|
Liever lui, dan moe
Het schijnt dat
Barry Flannagan, niet zo heel lang geleden, een praatje hield voor studenten
aan de KABK in Den Haag. Terwijl hij bij de studenten geïntroduceerd
werd, voegde de moderator toe: U vind toch ook dat studenten hard moeten
werken, meneer Flannagan, om tot goede kunst te komen?
Nee, antwoordt Flannagan, ik lig s ochtends liever lang in bed.
Ik ben liever lui, U niet dan?
Er is altijd veel verwarring geweest
over hoe hard een kunstenaar eigenlijk werkt, of werken moet, om tot een
behoorlijk resultaat te komen. Hoe lang doet u daar nou over, over zon
schilderij? vraagt de toeschouwer aan de kunstenaar en antwoord dan in
godsnaam niet: dat heb ik in een middag voor elkaar! Vooral nu, nu de
broekriem moet worden aangetrokken en het vervroegd pensioen wordt verlaat,
moet de kunstenaar weer hard werken om als een serieus te nemen man of
vrouw, tussen de andere serieuze mannen en vrouwen te mogen verblijven.
Luiheid is tot daar en toe, dromen is nog veel erger. Uit een van mijn
grootmoeders boeken stamt de typologie van het vlijtige & schrandere,
het luie & brutale en het dromerige kind. Het schrandere redt zichzelf.
Het luie en brutale moet aan het werk worden gezet, maar hoedt u voor
het dromerige type! Die waarschuwing werkt prikkelend, en je zou van de
weeromstuit niets anders meer willen dan dromen. Dromen en nietsdoen,
terwijl de wereld voortsnelt.
Flannagan droomt zijn hazen.
Met plezier wandel ik lang de haas, die in Utrecht mistroostig naar het
verkeer kijkt. Aanvankelijk valt het me niet zo op, maar op een dag realiseer
ik me, dat het beeld een parafrase van De Denker van Rodin moet zijn.
De dromer is een denker, de denker een dromer, zodat het beeld plotseling
een anarchistisch statement wordt. Barry Flannagan, Emese Benczúr
en Marc Nagtzaam. Zij hebben natuurlijk niets met elkaar gemeen, behalve
wat ik nu al dromend aan elkaar rijg. Een reeks gesprekken, beelden en
herinneringen en ik bedenk dat het dromen ook kan worden opgevat als een
virtueel atelier, de ideale ruimte om in te werken.
Emese
Benczúr, een jonge Hongaarse kunstenares, snijdt hetzelfde
thema tijd fantasievol aan. Haar werk Should I Live to Be a Hundred, werd,
na een aantal Biënnales in kleine kring, beroemd. Het werk uit 1998
bestaat uit 2500 meter machinaal vervaardigde kledinglabels. Day by Day
luidt de oranje tekst op de donkerblauwe band. Voor iedere dag één
Day by Day, waaraan zij dagelijks in fijne borduursteken de tekst I
Think About the Future toevoegt. De voltooide maand wordt afgeknipt.
Het werk is een visueel dagboek, dat op ieder willekeurig moment haar
hele leven, verleden, heden en toekomst verbeeld.
Stijn Heutz van het domein in Sittard wou het kopen en ik wist niet
wat ik antwoorden moest, zegt ze. Ik had er nog nooit over nagedacht
wat een dergelijk werk zou moeten kosten. Na enige bedenktijd heb ik besloten
dat ik voor dit werk een maandinkomen moet krijgen. Iedere maand een bedrag
aan geld, zolang ik leef. Heutz is niet op mijn verzoek ingegaan. Hij
dacht dat het onmogelijk was om dit met het museum te regelen.
Ik spreek haar als ik op bezoek ben in Boedapest, wat op dit moment een
fijne stad is, vol merkwaardige contrasten. Aan de buitenkant zijn de
gebouwen opgeknapt, een stad vol prachtige 19e eeuwse gebouwen lijkt weer
op het sprookje, dat het ooit moet zijn geweest. Maar op de binnenhoven
heerst nog steeds een kleine chaos. Het is een wanorde van geraniums in
oude aardewerken potten, was en tapijten, en kogelgaten in de muur. De
buitenkant voor de toeristen, de binnenkant voor de bewoners en de krakers,
die her en der biertuinen geopend hebben.
Emese heeft een woning in Boeda, een comfortabele woning in een oud, aftands
gebouw. Ik kan er niets aan doen dat ik de behoefte aan vrijheid, die
uit haar werken spreekt, verbindt aan een land en een stad, die door de
politieke situatie lange tijd tot benauwd provincialisme veroordeeld was.
Als ik hiernaar informeer, ontkent zij het verband. Ze had een gelukkige
jeugd. Als haar moeder, een coupeuse, achter haar naaimachine zat, zat
Emese aan haar voeten. De problemen rond de oorlog en de communistische
tijd was iets, waar de volwassenen mee van doen hadden, maar waar ik als
kind niets mee te maken had. Het enige wat ik vreemd vond, was de verhouding
tot het buitenland. We kregen op school geen vreemde talen, behalve Russisch
dan. Maar zelfs het Russisch werd niet als levende taal onderwezen. Daar
kwam ik op een vreemde manier achter, toen ik in Rusland was. Ik zou een
muurschildering maken en moest samenwerken met mensen uit de bouw. Toen
bleek dat ik alleen wat voorgeprogrammeerde zinnen kende, waarin bovendien
een beeld van Rusland werd gegeven, dat zelfs voor de Russen vreemd was.
Bensur gebruikt een naaimachine voor haar kunst. Voor een expositie in
New York maakt zij een enorm roze velum. De zijden lap is ruim 11 bij
6 meter. Ze heeft de hele lap zorgvuldig voorzien van stiksels met uitzondering
van de tekst Try To See the World Through
Eigenlijk had er moeten staan, try to see the world through a pink
looking glass, zegt ze. Maar die zin was veel te lang. De afkorting wordt
goedgemaakt door de merknaam van de roze stof: American Dream.
Het
werk van Benczúr is van een bewonderenswaardige lichtheid. Je kunt
het amper statements noemen die zij maakt, het zijn eerder mijmeringen,
gevisualiseerde dromen, die zonder enige pretentie aan de wereld worden
getoond. Hoe kan dit nou gevaarlijk zijn?
Het was een enorm karwei om de stof te bestikken, gaat ze voort. Ik
had het geluk, dat ik in New York een groot atelier tot mijn beschikking
had. Ik bracht dagen lang achter mijn naaimachine door en was onophoudelijk
bezig. Het was heel moeilijk om de juiste stof te vinden. En toen ik eenmaal
in New York was, ging ik met een lijstje alle stoffen winkels af. Niemand
had de juiste stof, en als ze de stof wel hadden, hadden ze er meestal
niet voldoende van.
Achter de dromerige werken gaat een grote onrust schuil. Voor Benczúr
is het vertragen en niets doen een vorm van verzet. Ze gaat haar eigen
weg. Dat deed ze op de academie waar maar weinig begrip was voor haar
kunst. De academie van Boedapest is tot op heden een bolwerk van meer
of minder gefrustreerde schilders, die de stap van de moderne kunst, naar
actuele kunst maar moeilijk kunnen maken. De moderne kunst was achter
het ijzeren gordijn een teken van verzet, een metafoor voor de wens om
aan het communisme te ontkomen. Na het openstellen van de grenzen volgt
de teleurstelling. De wereld is veranderd en het aura van verzet en vrijheid
vervliegt op het moment, dat zij niet meer is ingekaderd.
Ik ben op een vreemde manier afgestudeerd. Tegen het einde van mijn studie
kwam ik nooit meer naar de academie, ik werkte altijd thuis. Niemand van
de leraren is komen kijken, of vroeg waar ik was. Ze waren op de hoogte
van wat ik deed, maar konden er waarschijnlijk niet mee uit de voeten.
Maar mijn diploma kreeg ik wel. Het was een vreemde ervaring.
In het werk van Bensur zijn gedachten over tijdsverloop en vrijheid aan
elkaar gekoppeld. Een vanzelfsprekende verbinding, die ook haar manier
van leven bepaalt, merk ik als ik vraag wat ze doet als ze niet voor een
buitenlandse opdracht werkt.
Ik kan op dit moment niet zo makkelijk op reis, vanwege mijn kind,
maar normaal gesproken ben ik één of twee keer per jaar
ergens in het een of het andere buitenland. In de tussentijd zit ik in
Boedapest en doe eigenlijk niets. Ik drink wat, praat met vrienden, want
uiteindelijk is er niet zoveel te doen in Hongarije als je over kunst
praat. Alles moet nog op gang komen. Ik kan me dat gelukkig permitteren,
omdat ik met de opdrachten goed verdiend heb en ik ben in Hongarije redelijk
succesvol. Maar in wezen is er geen verschil met hoe ik leefde, toen er
nog geen succes was. Ik werkte een beetje en hield ermee op zodra ik voldoende
geld had.
Maar wat ongedwongen lijkt, gaat met een grote druk gepaard. Dat blijkt
uit de enorme vlijt waarmee ze het roze velum heeft gestikt, dat blijkt
wanneer, we zijn al kletsend op een zijspoor geraakt, haar kind opnieuw
ter sprake komt.
Mijn kind is nu vier jaar oud en gaat naar de crèche. Ik heb
ervoor gezorgd dat ze nu Engels leert, daar heb ik op gestaan. Een andere
taal spreken is van levensbelang, ik zou niet willen dat ze zo besloten
op moet groeien als ik ben opgegroeid.
Flannagan en Benczúr staan niet alleen in de manier waarop zij
van een droom een anarchistisch statement weten te maken. Waarschijnlijk
gaat het om een zienswijze die van wezenlijk belang is voor de kunstenaar
en de kunst. Ze bevat ook een zeker bedrog, een onwaarheid, waarmee de
moderator van de KABK in Den Haag is vrij gepleit. Het statement van de
luiheid is geen willekeur, maar komt voort uit een noodzaak, daar ben
ik zeker van. De noodzaak om het denken, het functioneren van het eigen
ik te beschermen. Dat dat niet alleen maar lui, maar ook onrustig, bezorgd
en neurotisch is, kan je beter niet laten weten. Dat je eigenlijk heel
hard werkt als het er op aankomt, uren maakt die niet betaald worden,
en handelingen verricht, die volstrekt overbodig lijken, kan je maar beter
verzwijgen. Vlijt en ijver worden weliswaar hoog gewaardeerd, maar zelden
juist begrepen.
Marc
Nagtzaam werkt zorgvuldig en langzaam aan grote potloodtekeningen,
bladen vol grafiet, pikzwart of grijs, doorregen met kaarsrechte lijnen,
of vlekken en stippels als die van een ruisend tv-scherm. Hij tekent grote
vellen vol. De precisie en het geduld vormen een contrast met het geflits
en gerinkel van internet, mobiele telefoons, snelle nieuwsberichten, die
even snel weer vergeten zijn: over tot de orde van de dag. Nagtzaam werkt
aan een oeuvre van lange reeksen tekeningen, die zelfstandig kunnen functioneren,
maar een extra betekenis aan hun samenhang ontlenen.
Voor Nagtzaam is tekenen denken, en wellicht denkt hij ook in tekeningen.
Hoeveel werk en aandacht ook in het tekenen zelf, grafiet op papier, gestoken
wordt; het is de gedachte die telt. Als Nagtzaam zijn werken exposeert
maakt hij installatie-achtige composities. Hij hangt zijn tekeningen bij
voorkeur met wat spelden aan de muur. Ben je niet bang dat ze stuk
gaan? vraag ik.
Nee, hoor! Ze zijn gebaseerd op een idee. Als ze stuk gaan, maak ik
een nieuwe. Ik denk dat de nieuwe tekening er precies zo uit zal zien
als de tekening die stuk ging.
Die opmerking bevestigt dat tekening en gedachte één en
hetzelfde zijn. En wat zo plezierig is, hij neemt die gedachten niet al
te serieus. Want als de tekening verdwijnt, blijft de gedachte en de gedachte
is onkwetsbaar, kan altijd weer opnieuw worden gedacht.
Een tentoonstelling is tijdelijk, en Nagtzaam heeft zijn tentoonstellingen
in een eerdere reeks van werken nagetekend. Hij toont de witte wand, bezaaid
met donkere vlekken en bestudeert de manier, waarop zij zich met elkaar
en de wand verhouden. De verhouding speelt in de bijzondere uitgaven die
hij maakt een belangrijke rol. Het gaat om kleine boekjes waarin de tekeningen
groot en klein naast elkaar komen te staan.
De doener conformeert zich, legt zich
neer bij wat er te doen valt, waar de denker en de dromer ongrijpbaar,
non-conformistisch zijn. Daar gaat een bedreiging van uit. Het is de kern
van de argwaan, die harde werkers, ten overstaande van kunstenaars tentoonspreiden.
Zij vermoeden dat de ander een strategie heeft, zich onttrekt aan alle
regels waar zij zich aan te houden hebben. Die regels bestaan niet alleen
uit waarden en normen. Zij ontspringen aan de verantwoordelijkheden van
alledag, de verantwoordelijkheden waaraan de werkers hun positie status
en macht ontlenen. Wie is die kunstenaar, dat hij of zij zich vrij voelt
en zij niet?
Saskia Monshouwer
|