|
Iedereen zijn eigen voetbal
Meer nog dan Karel Appel’s legendarische uitspraak: ‘Ik rotsooi maar wat aan’, vertolkt Jan Cremer’s boutade : ‘Rembrandt, wie is dat? Ik doe niet aan sport’, vlijmscherp de anti-academische houding, die sinds het ontstaan van de moderne kunst kenmerkend is voor opeenvolgende generaties kunstenaars, die wilden breken met al het voorafgaande. Voor de avant-garde bestond eigenlijk alleen het hier en nu. Het verleden telde niet meer: oude koek. In het voetspoor daarvan diende zich na de Tweede Wereldoorlog opnieuw een reeks bewegingen aan: van Cobra tot Nul, die telkens weer met een schone lei wilden beginnen, tabula rasa, alsof de kunst en het leven weer uitgevonden moesten worden.
Punk in de jaren tachtig van de vorige eeuw was de laatste manifestatie van die mentaliteit, onder het motto : we doen alles op onze manier en trekken ons van leermeesters niets aan. In dat verband was academisme een scheldwoord. De academie stond voor regels en normen die bestreden moesten worden. Academisch onderwijs is vanouds gebaat bij kennis en vaardigheden, die overgedragen kunnen worden. Dat staat vanzelfsprekend op gespannen voet met levende kunst, die telkens zichzelf wil uitvinden. De ironie is natuurlijk dat die avant-gardistische geest op den duur zelf traditie wordt. Ook antikunstenaars als Duchamp en Picabia werden na verloop van tijd oude meesters.
Op eigen kracht
Uit eigen ervaring kan ik mij herinneren, dat het in het avontuurlijke klimaat, vlak na de oorlog, niet voor de hand lag een kunstopleiding te volgen. Kunst moest je op eigen kracht ontdekken. Dat er ook binnen de moderne kunst zoiets als Bauhaus bestaan had, was mij althans onbekend en op de Rijksacademie een verzwegen hoofdstuk. Jan Wiegers, toen nog geen Professor aan die Rijksacademie in Amsterdam, maar met een reputatie van modernist - hij was tenslotte bevriend geweest met niemand minder dan Ludwig Kirchner -, had mij, op grond van mijn autodidactisch jeugdwerk, waarmee ik bij hem langs kwam op het Walenpleintje, de goede raad gegeven academies te mijden en liever naar Parijs te gaan, waar toen de draad van de moderne kunst weer werd opgevat. Wat was er niet allemaal te zien: Dubuffet, die in de ‘Kroniek van Kunst en Cultuur’ werd afgedaan als charlatan, of de enigmatische puntschilderijtjes van de geheel vergeten Picabia in de Galerie des Deux Iles. In ‘L’Art d’aujourdhui’, waar ik een abonnement op had, was behalve de koele geometrische ab-stractie, waar ik niet zoveel mee op had, ook af en toe lyrischer kunst te vinden van onder andere Hans Hartung en Wols. Inderdaad heb ik er nooit spijt van gehad, dat ik de Academie nooit bezocht heb en niet van leraren te horen heb gekregen hoe kunst gemaakt moet worden. Ik ben als kunstenaar nooit opgezadeld met navolgenswaardige voorbeelden. Een canon is niet aan mij besteed geweest. Ik heb zelf mijn weg moeten vinden.
Pluriformiteit of conformisme
De Rijksacademie oude stijl, waar de tijd rond het eind van de negentiende eeuw stil was blijven staan en zelfs Van Gogh nog te modern was, is onder druk van het kunstenaars-protest in de jaren zestig tegenwoordig veranderd in een internationaal georiënteerde werkplaats. Kunstopleidingen hebben tot op zekere hoogte de illusie laten varen, dat kunst te leren valt. Het kritisch vermogen wordt getraind in confrontatie met anderen. Leerlingen worden aangemoedigd zich zelfstandig te ontwikkelen en hoeven zich niet meer te confirmeren aan voorgeschreven lesstof met voorgeprogrammeerde normen en waarden.
Inmiddels lijkt het tij weer te keren. De individualisering dreigt als massaverschijnsel uit de hand te lopen, nu de zwijgende meerderheid van zich doet spreken. De politiek ziet als reactie daarop het liefst de vertrouwde normen en waarden in ere hersteld. In plaats van pluriformiteit is nu inburgering verplicht. Daar hoort bij dat de Nederlandse identiteit versterkt moet worden met een canon, dat iedereen moet kennen. Zeker in de kunst is het de vraag, of je ver komt met zo’n chauvinistische of op zijn minst eurocentrische benadering. Heeft het nog zin te benadrukken, dat wij in het land van Rembrandt leven, nu de grenzen juist verdwijnen?
Canon of kennisoverdracht
Canons zijn de typische machtsmiddelen van een hiërarchisch geordende maatschappij. In de kunst is niet voor niets de Academie, als bewaker van canonieke zekerheden, ontstaan aan het hof van de zonnekoning Lodewijk de Veertiende. Het Franse voorbeeld heeft overal ter wereld model gestaan voor een star, classicistisch geordend systeem, dat in de twintigste eeuw in zwang bleef, nadat de ‘Pompiers’ het in eerste instantie af hadden moeten leggen tegen de moderne kunst, vooral onder dictaturen, die niets van vrijheid moesten hebben.
Dat is het laatste waar we tegenwoordig naar terug moeten keren. De roep om de canon weer in ere te herstellen appelleert aan ‘het eigen volk eerst’ sentiment. Wie bepaalt trouwens de canon? Is het de grootste gemene deler van de kijkdichtheid in de media, zoals onlangs bij de verkiezing van de grootste Nederlander of moet er een sterke man gevonden worden, die het uitmaakt ?
Een andere zaak is dat meer onderwijs van historische kennis geen kwaad kan. Op het gebied van kennisoverdracht hebben de opleidingen het de laatste decennia in veel opzichten laten afweten. Dat geldt ook voor het kunstonderwijs. Een kunstenaar hoeft tenslotte geen nitwit te zijn. ‘Bête comme un peintre’ is sinds Duchamp geen aanbeveling meer. Als referentiekader is kennis onontbeerlijk, ook voor de kunstenaar die op zoek is naar het onbekende. Dit geldt te meer nu de digitale informatiestroom ongelimiteerd is.
Privé- canon
Kunsthistorische kennis, als persoonlijke ervaring opgedaan, is nuttig, niet om na te volgen, maar als maatstaf voor kwaliteit. Ook de meest eigenzinnige kunstenaar bepaalt zijn unieke positie in relatie tot andere kunstenaars uit heden of verleden, die hij heeft leren waarderen of waar hij juist de pest aan heeft. Daarvoor is een referentiekader nodig, gebaseerd op veel zien en vergelijken. Zo ontwikkelt elke kunstenaar van enige betekenis in de loop van zijn ontwikkeling zijn eigen context, waarbinnen hij opereert. De opbouw van een eigen voorkeurswereld kan aangemoedigd, maar niet aangeleerd worden. Daarvoor is die privé-canon te persoonlijk. ‘Jedermann seinen eigenen Fussball’, is een bekende dadaïstische slogan, die nog steeds hout snijdt. Laat iedereen zijn eigen canon ontwikkelen en zonodig omsmeden tot ‘cannonball’. Dat valt niet collectief en zeker niet van boven af te regelen.
Franck Gribling |