Broedplaatsvisite in Arti
Vrijdag 27 maart vond in ARTI de opening plaats van een tentoonstelling over de broedplaatsen in Amsterdam. Tijmen van Grootheest sprak een woord gevolgd door Hannah Belliot, die zich, zo blijkt uit meerdere krantenberichten, op dit moment zorgen maakt over de creatieve activiteit in de stad. Broedplaatsvisite in Arti, een opening als zovelen. Toch had ik enige twijfels. Wie heeft deze tentoonstelling nou precies georganiseerd? Bij lezing van het persbericht komt de tentoonstelling voor rekening van de programmacommissie, die in het kader van de jaarlijks terugkerende visite waarbij ARTI kunstenaarsinitiatieven uitnodigt om zich te presenteren, dit jaar de Broedplaatsen heeft uitgenodigd om een plan in te leveren voor een presentatie. Er zijn 27 inzendingen ontvangen en 11 geselecteerd.
Mijn twijfels hebben niets te maken met de kwaliteit van de tentoonstelling, 11 presentaties waar meer dan 150 kunstenaars aan deelnemen, leuk en ik zou iedereen aanraden om even te gaan kijken. De programmacommissie heeft bij de selectie de nadruk gelegd op de samenhang van de presentaties, waardoor je door een redelijk goed geordende tentoonstelling loopt. Het is mogelijk om een indruk op te doen van het beeldmerk van de deelnemende broedplaatsen. Het organogram van PAKT is in dit verband een leuk voorbeeld. Het geeft een helder inzicht in de medewerkers en relaties. Het bevredigt de behoefte van degenen die het gezicht achter de kunsten willen zien en graag speculeren over mogelijke complotten. Kortom een bondige presentatie, die ook nog als statement kan worden opgevat.
Maar dan, waar komt die twijfel vandaan? Ik vind het jammer dat de Arti programma commissie het ambtelijke begrip broedplaats zo vanzelfsprekend presenteert, want het beleid dat er achter zit, heeft een aantal wrange gevolgen. Hoe vanzelfsprekend zij de ambtenaren volgen blijkt uit het persbericht : Opvallend is dat veel van de nog maar kort functionerende broedplaatsen ervoor gekozen hebben de individuele kunstenaars hun eigen zegje te laten doen, aldus de verbaasde schrijver van het eerder geciteerde persbericht. Dat is helemaal niet opvallend, want achter de broedplaatsen gaan atelierpanden schuil en in atelierpanden werkt een vaak willekeurige groep kunstenaars. Met andere woorden: een broedplaats kan een kunstenaarsinitiatief zijn, maar dit is niet noodzakelijk, of toch? De naam veronderstelt toch van wel?
Het broedplaatsenbeleid is een gemeentelijk beleid, deels ontwikkeld om kunstenaars te ondersteunen en deels als een antwoord op een ander aspect van het gemeentelijk beleid, namelijk het vrijgeven van de huurprijs van diverse atelierpanden die nu marktconform moet zijn. Jarenlang konden kunstenaars op vele plekken in de stad wonen en werken. Er waren panden waar kunstenaars zonder inmenging van derden verbleven. Sommige waren door de gemeente vrijgegeven, andere gekraakt en velen waren als witte vlek opgenomen in bestemmingsplannen. Het grondbedrijf was de beheerder, de kunstenaars koning te rijk.
En nu is dit beleid voor een groot deel ten einde. Wij moeten marktconform, wat betekent dat vele kunstenaars een andere plek moeten zoeken. Zij gaan naar Berlijn (zoals Tijmen van Grootheest vermeldde in zijn speech), naar gekraakte flatgebouwen in Noord (zoals Hannah Belliot tijdens een discussie gezegd schijnt te hebben), naar een fabrieksterrein in Weesp, of een pinkenschuur in de polder tussen Muiden en Muiderberg. Velen belanden op zolderkamers. Dit laatste cliché was volgens theoretici aan vervanging toe, maar kan weer uit grootmoeders kast worden gehaald.
Is dat erg? Nee, niet altijd. Het lijkt wat merkwaardig, maar de opsomming van boevengenoemde alternatieven ken ik uit de praktijk en de kunstenaars die deze oplossingen kozen, prijzen zich gelukkig. De een met zijn prachtig tot atelier verbouwde zolder-met-zadeldak, de ander omwille van de frisse lucht tussen de kalveren en de koeien. Het probleem zit hem in het broedplaatsenbeleid, dat het culturele ondernemerschap aan kunstbeleid koppelt, terwijl het een atelierbeleid en kunstenaarsbeleid vervangt.
Er is 28 miljoen euro beschikbaar voor een beperkte ondernemende groep kunstenaars als aanvulling op de marktconforme huurprijs, de verbouwing en het onderhoud van hun pand. Aan verbouwing en onderhoud en invulling van de activiteiten worden strikte eisen gesteld. In praktijk komt het er op neer, dat je alleen in aanmerking komt als je collectief opereert, georganiseerd bent en zijdelings tegemoet komt aan het cultureel ondernemerschap.
Dat zijn wel verdomd mooie panden, mompelt een mannetje in pak - voorheen een makelaar? - dat voor me staat terwijl hij de stadskaart bekijkt en de lijst waarop de broedplaatsen weergegeven worden.
Is dat erg? Ja, want het nieuwe beleid geeft de individuele kunstenaar geen respijt of compensatie als hij of zij toevallig in een ander pand, dan een broedplaats werkt. Geen respijt of respect ondanks het feit dat zij daar verblijven op grond van een eerder gemeentebeleid. Het verbergt dat het voor jong en oud veel moeilijker en duurder is geworden om atelierruimte te vinden. Dat ook de huurprijzen van de panden die onder het broedplaatsenbeleid vallen veel hoger zijn geworden dan voorheen, omdat alles officieel wordt doorgerekend. De 28 miljoen euro is een doekje voor het bloeden, een win-win voor de beleidsmakers, een verlies-verlies voor de kunstenaars.
Is dat erg? Ach, we leven in de moderne tijd, het is toch naïef om niet marktconform te werken? Ga toch naar Berlijn, ga naar Londen en New York, ga naar Rotterdam, laat de hoofdstad de hoofdstad zijn. Maar, dan vraag ik van de kant van de beleidsmakers en wethouders, dat zij niet zeuren over het gebrek aan creativiteit in de stad.
Saskia Monshouwer |