kunstenaar & initiatief 2004/6
Tijdelijk duurt het langst

‘Aan Zijne Doorluchtigheid Gian Francesco, vorst van Mantua,
Deze boeken over de schilderkunst heb ik u, doorluchtige vorst, ten geschenke willen geven omdat ik begreep dat u in de hoogste mate genoegen schept in deze vrije kunsten, waaraan ik met al mijn geestkracht en ijver een hoeveelheid licht en kennis heb willen bijdragen, zoals u uit de boeken zelf zult begrijpen als u er tijd voor vindt om ze te lezen. ....Mijn zedelijke eigenschappen, mijn huidige kennis - voorzover daar sprake van is - en mijn hele leven zult u het beste leren kennen als u mij werk zou geven waardoor ik, wat mijn begeren zou vervullen, in uw nabijheid kan verkeren. ….’ Dit schreef Leon Battista Alberti, de humanist, schilder en architect (1404-1472) in 1435 Florence als voorwoord in zijn boek (of beter relatiegeschenk) ‘Over de schilderkunst’.

Uit dit citaat spreekt een sterke afhankelijkheid. Echter die staat volkomen los van de radicale inhoud. Alberti beschrijft in 1435 met een wetenschappelijke precisie de beeldgrammatica van de schilderkunst voor de verdere vierhonderenvijftig jaar. De werking van lijnperspectief wordt meetkundig onderbouwd en aangevuld met de werking van licht en kleur en de compositorische gevolgen hiervan, met als bedoeling het systeem bloot te leggen van de perfecte illusie van ruimte op het platte vlak. Ik denk dat de vorst hier niets van begrepen heeft, maar echter zijn vakgenoten wel.
Hij schreef het boekje, als een briljante onafhankelijke onderzoeker, enkel voor een selecte groep geniale kunstenaars zoals zijn vrienden Brunelleschi, Donatello, Massaccio en Ghiberti. Op het fresco in Brancacci kapel staan zij, niet allemaal, ook weer naast elkaar geportretteerd in het deel wat Filippo Lippi schilderde. Ook Filippo Lippi schreef nederige brieven naar zijn opdrachtgever, zoals hier aan Giovanni di Cosimo de Medici: ‘Ik heb aan het schilderij gedaan wat U mij zei en ik heb gewetensvol aan elk onderdeel gewerkt.... en om U op de hoogte te houden, stuur ik U een tekening van de manier waarop het drieluik van hout is gemaakt…. Uit vriendschap voor U wil ik hiervoor niet meer dan de arbeidskosten van 100 florijnen rekenen: meer vraag ik niet. Ik smeek U mij te antwoorden want ik kwijn hier weg en wil uit Florence weg zodra ik klaar ben. Als ik mij te veel aangematigd met mijn schrijven aan U, vergeef mij dan. Ik zal altijd en in alle opzichten aan Uw wensen, groot of klein, voldoen.’ (20 juli 1457). Ook strookt bij Lippi deze brief niet met de wijze waarop hij schilderde: radicaal en nieuw.
Vormden deze vriendengroep vanuit een gemeenschappelijke mentaliteit samen een onafhankelijk kunstenaarscollectief met als strategie smeekbrieven naar de opdrachtgever?
Duidelijk hebben zij op een voortreffelijke wijze in een korte tijd een enorme hoeveelheid opdrachten uitgevoerd, soms in samenwerking, maar vaker in onderlinge wedijver.
De beeldtaal (gebaseerd op de illusie van de perfecte weergave van de drie dimensionale wereld) van de Renaissance oogt nu vertrouwd, maar moet toen als geheel nieuw zijn ervaren. Het is ook verleidelijk om te denken dat het revolutionaire nieuwe in het beeld ook gepaard gaat met een gezamenlijk nieuwere en onafhankelijkere mentaliteit bij de makers.

Vanaf de oudheid hebben kunstenaars samen gewerkt, netwerkverbanden georganiseerd en zich gezamenlijk ingespannen om de vakkennis uit te bouwen. Het organiseren van tentoonstellingen was niet nodig: immers er werd niets gemaakt zonder een opdracht vooraf. En de plek waar het tentoongesteld werd was ook al een gegeven: in de kerk of in het paleis. De afhankelijkheidsrelatie met opdrachtgever bleef ook in de Renaissance onveranderd: de opdrachtgever was initiatiefnemer en geldverstrekker.
Het is daarom ook aan te nemen dat het nieuwe beeld ook vereist werd door diezelfde opdrachtgever. Cosimo di Medici (en de latere familie ook) wilde van Florence het nieuwe Rome maken.
De herontdekking van de Klassieke cultuur werd vooral bij de Medici ingegeven door het verlangen om een nieuw duizendjarig rijk te maken met Florence als middelpunt.
Duidelijk is dat het overweldigende, het harmonische, het intellectuele, het illusionistische en het onverwoestbare van de Klassieken model stond voor de machtige opdrachtgevers en dat het niet mocht lijken op de zo bekende middeleeuwse schema’s. Dat de kunstenaars zelf ook hierop uitgekeken waren kwam goed uit. De nieuwe beeldtaal geconcretiseerd in de vele grandioze fresco’s, beelden en gebouwen vervulde in feite het politieke verlangen naar eeuwige macht, dat geïllustreerd moest worden door een nieuw Rome. Daarvoor waren onverslijtbare beelden nodig met het zelfde overweldigende, eeuwige karakter en het geluk was dat de genieën dit ook konden. Opdrachtgevers en kunstenaars konden zich verenigen in het verlangen naar de perfecte weergave van een geïdealiseerde eeuwigdurende wereld.
Even leek het erop dat Alberti en vrienden doorgingen voor een onafhankelijk kunstenaarsinitiatief, maar bij nader inzien is dit toch een te romantische beleving van de werkelijkheid.

Op dit moment spreekt het Kunstenaarsini-tiatief het meest tot de verbeelding. Het lijkt alsof nog enkel daar op zelfstandige basis geëxperimenteerd kan worden met de kunst en het kunstenaarsschap. De illusie leeft dat de creativiteit enigszins afgezonderd van de allesoverheersende structuur van de samenleving zich daar zuiverder kan manifesteren.
De relatie tussen de kunstenaar en de buitenwereld is niet een vaststaand gegeven, maar wordt telkens zelfbewust op basis van eigen initiatief onderzocht.
Definities ontbreken maar het gaat in ieder geval om een vrijwillig op eigen initiatief ontstaan werkverband van kunstenaars. (En dus niet door de gemeente gecreëerde broedplaatsen). De tijdelijke locatie van waaruit zij werken is veelal aan de onbestemde rand van de stad of op plekken waar een bepaalde bestemming ophoudt en de nieuwe nog niet begint. (Bijvoorbeeld: oude fabrieken waar weldra de projectontwikkelaar zijn zegeningen gaat uitstrooien in de vorm van luxe woon-werk lofts). De werkverbanden zijn niet op vakdiscipline gericht, zoals bij de gilden in het verleden of bij de huidige aquarelgenootschappen. Zij zijn ook niet gebaseerd op specifieke kunstbeschouwelijke concepten, zoals de vele avant-garde bewegingen uit de vorige eeuw deden. Dus bij de initiatieven vind je geen manifesten gepaard met zware discussies waarin afgedane stromingen op de mestvaalt van de kunstgeschiedenis gestort worden.Je treft er geen museale tentoonstellingen aan, keurig begeleid door een strenge intellectueel en dito teksten. Er zijn geen opdrachtgevers of theoretici die de kwaliteit bewaken of thematische keuzes maken. De kunstenaars regisseren alles zelf.
De tijdelijkheid van de plek en de situatie en de dynamiek van het werkverband zelf vormen de context. Sterker nog: een vaste presentatievorm lijkt te ontbreken.Waarschijnlijk vind je over vierhondervijftig jaar geen drommen toeristen die met stomheid geslagen zijn bij het zien van zoveel radicale schoonheid. Er rest hooguit wat rommelig documentatiemateriaal en wat krantenartikelen met lyrische beschrijvingen. Na de presentatie is het werk weg. Heikel punt blijft de onvermijdelijke subsidie-aanvraag. Immers dat lijkt niet te stroken met het karakter van het kunstenaarsinitiatief. Maar deze discussie gaat dan enkel over de mate van consequent zijn en dat is niet zo interessant.

De kenmerkende tijdelijkheid en daarbij dus het ontbreken van blijvende kunstwerken is
meer in het oogspringend. Enkel in de vorm van een herinnering aan de ervaring bij de maker en bezoeker blijft het werk bestaan, en dat is kort. Het concrete kunstwerk in vaste vorm met de potentie om eeuwig te blijven ontroeren is geen uitgangspunt meer. Het zat er al decennialang aan te komen: het immateriële van de ervaring heeft de vaste vorm opgelost. Dat heeft in eerste instantie consequenties voor het kunstwerk zelf. Het is niet nodig om aandacht te besteden aan materiële houdbaarheid, maar ook is het niet nodig om te zoeken naar de uiterste materiele weerslag van een inspiratie. Brunelleschi zou de Dom van Florence niet van zulke uitzonderlijke kwaliteiten voorzien hebben wanneer hij had geweten dat het slechts voor vier weken was. Het concentreren op de fysieke verschijningsvorm van verf, kleur, compositie en vorm of het vermogen om bijzonder lang aan iets geconcentreerd te werken is overbodig geworden. Ook de ideale condities van het scheppen van een contemplatieve tentoonstellingsruimte waarin dit soort werken het beste functioneren is niet meer nodig. De wijze van openbaar maken wordt sterk op de ervaring zelf gericht en daarin ligt de grootste inspanning. Het concrete kunstwerk speelt daarin een ondergeschikte rol.

Die tijdelijkheid zelf is niet alleen voorbehouden aan het kunstenaarsinitiatief. Eigenlijk vanaf het begin van de vorige eeuw werd het unieke kunstwerk met zijn ‘eeuwigdurende schoonheid’ gerelativeerd en steeds vaker teniet gedaan en het lijkt erop dat die ambitie in het geheel bij kunstenaars is uitgestorven.
De relativering van het unieke en het absolute is niet alleen artistiek maar ook politiek, economisch en stedenbouwkundig zichtbaar. Bush en Poetin, hoe verlust op macht zij ook zijn, zullen zich niet meer vergrijpen aan het ideaal van de Eeuwige stad.
De beide wereldoorlogen hebben ervoor gezorgd dat bouwen voor de eeuwigheid niet meer nodig is. Vandaar dat elk pretentieus bankgebouw op de Zuidas een maximale houdbaarheidsdatum heeft van 40 jaar.
De lijmconstructies van de prefab betonplaten met de marmeren plaktegels laten niet veel langer toe. Het hier en nu, de ervaring, het moment zelf is van groot belang en dat geldt niet alleen voor de media. Een project met een bouwtijd van 75 jaar is nu niet meer denkbaar. Ten opzichte van de Renaissance zijn we qua duurzaamheid teruggekeerd naar de middeleeuwen. Net zoals bij Alberti en vrienden blijkt het idee van de onafhankelijk werkende kunstenaar slechts een romantisch idee. Het kunstenaarsinitiatief past goed, net zoals bij Alberti toen, in een algemeen maatschappelijk fenomeen.
De initiatieven werken in dit opzicht niet anders dan een gemiddeld reclamebureau, politieke partij of televisiestation: het leveren van een kortdurende ervaring. Het zou pas echt vreemd zijn als een groep kunstenaars aan de rand van de Bijlmer zelfstandig begonnen te bouwen aan een nieuw Rome en daar hondervijftig jaar voor uit zouden trekken. Echter dat kan niet meer, immers tijdelijk is al lang genoeg.

Frank Lisser

Citaten afkomstig uit: Alberti ‘Over de schilderkuns’1435 Boom uitgeverij 1996
Baxandall ‘Schilderkunst en leefwereld in het quatrrocento’ 1972/ Sun 1986

< back