kunstenaar & initiatief 2004/6
‘Ab igne ignem capere’
Peter Giele op zijn eigen houtje

Dat kunstenaars het heft in eigen handen nemen en menen het best zelf te kunnen beslissen over de presentatie van hun werk, zonder intermediairs, is geen nieuw fenomeen. Om de zoveel tijd dient zich wel een generatie aan die probeert zich op eigen voorwaarden te manifesteren, zonder inmenging van buitenstaanders. In feite zijn de meeste kunstenaarsverenigingen ooit zo ontstaan. Een naam als ‘de Onafhankelijken’ herinnert daar nog aan. De institutionalisering van dergelijke initiatieven laat meestal niet lang op zich wachten. Echte onafhankelijkheid is meestal maar van korte duur. Zeker als de overheid er zich mee meent te moeten bemoeien. Kunstenaarsinitiatieven ontstaan spontaan en niet als resultaat van een goed bedoeld broedplaatsenbeleid. Kunst komt nu eenmaal niet tot stand in legbaterijen.

Er is een bijzondere eigenzinnige mentaliteit voor nodig om iets nieuws van de grond te krijgen. Dat vereist een rebelse onorthodoxe geest die zich niets aantrekt van de bestaande regels. Het belangrijkste is echter een talent om op eigen gelegenheid mogelijkheden te creëeren.
Dat was een eigenschap waar Peter Giele rijkelijk over beschikte. Als motor achter allerlei initiatieven, die in de jaren tachtig van de twintigste eeuw van de grond kwamen, is hij legendarisch geworden. Een legende die met zijn dood en het gelijktijdig afbranden van de Roxy mythische proporties kreeg. Eigenlijk was hij een soort eenmans kunstenaarsinitiatief, de belichaming van de ooit door Dirk van Weelden geformuleerde filosofie ‘van het eigen houtje’. Liefst voerde Giele zijn plannen geheel eigenhandig uit, een geboren doe-het-zelver, die toch een sociale context voor zijn aktiviteiten nodig had. Het klinkt paradoxaal, maar Giele bracht in zijn eentje sociale sculpturen tot stand, waar massa’s mensen zich bij betrokken voelden en door geïnspireerd werden. Zijn Verzamelde werken, van de Amok performances van 1980, de Aorta installaties, de Donkere Kamer inrichting en de Roxy shows, tot zijn laatste niet meer voltooide opzet van het restaurant-ontmoetingscentrum op het Muntplein, zijn nu prachtig in boekvorm gedocumenteerd, als het portret van een periode, waarin Amsterdam op zijn kop werd gezet met de opkomst van Punk en kraakbeweging op plekken als Aorta en Warmoesstraat 139. Tineke Reijnders beschrijft in het boek die ‘Adressen van de autonome geest’, maar verder moeten de beelden vrijwel voor zichzelf spreken. Achteraf is het hoge jaren zeventig gehalte van veel ludieke aktiviteiten opvallend. Het wiel werd opnieuw op eigen gelegenheid uitgevonden. Je eigen ding doen, ongehinderd door enige autoriteit, daar ging het om.

Antieke God van de aktie
Opvallend in een toch sterk op de ontplooing van het eigen ik gerichte periode, is de belangeloosheid waarmee Giele zich inzet voor gemeenschappelijke belangen. Als individueel kunstenaar lijkt Giele schuil te gaan achter de evenementen die hij ensceneert en aankleedt. Toch wist hij op alles wat hij deed een eigen stempel te drukken. In een tijd van massaproductie, massamedia en computertechnologie, hield hij vast aan de romantiek van het zelfgemaakte produkt, dat zijn waarde ontleent aan het verrichte handwerk. De afwerking was heel belangrijk voor hem.
Paul Blanca portretteerde Giele als een enigzins exhibitionistische doener, die met een mokerhamer als instrument heroïsch poseert als een antieke god van de aktie.
In werkelijkheid herinner ik mij Peter meer als een bezig baasje, overlopend van energie en plannen, voortdurend slepend met karrevrachten materiaal voor projecten in wording. Met vuur kon hij warm lopen voor allerlei doelen. In de Verzamelde werken is het maar een voetnoot, maar in 1992-1993 heeft Giele met veel enthousiasme in het Interim Bestuur van Arti gezeten, dat toen orde op zaken wilde stellen in een nogal aderverkalkt beleid. Hij had daar zo zijn eigen ideeën over. Toen Hans Landsaat hem vroeg zitting te nemen in dat bijzonder intensief werkende tijdelijke bestuur, zei hij volmondig ja.

Arti
Hoewel de verenigingsbureaucratie hem volledig vreemd was, heeft hij zich toen volledig ingezet om Arti op een nieuw spoor te krijgen. Het liefst had hij, hoewel hij de gedegen uitstraling van het Berlage interieur best waardeerde, een nieuwe plek gevonden voor Arti, om er een vitaal kunstenaarsinitiatief van te maken, zonder teveel ballast van het verleden. Er moest plaats komen voor de eigentijdse creativiteit. Dat wil niet zeggen dat hij geen gevoel had voor de betekenis van tradities. Hij was romanticus genoeg om juist te willen spelen met overleveringen. Voortdurend was hij bezig met resten van het verleden in het heden te recyclen. Hij schuwde daarbij theatraliteit niet . Ook als dichter speelde hij met een negentiende eeuws imago. Behalve als man van de daad uitte hij zich in de taal als ‘Smartlappenkoning der Romantici’, zoals hij in een bijdrage over zijn dichtkunst in de Verzamelde werken genoemd wordt.
Toen het statige neo-klassicistische kerkgebouw aan de Kloveniersburgwal, met als toegift een atoombombestendige schuilkelder, te koop was voor een luttele twee millioen gulden, leek hem dat de ideale lokatie voor een nieuw Arti. Het liefst had hij het gebouw meteen geruild voor de oude behuizing aan het Rokin, zonder het minste begrip voor mogelijke emotionele weerstanden binnen de vereniging. Daar kwam dus niets van terecht. Net zo min als van zijn voorstellen om de sociëteit door de kunstenaars zelf te laten runnen. Wel is er toen geëxperimenteerd met de mogelijkheid om kunstenaars op voorstel van leden ongeballoteerd lid te maken.

Heilig vuur
Ondanks al zijn inzet is Peter Giele er niet in geslaagd van Arti weer een echt kunstenaarsinitiatief te maken, waar de verbeelding aan de macht kon komen. Daarvoor zijn de tradities van een meer dan honderdenvijftig jaar oud instituut te taai. Zoiets is alleen mogelijk te realiseren onder het bewind van een verlicht dictator, maar niet bij democratische besluitvorming. Dergelijke initiatieven kunnen alleen worden genomen op eigen verantwoordelijkheid.
Peter Giele was op zijn best als vrije jongen, die op zijn eigen houtje zijn dromen weet te realiseren. Binnen Arti was hij een frisse wind, die het stof een poosje opblies, dat daarna weer kon neer dwarrelen. Toch is juist een kunstenaarsvereniging die vitaal wil blijven gediend met initiatieven als van Peter Giele. Hij had in elk geval het heilige vuur. Zijn devies ‘ab igne ignem capere’ kan nog steeds ter harte genomen worden.

Franck Gribling

‘Verzamelde Werken’ Peter L.M. Giele,
Uitgeverij Aksant ISBN 90 5260 1119

< back