canon 2005/10

Stal- en kluismorfologie

In de loop der jaren zijn in mijn werk telkens huisjes, hutjes, tentjes opgedoken. Altijd van buitenaf gezien, vaak een toonbeeld van behaaglijkheid. Soms kregen ze als titel ‘shelter’, wat zowel huisje als bescherming, beschutting, schuilplaats of asiel betekent. De maat van de huisjes is onbestemd. Als er al een ingang te zien is, is deze meestal klein. De vraag rijst of de huisjes wel toegankelijk zijn. En of je, als je eenmaal binnen bent, er weer uit zou kunnen komen. Kortom, de vraag wordt opgeroepen of de intense behaaglijkheid die de huisjes in eerste instantie uitstralen, wel bereikbaar is. Is veiligheid alleen beschikbaar in een gesloten kluis?

Ongeveer twee jaar geleden vatte ik het plan op voor een groot schilderij, waarop het zelfgebouwde onderkomen van een dakloze te zien zou zijn. Aan de rand van de stad waar ik woon, Rotterdam, waren tot voor kort af en toe dergelijke bouwsels te zien. De totaal veranderde politieke visie op daklozen en verslaafden heeft ertoe geleid, dat in mijn omgeving dit beeld verdwenen is. Of het de bewoners beter gaat dan voorheen, is nog maar de vraag.
Mij viel een eenheid in de vormgeving van deze onderkomens op, een door de omstandigheden afgedwongen uniformiteit. Immers, de gebruikte materialen zijn zonder uitzondering door anderen weggeworpen: landbouwplastic als dak, houten pallets als vloer, een ‘Perzisch tapijt’ als vloerbedekking, oude deuren als muur. Ook de locaties tonen grote overeenkomst: de natuur van de wat verruigde stadsranden. Een lege plek tussen bomen en struiken. De bomen krijgen de constructieve functie van binten en balken.

Wat mij interesseert is de Umwertung von Werten: wat algemeen als waardeloos wordt beschouwd, kan voor een ander, of voor ieder van ons in een andere omstandigheid, van fundamenteel belang zijn om te overleven. Mijn schilderij, dat overigens de buitenplaats gaat heten, zou deze Umwertung direct moeten tonen (zoals hij ook in de dubbele betekenis van de titel zit).
Tijdens de mijmerfase zag ik een Stal van Bethlehem van de Vlaamse schilder Petrus Christus. Wat mij eraan opviel, was dat het dezelfde verhouding tussen belangrijk en kapot had, die mij in de buitenplaats voor ogen stond. Een korte speurtocht leverde een ware stortvloed op van schilderijen met dezelfde wonderlijke mix van waardevol en waardeloos. Meestal waren het scènes in de stal van Bethlehem, minder vaak de kluis van een heremiet, zoals van de heilige Hiëronymus of Antonius. Het stalmotief duikt rond 1425 plotseling op, om rond 1500 tot volle bloei te komen. Terzijde: de stal komt in het Evangelie niet voor, evenmin als een os en een ezel. Het betreft hier dus een motiefvondst van de late middeleeuwen.

Ik besloot, als voorbereiding op het grote schilderij, een studie te maken van het motief aan de hand van alle stallen en kluizen die ik in mijn boekenkast zou vinden en die aan mijn beeldeisen zouden voldoen. Ik wilde kijken naar vormgevings- en constructieprincipes en afzien van personen. Dus bij mij geen Christuskindje, geen Maria, Jozef, herders, koningen, engelen, heiligen. Ik schilder geen figuren, maar het godvormig gat, om met Salman Rushdie te spreken.

Het stal- en kluismotief verdwijnt in de loop van de zestiende eeuw, om getransformeerd terug te keren in de ruïnes van de Romantiek. In de negentiende eeuw verlangt men terug naar de tijd van Dürer en Raphael. Het kan bijna geen toeval zijn dat het motief van de vergankelijke geborgenheid juist dan zo’n sterke revival beleeft.
De laatste jaren verschijnen er in de kunst opnieuw allerlei huisjes en bouwsels, o.a. bij Paul Thek en Thomas Hirschhorn. Spreekt hieruit een verlangen naar geborgenheid? En is er een samenhang met de restauratieve tendens in de samenleving?

De stal- en kluismorfologieserie, waaraan ik inmiddels volop werk, zal rond de honderd werken bevatten. Zoals de dakloze materiaal recyclet, zo recycle ik beelden. Of, anders gezegd, ik toon het cyclische van een motief. Nu weer manipuleer ik de beelden naar hartelust, dan weer blijf ik ze trouw. Zonder sy-steem.
Houd ik mij in dit project bezig met de kunsthistorische canon? Nee, maar wel met de mijne. Een kunstenaar móet niets, dus is een algemeen aanvaarde canon voor hem of haar van weinig belang.
Daarom: ieder zijn canon!

Olphaert den Otter

Olphaert den Otter is beeldend kunstenaar

beeld: Olphaert den Otter

< back