Altijd alle tijd 2005/9

Liever lui, dan moe

Het schijnt dat Barry Flannagan, niet zo heel lang geleden, een praatje hield voor studenten aan de KABK in Den Haag. Terwijl hij bij de studenten geïntroduceerd werd, voegde de moderator toe: U vind toch ook dat studenten hard moeten werken, meneer Flannagan, om tot goede kunst te komen?
Nee, antwoordt Flannagan, ik lig ‘s ochtends liever lang in bed. Ik ben liever lui, U niet dan?


Er is altijd veel verwarring geweest over hoe hard een kunstenaar eigenlijk werkt, of werken moet, om tot een behoorlijk resultaat te komen. Hoe lang doet u daar nou over, over zo’n schilderij? vraagt de toeschouwer aan de kunstenaar en antwoord dan in godsnaam niet: dat heb ik in een middag voor elkaar! Vooral nu, nu de broekriem moet worden aangetrokken en het vervroegd pensioen wordt verlaat, moet de kunstenaar weer hard werken om als een serieus te nemen man of vrouw, tussen de andere serieuze mannen en vrouwen te mogen verblijven.

Luiheid is tot daar en toe, dromen is nog veel erger. Uit een van mijn grootmoeders’ boeken stamt de typologie van het vlijtige & schrandere, het luie & brutale en het dromerige kind. Het schrandere redt zichzelf. Het luie en brutale moet aan het werk worden gezet, maar hoedt u voor het dromerige type! Die waarschuwing werkt prikkelend, en je zou van de weeromstuit niets anders meer willen dan dromen. Dromen en nietsdoen, terwijl de wereld voortsnelt.
Flannagan droomt zijn hazen.

Met plezier wandel ik lang de haas, die in Utrecht mistroostig naar het verkeer kijkt. Aanvankelijk valt het me niet zo op, maar op een dag realiseer ik me, dat het beeld een parafrase van De Denker van Rodin moet zijn. De dromer is een denker, de denker een dromer, zodat het beeld plotseling een anarchistisch statement wordt. Barry Flannagan, Emese Benczúr en Marc Nagtzaam. Zij hebben natuurlijk niets met elkaar gemeen, behalve wat ik nu al dromend aan elkaar rijg. Een reeks gesprekken, beelden en herinneringen en ik bedenk dat het dromen ook kan worden opgevat als een virtueel atelier, de ideale ruimte om in te werken.


Emese Benczúr, een jonge Hongaarse kunstenares, snijdt hetzelfde thema tijd fantasievol aan. Haar werk Should I Live to Be a Hundred, werd, na een aantal Biënnales in kleine kring, beroemd. Het werk uit 1998 bestaat uit 2500 meter machinaal vervaardigde kledinglabels. Day by Day luidt de oranje tekst op de donkerblauwe band. Voor iedere dag één Day by Day, waaraan zij dagelijks in fijne borduursteken de tekst ‘I Think About the Future’ toevoegt. De voltooide maand wordt afgeknipt. Het werk is een visueel dagboek, dat op ieder willekeurig moment haar hele leven, verleden, heden en toekomst verbeeld.
Stijn Heutz van het domein in Sittard wou het kopen en ik wist niet wat ik antwoorden moest, zegt ze. Ik had er nog nooit over nagedacht wat een dergelijk werk zou moeten kosten. Na enige bedenktijd heb ik besloten dat ik voor dit werk een maandinkomen moet krijgen. Iedere maand een bedrag aan geld, zolang ik leef. Heutz is niet op mijn verzoek ingegaan. Hij dacht dat het onmogelijk was om dit met het museum te regelen.

Ik spreek haar als ik op bezoek ben in Boedapest, wat op dit moment een fijne stad is, vol merkwaardige contrasten. Aan de buitenkant zijn de gebouwen opgeknapt, een stad vol prachtige 19e eeuwse gebouwen lijkt weer op het sprookje, dat het ooit moet zijn geweest. Maar op de binnenhoven heerst nog steeds een kleine chaos. Het is een wanorde van geraniums in oude aardewerken potten, was en tapijten, en kogelgaten in de muur. De buitenkant voor de toeristen, de binnenkant voor de bewoners en de krakers, die her en der biertuinen geopend hebben.
Emese heeft een woning in Boeda, een comfortabele woning in een oud, aftands gebouw. Ik kan er niets aan doen dat ik de behoefte aan vrijheid, die uit haar werken spreekt, verbindt aan een land en een stad, die door de politieke situatie lange tijd tot benauwd provincialisme veroordeeld was. Als ik hiernaar informeer, ontkent zij het verband. Ze had een gelukkige jeugd. Als haar moeder, een coupeuse, achter haar naaimachine zat, zat Emese aan haar voeten. De problemen rond de oorlog en de communistische tijd was iets, waar de volwassenen mee van doen hadden, maar waar ik als kind niets mee te maken had. Het enige wat ik vreemd vond, was de verhouding tot het buitenland. We kregen op school geen vreemde talen, behalve Russisch dan. Maar zelfs het Russisch werd niet als levende taal onderwezen. Daar kwam ik op een vreemde manier achter, toen ik in Rusland was. Ik zou een muurschildering maken en moest samenwerken met mensen uit de bouw. Toen bleek dat ik alleen wat voorgeprogrammeerde zinnen kende, waarin bovendien een beeld van Rusland werd gegeven, dat zelfs voor de Russen vreemd was.
Bensur gebruikt een naaimachine voor haar kunst. Voor een expositie in New York maakt zij een enorm roze velum. De zijden lap is ruim 11 bij 6 meter. Ze heeft de hele lap zorgvuldig voorzien van stiksels met uitzondering van de tekst Try To See the World Through…
Eigenlijk had er moeten staan, try to see the world through a pink looking glass, zegt ze. Maar die zin was veel te lang. De afkorting wordt goedgemaakt door de merknaam van de roze stof: American Dream.

Het werk van Benczúr is van een bewonderenswaardige lichtheid. Je kunt het amper statements noemen die zij maakt, het zijn eerder mijmeringen, gevisualiseerde dromen, die zonder enige pretentie aan de wereld worden getoond. Hoe kan dit nou gevaarlijk zijn?
Het was een enorm karwei om de stof te bestikken, gaat ze voort. Ik had het geluk, dat ik in New York een groot atelier tot mijn beschikking had. Ik bracht dagen lang achter mijn naaimachine door en was onophoudelijk bezig. Het was heel moeilijk om de juiste stof te vinden. En toen ik eenmaal in New York was, ging ik met een lijstje alle stoffen winkels af. Niemand had de juiste stof, en als ze de stof wel hadden, hadden ze er meestal niet voldoende van.

Achter de dromerige werken gaat een grote onrust schuil. Voor Benczúr is het vertragen en niets doen een vorm van verzet. Ze gaat haar eigen weg. Dat deed ze op de academie waar maar weinig begrip was voor haar kunst. De academie van Boedapest is tot op heden een bolwerk van meer of minder gefrustreerde schilders, die de stap van de moderne kunst, naar actuele kunst maar moeilijk kunnen maken. De moderne kunst was achter het ijzeren gordijn een teken van verzet, een metafoor voor de wens om aan het communisme te ontkomen. Na het openstellen van de grenzen volgt de teleurstelling. De wereld is veranderd en het aura van verzet en vrijheid vervliegt op het moment, dat zij niet meer is ingekaderd.
Ik ben op een vreemde manier afgestudeerd. Tegen het einde van mijn studie kwam ik nooit meer naar de academie, ik werkte altijd thuis. Niemand van de leraren is komen kijken, of vroeg waar ik was. Ze waren op de hoogte van wat ik deed, maar konden er waarschijnlijk niet mee uit de voeten. Maar mijn diploma kreeg ik wel. Het was een vreemde ervaring.


In het werk van Bensur zijn gedachten over tijdsverloop en vrijheid aan elkaar gekoppeld. Een vanzelfsprekende verbinding, die ook haar manier van leven bepaalt, merk ik als ik vraag wat ze doet als ze niet voor een buitenlandse opdracht werkt.
Ik kan op dit moment niet zo makkelijk op reis, vanwege mijn kind, maar normaal gesproken ben ik één of twee keer per jaar ergens in het een of het andere buitenland. In de tussentijd zit ik in Boedapest en doe eigenlijk niets. Ik drink wat, praat met vrienden, want uiteindelijk is er niet zoveel te doen in Hongarije als je over kunst praat. Alles moet nog op gang komen. Ik kan me dat gelukkig permitteren, omdat ik met de opdrachten goed verdiend heb en ik ben in Hongarije redelijk succesvol. Maar in wezen is er geen verschil met hoe ik leefde, toen er nog geen succes was. Ik werkte een beetje en hield ermee op zodra ik voldoende geld had.
Maar wat ongedwongen lijkt, gaat met een grote druk gepaard. Dat blijkt uit de enorme vlijt waarmee ze het roze velum heeft gestikt, dat blijkt wanneer, we zijn al kletsend op een zijspoor geraakt, haar kind opnieuw ter sprake komt.
Mijn kind is nu vier jaar oud en gaat naar de crèche. Ik heb ervoor gezorgd dat ze nu Engels leert, daar heb ik op gestaan. Een andere taal spreken is van levensbelang, ik zou niet willen dat ze zo besloten op moet groeien als ik ben opgegroeid.

Flannagan en Benczúr staan niet alleen in de manier waarop zij van een droom een anarchistisch statement weten te maken. Waarschijnlijk gaat het om een zienswijze die van wezenlijk belang is voor de kunstenaar en de kunst. Ze bevat ook een zeker bedrog, een onwaarheid, waarmee de moderator van de KABK in Den Haag is vrij gepleit. Het statement van de luiheid is geen willekeur, maar komt voort uit een noodzaak, daar ben ik zeker van. De noodzaak om het denken, het functioneren van het eigen ik te beschermen. Dat dat niet alleen maar lui, maar ook onrustig, bezorgd en neurotisch is, kan je beter niet laten weten. Dat je eigenlijk heel hard werkt als het er op aankomt, uren maakt die niet betaald worden, en handelingen verricht, die volstrekt overbodig lijken, kan je maar beter verzwijgen. Vlijt en ijver worden weliswaar hoog gewaardeerd, maar zelden juist begrepen.


Marc Nagtzaam werkt zorgvuldig en langzaam aan grote potloodtekeningen, bladen vol grafiet, pikzwart of grijs, doorregen met kaarsrechte lijnen, of vlekken en stippels als die van een ruisend tv-scherm. Hij tekent grote vellen vol. De precisie en het geduld vormen een contrast met het geflits en gerinkel van internet, mobiele telefoons, snelle nieuwsberichten, die even snel weer vergeten zijn: over tot de orde van de dag. Nagtzaam werkt aan een oeuvre van lange reeksen tekeningen, die zelfstandig kunnen functioneren, maar een extra betekenis aan hun samenhang ontlenen.

Voor Nagtzaam is tekenen denken, en wellicht denkt hij ook in tekeningen. Hoeveel werk en aandacht ook in het tekenen zelf, grafiet op papier, gestoken wordt; het is de gedachte die telt. Als Nagtzaam zijn werken exposeert maakt hij installatie-achtige composities. Hij hangt zijn tekeningen bij voorkeur met wat spelden aan de muur. Ben je niet bang dat ze stuk gaan? vraag ik.
Nee, hoor! Ze zijn gebaseerd op een idee. Als ze stuk gaan, maak ik een nieuwe. Ik denk dat de nieuwe tekening er precies zo uit zal zien als de tekening die stuk ging.

Die opmerking bevestigt dat tekening en gedachte één en hetzelfde zijn. En wat zo plezierig is, hij neemt die gedachten niet al te serieus. Want als de tekening verdwijnt, blijft de gedachte en de gedachte is onkwetsbaar, kan altijd weer opnieuw worden gedacht.

Een tentoonstelling is tijdelijk, en Nagtzaam heeft zijn tentoonstellingen in een eerdere reeks van werken nagetekend. Hij toont de witte wand, bezaaid met donkere vlekken en bestudeert de manier, waarop zij zich met elkaar en de wand verhouden. De verhouding speelt in de bijzondere uitgaven die hij maakt een belangrijke rol. Het gaat om kleine boekjes waarin de tekeningen groot en klein naast elkaar komen te staan.

De doener conformeert zich, legt zich neer bij wat er te doen valt, waar de denker en de dromer ongrijpbaar, non-conformistisch zijn. Daar gaat een bedreiging van uit. Het is de kern van de argwaan, die harde werkers, ten overstaande van kunstenaars tentoonspreiden. Zij vermoeden dat de ander een strategie heeft, zich onttrekt aan alle regels waar zij zich aan te houden hebben. Die regels bestaan niet alleen uit waarden en normen. Zij ontspringen aan de verantwoordelijkheden van alledag, de verantwoordelijkheden waaraan de werkers hun positie status en macht ontlenen. Wie is die kunstenaar, dat hij of zij zich vrij voelt en zij niet?

Saskia Monshouwer

beeld:
Emese Benczúr ‘Should I live to be a hundred - Day by day I think about the future’, 2500m, 1998
Emese Benczúr ‘Try to see the world...’, 1178x610cm, 1999
Marc Nagtzaam ‘Your Words/Always on my mind’ 96x64cm, 1998

< back