dit gebedenboek vermoedelijk geschilderd door Hugo van der Goes, Gerard David en Gerard Horenbout. Zeker is dit niet, maar de stilistische overeenkomsten met de schilderijen zijn bijzonder duidelijk. De beeldtaal en de wijze van schilderen dat wil zeggen. de specifieke aandacht voor licht, de naturalistische weergave, de gelaagde kleuropbouw en de minutieuze detaillering van deze Vlaamse
primitieven zijn ook terug te vinden in de miniaturen.

Reiskerk

Op zich is het niet verwonderlijk dat paneelschilders meewerkten aan een dergelijk boek. Boekverluchters en paneelschilders behoorden in die tijd in Gent en Brugge tot een zelfde gilde. Deze gebedenboeken vormen een wezenlijk onderdeel van de Vlaamse bloeiperiode op het grensvlak van de late middeleeuwen met de renaissance. Oorspronkelijk waren brevieren bestemd voor het dagelijkse gebed voor monniken, maar dit boek is een lekenbrevier, voor een leek uit de allerhoogste kringen.
Het breviarium Mayer van den Bergh opent, zoals bij alle brevieren, met een eeuwigdurende kalender van 12 bladen; voor elke maand één. Daarop staan de maandagen, urenverdeling dag en nacht, feestdagen en het gulden getal en zondagsletters voor berekening van de paasdagen. Alles is rijkelijk geïllustreerd met dierenriemtekens, kinderspelen, voorstellingen van feestdagen en de dagelijkse werkzaamheden. Daarna volgen de rubrieken (gebruiksaanwijzing), litanie van heiligen, oraties en rekentabellen voor de Pasen (een prachtig geïllustreerde roosvorm in de vorm van een kompas). Het hoofddeel is het psalterium met 150 psalmteksten met daarna offices voor het kerkelijke jaar (temporale), chronologische gebeden voor de heiligen (eigen der heiligen) en tot slot heiligenteksten zonder offices. Daarna komen nog diverse aanvullingen over heiligen, Maria en dodenoffices. Kortom het boek is een soort draagbare reiskerk.

Relatiegeschenk
In tegenstelling tot de boekdrukkunst (als aanstaand massamedium), die ernaar streefde een zo groot mogelijk publiek te bereiken, richtten handgeschreven boeken zich vooral tot de toplaag van de bevolking. De mooiste exemplaren waren bestemd voor de meest kapitaalkrachtige leden van de laatmiddeleeuwse samenleving - vorsten, edellieden, kerkelijke leiders. De rijke burgerij viel veelal buiten de boot. De handgeschreven boeken waren zeer kostbare geschenken bij huwlijken en diplomatieke missies. Het waren statussymbolen, die meestal ongelezen en onaangeroerd opgeborgen werden en dit verklaart ook de nieuwe staat van deze handschriften. Ook het breviarium Mayer van den Bergh lijkt onaangetast de tijd te hebben doorstaan. Het boek was bestemd voor een lid van de derde orde van Sint-Fransiscus, een semi-religieuze lekenorde. Dit is op te maken uit de gebeden en sommige decoraties. In het boek wordt opvallend veel aandacht geschonken aan Portugese heiligen en aan Maria en vermoedelijk was het bestemd voor Maria van Castalië, die in 1500 trouwde met de Portugese koning Manuel I.
Verder is het niet duidelijk in welke kast het boek 400 jaar lang onaangeroerd heeft gelegen. Tot de aankoop door Mayer van den Bergh was het boek onbekend en vermoedelijk is dit boek tot op 1997 nauwelijks open geweest. Het is net zoals bij de inhoud van de piramiden zo exclusief, dat het niet bedoeld is om bekeken te worden, althans niet door gewone mensen.

Cyclus zonder einde
De miniaturen zijn van een bovenaardse verfijnde schoonheid. De gelaagde kleuren lijken haast licht te geven. Heldere primaire kleuren worden in evenwichtige composities met gedempte grijzen afgewisseld en in complexe binnen- en buitenruimten geplaatst. Elke voorstelling is geschilderd met een ongekende precisie en tederheid.
Het kost geen enkele moeite om deze wonderlijke wereld vanuit de 21e eeuw binnen te gaan. De meeste symbolen en beeldvertellingen zijn ook voor de huidige kijker met enige hulp te volgen. De vele parallelle beeldbetekenissen doen denken aan polyfone gezangen uit die tijd. Overal zijn gelijkwaardige melodieën.Het maakt bijvoorbeeld in bladfolio 318 gewijd aan Pinksteren niet uit, of je begint bij de devote Maria in de typerende blauwe mantel op de voorgrond of bij de tekstrand in het rood, of bij de kleine duif hoog in de grijze kerk. Het is een eindeloze beeldende rondgang en alles is volmaakt en tegelijkertijd alledaags. Immers in de kalender wordt er geploegd, geslacht, gezaaid en geoogst en even later in het boek neemt David het op tegen Goliath, ergens in de Ardennen. Het boek is een cyclus in hoofdstukken zonder duidelijk begin of einde, met Maria in diverse situaties als leidmotief.

Ontoegankelijk beeld
Eigenlijk is het onbegrijpelijk, dat zoveel schoonheid vijfhonderd jaar gesloten in een kast heeft gelegen. Nog onbegrijpelijker is, dat de makers zonder schroom alles hebben gegeven om zoiets te maken, in het volle besef dat dit boekje na betaling als geschenk zou verdwijnen in de kast van een prinses ergens in Portugal. Vanuit hedendaags perspectief is dit echt absurd.
Elk kunstwerk dat maar iets te betekenen heeft, wordt nu juist zo zichtbaar mogelijk gemaakt. En de meeste kunstenaars zijn naarstig op zoek naar mogelijkheden om zo groot mogelijke zichtbaarheid te bereiken. In ieder geval ken ik momenteel geen kunstenaar, die bereid is om zes jaren achtereen aan iets te werken met de verzekerde wetenschap van totale onzichtbaarheid.
Die onzichtbaarheid geldt eigenlijk voor bijna alle schilderkunst uit die tijd. Het feit dat iedereen momenteel in Londen of Berlijn Jan van Eyck, Memling, van der Goes en andere kan bekijken, maakt dat niet minder. Immers, deze werken zijn nooit gemaakt om bekeken te worden door het gewone publiek. Ze hingen oorspronkelijk in de woon- en werkvertrekken van de elite en deze ontoegankelijkheid lijkt haaks te staan op de overweldigende kwaliteit van deze werken. Is het mogelijk dat het gewone publiek ongeschikt werd bevonden voor deze beelden?
In die tijd had men ook vormen van massavermaak. Publieke executies, kermisachtige manifestaties rondom toernooien, volks-theater etcetera - lees Herfsttij der Middel-eeuwen van Huizinga - waren gangbaar in de Vlaamse steden in de late 15e eeuw. Het massavermaak uit die tijd had weinig van doen met de topkunst uit die tijd. De elite leefde ook strikt afzijdig van de massa. Ik denk dat de topkunstenaars die aan de hoven leverden, ook weinig op hadden met het platte volksvermaak en dat ze zich in hun werk volledig concentreerden op de verwachtingen van de elite. De adellijke positie van de opdrachtgever is een noodzakelijke voorwaarde voor deze gebedenboeken, immers zonder deze opdrachtgever zou het werk nooit gemaakt zijn.
Daarom zijn deze handschriften net zo exclusief als de opdrachtgever. De geïsoleerde context is ook een voorwaarde voor behoud van de betekenis. De traagheid, waarmee de miniaturen tot stand komen en de langdurigheid van het herhaalde kijken in afzondering, laat de complexiteit van de vele beeldbetekenissen volledig tot wasdom komen.

Gehaaste massa
De elite heeft eeuwenlang vooral de geïsoleerde en exclusieve positie van de schilderkunst beschermd en de gelegenheid gegeven, om haar complexe traagheid te ontwikkelen. Het grote publiek is ongeduldiger en veeleisender. Als het saai is of niet begrepen wordt, moet het direct weg. Sommige werken geven zo traag haar betekenis prijs, dat het enkele generaties kost om het te ontdekken. Daarom is het goed, dat een dergelijk gebedenboek nog vierhonderd jaar goed beschermd in een kast ligt, of dat één verzamelaar het werk in afzondering koestert.
Het grote publiek heeft altijd haast en wie haast heeft, ziet niets. Alles wat in haar handen komt, heeft een korte levensduur, niet alleen fysiek maar ook artistiek. Dat geldt nu, maar gold ook in de 15e eeuw. De snelheid waarmee kunst momenteel door de samenleving gepompt en afgeschreven wordt, heeft alles te maken met de eisen van het grote publiek. Betekenissen en beeldvormen zijn al versleten, voordat ze zich ontwikkeld hebben of verworden tot een kant en klaar cliché, geschikt voor een thematentoonstelling.
Vanuit hoven naar de particuliere verzamelaar en het ouderwetse museum loopt een herkenbare lijn. Ze zijn persoonsgebonden en elitair en hebben daarom alle drie vandaag de dag geen culturele betekenis meer. De kunstenaar zal zich hierdoor moeten schikken in de rol van een snel handelende entertainer voor een veeleisend gulzig publiek, of hij moet bewust afzien van succes en zelf zorgdragen voor de rust en bescherming van het werk.
Het breviarium Mayer van den Bergh zou nooit het grote publiek overleefd hebben en ondanks de prachtige tentoonstelling, ben ik toch blij dat het nu weer veilig in zijn cassette zit. Het werk is ongeschikt voor veel publiek. Het is te buitengewoon en het doorstond beschermd achter dik glas ternauwernood het stille, eerbiedig fluisterende publiek in Antwerpen. Het is exclusief gemaakt voor één persoon en dat moet zo blijven.
Ik zou het onverdraaglijk vinden, als dit gebedenboek zou verworden tot een ramsjbeeld voor miljoenen ogen. Zoals bij de enorme populariteit van Vincent van Gogh en zijn zielige levensverhaal. De schilderijen zijn daardoor zodanig verteerd dat ze in feite onzichtbaar zijn geworden.
Laten vooral voetbalwedstrijden en natuurrampen de massa afleiden, die zijn ervoor geschikt. De kunst is hier totaal niet geschikt voor en daarvoor geldt eerder het motto: het is gezien maar vrijwel onopgemerkt gebleven.
Veel informatie over het getijdenboek is afkomstig van: ‘Herfsttij van de Vlaamse miniatuurkunst. Het Breviarium Mayer van den Bergh’ door Brigitte Keyzer.

Frank Lisser

beeld:
Pinksteren, breviarium Mayer van den Bergh
Maart, breviarium Mayer van den Bergh
< back