kunstenaar & initiatief 2004/6
Underground goes Streetwise
Over ARTWALK Amsterdam en urban curating

ARTWALK is een kunstenaarsinitiatief dat is gevestigd in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam. Stichting ARTWALK beheert zeventien etalages die verspreid zijn door de buurt. In deze etalages wordt kunst getoond. Tot zover niets bijzonders. Etalageprojecten kwamen al eerder voor, denk aan de HEMA Kijkkasten in Amsterdam die onder auspiciën van Albert Blitz worden gevuld. De intentie van ARTWALK reikt echter verder en overschrijdt de grenzen van zomaar een kunstroute in een woonwijk. Dat is te danken aan de programmering van Holger Nickisch. Hij spreekt in het kader van ARTWALK over urban curating, een relatief nieuw begrip, waarmee een alternatieve en actuele vorm van het maken van tentoonstellingen wordt aangeduid..

Mijn invalshoek voor dit artikel wordt medebepaald door een persoonlijke ervaring. In de zomer van 2003 werd ik door ARTWALK uitgenodigd om als gastcurator op te treden. Dit resulteerde in een groot project: To Avoid the Void, waarin een etalage-expositie werd gekoppeld aan een project in de openbare ruimte van Federico d’Orazio. Door deze ervaring ben ik in de ban geraakt van de mogelijkheden, die het maken van een expositie in een woonwijk te bieden heeft. De buurt biedt een fantastisch decor voor beeldende kunst en meer. De straat is een levende bühne, waar de voorbijganger niet alleen toeschouwer, maar ook medespeler kan zijn. Kunst op straat, voor iedereen zichtbaar, en je hebt niet eens suppoosten nodig! Maar het samenspel in de openbaarheid leidt ook tot merkwaardige confrontaties. Dat had ik in mijn enthousiasme niet voorzien. Daarom wil ik hier over een aantal consequenties van het begrip urban curating nadenken. Het gaat daarbij zowel om de potentie van deze manier van het tonen van kunst, als om de risico’s die de gang in de richting van de publieke ruimte voor kunst en kunstenaars met zich meebrengt.

ARTWALK Amsterdam, prelude
De Staatsliedenbuurt is een buurt met een roerig verleden en een rijkgeschakeerde populatie, oud krakersbuurt, lange tijd goedkoop om te wonen en verwaarloosd. De buurt was toe aan een opknapbeurt. Het is navolgbaar dat de renovatie van de infrastructuur werd gekoppeld aan een poging om de sociale structuur te renoveren. Dit politiek economische ‘masterplan’ komt tot uitdrukking in kleine initiatieven. Om het straatbeeld te verlevendigen, ontstond het idee om in sommige huizen etalages in te bouwen, simpel. En zo dankt ARTWALK haar ontstaan aan een sociaal politiek initiatief met als deelnemers de stadsdeelraad, beleidsmedewerkers en diverse woningcorporaties. Het resultaat is een parcours van etalages van wisselende grootte, dat slingerend door de wijk loopt. Het lag voor de hand om in deze etalages kunst te tonen. Zodoende werd nu drie jaar geleden de beeldend kunstenaar Holger Nickisch aangetrokken voor de programmering. Samen met organisator en buurtwerker Jack van Lieshout heeft hij ARTWALK vormgegeven.

Het streven van Nickisch wordt van aanvang af bepaald door de wens om samen te werken met nationaal en internationaal opererende kunstenaars en na een aantal tentoonstellingen introduceert hij het begrip urban curatring. ‘Urban Curating staat voor een nieuwe manier van denken over beeldende kunst. Een kunst praktijk waarin (inter)nationale communicatie, plaatsgerichte sociale interactie, stadsplanning en architectuur een nieuwe verhouding aangaan. Het gaat over kunst in woonwijken, kunst op straat, waarbij de beeldende kunst in een samenspel met buurtbewoners steeds opnieuw wordt gedefinieerd’. Het is een ambitieuze formulering, waarin zowel uitspraken worden gedaan over de beeldende kunst, als over mogelijke maatschappelijke ontwikkelingen. Het is een uitspraak die de activiteiten en exposities van ARTWALK tot een experiment maakt en waarmee aansluiting wordt gezocht bij recente ontwikkelingen binnen de beeldende kunst.

ARTWALK koppelt de etalage-exposities, die vaak door gastcuratoren worden ingevuld, aan diverse activiteiten. Al naar gelang het onderwerp van de expositie en de aard van het kunstwerk wordt een performance gedaan, worden posteracties gehouden, folders verspreid en stukken gepubliceerd. Er wordt gebruik gemaakt van - en een beroep gedaan op de buurt. Daarnaast worden werken in de openbare ruimte gemaakt. Het experiment van ARTWALK is dus een smeltkroes van ideeën. Doet het een beroep op de conventionele opvatting van beeldende kunst, dan functioneren de etalages als kijkkasten en mini-galerieën. Soms wordt een vorm van sociale mimicry gehanteerd; een artistieke infiltratiemethode waarbij de vorm van het kunstwerk en de sociale processen die het oproept en beschrijft niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. In andere gevallen vindt een beweging in de richting van de openbare ruimte plaats, waarbij de straat en de buurt als het ware deel uit maken van een mondiaal forum en de kunstwerken in relatie staan tot de beelden in andere openbare media.

Global / Local: een mondiaal forum in de wijk
Dat Holger Nickisch over urban curating spreekt is terecht. Een tentoonstelling maken in een woonbuurt biedt mogelijkheden, die aansluiten op het denken over urbanisatieprocessen, dat merk je wanneer je focust op de manier waarop bij exposities op locatie betekenissen worden gegenereerd. ARTWALK functioneert op diverse niveaus. Er is een niveau waarbij de buurt als context fungeert. Op een ander niveau werkt ARTWALK als nationaal en internationaal kunstforum. Tenslotte werkt ARTWALK temidden van de buurt, waarbij de straat een levende bühne vormt en de buurtbewoners soms toeschouwers, soms deelnemers zijn. De verschillende niveaus leveren een gezamenlijke bijdrage aan de betekenissen van de werken, al naar gelang het de tentoonstellingsmaker en de kunstenaar lukt om ze te verbinden. ARTWALK levert een concrete bijdrage aan de Global/Local discussie, waarin de verhouding van mondiale processen en locale structuren en identiteiten aan de orde komt. Het initiatief borduurt voort op initiatieven en tentoonstellingsconcepten die in de jaren 80 toonaangevend waren, van Chambre d’Amis (1986) tot de Dokumenta van Catherine David en Okwui Enwezor, maar de experimenten krijgen een nieuwe dimensie door de langdurige aanwezigheid in de buurt en de structurele verwevenheid met locale instituties.

De expositie Nut en Genoegen (2002) van Holger Nickisch over de natuur in een stedelijke omgeving kan als voorbeeld dienen. De titel verwijst naar een verderop gelegen volkstuinencomplex. Zeven kunstenaars vulden de etalages, waaronder Hermelinde Hergenhan, die in het donker vanuit een raam een film op de stoeptegels projecteerde: beelden van spelende kinderen die zij overdag vanuit dezelfde positie had opgenomen. Holger Nickisch plantte eetbare kruiden in de geveltuinen. Op lokaal niveau draagt de buurt en haar geschiedenis dus bij aan de betekenissen van de kunstwerken, wat nog extra wordt benadrukt door de titel. Als dezelfde expositie in het museum te zien was geweest, had je een aantal referenties gemist. Het mondiale verband ontstaat vanzelfsprekend door deelname van nationaal en internationaal bekende kunstenaars en door aansluiting bij de forums van de kunstwereld; de teksten en beelden die zij produceren. De aansluiting bij een mondiaal niveau krijgt echter een extra dimensie door de toepassing van technieken en communicatiesystemen, die aan openbare media (aan de buitenreclames) ontleend zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor To Avoid the Void een werk in de openbare ruimte van Federico d’Orazio Het werk in de openbare ruimte van Federico d’Orazio, een installatie van drie billboards waarvan er twee aan de kopgevels van een bouwplaats in de buurt zijn gehangen. De foto’s van 6 bij 9 meter tonen kinderen uit Bangkok en brengen een onbekende realiteit, heel dicht bij de mensen in de buurt. Het geldt in meer bescheiden vorm ook voor Wouter van Riessen, wiens werk in het kader van een expositie werd uitgevoerd in het plakplastic dat vele winkelruiten siert.En voor de expositie For Sale van Stefan Strauss. Deze expositie deed, door vele referenties aan hedendaagse verkooptechnieken en reclames, een sterk beroep op een wereldwijd beeld- en communicatiesysteem. Ook deze werken zouden in het museum referenties ontberen.

Het is overigens geen toeval dat bij deze manier van het maken van tentoonstellingen opvallend vaak gebruik wordt gemaakt van methoden en beeldmiddelen, die ontleend zijn aan marketing en reclame. Deze branche bestaat omwille van het doorgeven van boodschappen aan diverse groepen, waarbij zowel de horizontale globale relaties als de verticale locale relaties in acht worden genomen.
Underground goes Streetwise
Tot zover het enthousiaste gedeelte. Het is fantastisch hoe de betekenissen die aan kunstwerken kunnen worden toegekend, vermeerderen. En de beeldende kunst heeft veel redenen om aan deze ontwikkelingen deel te nemen, de kunst wordt levend, krijgt een plaats te midden van degenen aan wie zij toebehoort: de mensen. En vrijwel iedereen die deelneemt, is overtuigd van de goede bedoelingen. Maar met het werk van Federico d’Orazio kom ik plots in het spervuur te staan. De foto’s tonen kinderen in Bangkok, die speelgoedgeweren in hun handen hebben. De boodschap is duidelijk: het geweld zit niet in de kinderen met hun geweren, geweld zit in de samenleving zelf. Maar een aantal mensen komt in verzet, ongetwijfeld met het Terra College geweld en andere geweldsincidenten op scholen in hun achterhoofd. En in mijn verweer heb ik maar één tegenargument: wat hier hangt is goede beeldende kunst. Er is maar één vorm van bescherming, de besluitvormingsprocessen ten aanzien van de openbare ruimte, zoals ze op dit moment in Nederland geformuleerd zijn. Ruzies over werken in de openbare ruimte komen vaker voor. En toch voel ik me ongemakkelijk, want ook ik had bij het maken van de tentoonstelling ‘het goede’ voor ogen.
Misschien kunnen mijn ongemakkelijke gevoelens als een vorm van naïviteit worden opgevat, maar als dit zo is sta ik niet alleen. De naïviteit ligt in het begrip urban curating zelf besloten, en met name in het te midden van, wat een theoretische notie is met een politieke dimensie. Het te midden van is een paradoxaal begrip dat enerzijds aan onzichtbaar en ongrijpbaar refereert en tegelijkertijd een optimaal bereik (wereldwijd) en een optimale invloed (lokaal) nastreeft. Ook de verschijningsvormen van de aan deze idee gelieerde beeldende kunst geven uitdrukking aan de gespletenheid. Aan de ene kant staat de ‘sociale mimicry’ met als kenmerk een optimale onzichtbaarheid. Kunst in de openbare ruimte, optimaal zichtbaar voor iedereen, staat aan de andere kant. Het zijn beiden loten van dezelfde stam, exponenten van een nieuwe opvatting van de publieke ruimte, waarbij niet meer uitsluitend over infrastructuur en architectuur wordt gesproken, maar waar ook de sociale processen bij betrokken zijn. Urban curating is meer dan het maken van een expositie op straat, het is een ethisch experiment, dat nauwlettend moet worden gevolgd, omdat het in relatie staat tot een sociaal maatschappelijke ontwikkeling die de positie van de beeldende kunst zal bepalen.
Wanneer je het initiatief van ARTWALK in een breder verband plaatst, is het exemplarisch voor een verschuiving in de beeldende kunst, waarbij allerlei instituten de traditionele, geïnstitutionaliseerde grenzen van de expositieruimten overschrijden. ARTWALK, musea, kunstenaars, theoretici en kunstenaarsinitiatieven; zij bewegen zich op hetzelfde spoor. S.K.O.R. richt zich op de theorievorming met betrekking tot experimenten in de publieke ruimte, het Amsterdams Fonds voor de Kunsten (AFK) balanceert op de grens tussen stadsplanning en sociale renovatie. Voorheen de Gemeente, een kunstenaarsinitiatief uit Leeuwarden, koos voor een naam die op ironische wijze het politieke en sociale te midden van weerspiegelt. Het initiatief heeft geen eigen expositieruimte, maar organiseert activiteiten op diverse locaties. Dit initiatief wist, saillant detail, in 2003 de meeste subsidiegelden te verwerven. Kortom kunst en kunstenaar gaan van beschut en besloten naar publiek en openbaar, van underground naar streetwise en met deze manoeuvre wordt de periferie verlaten. Dit gebeurt letterlijk, denk aan Amsterdam, waar mede door toenemende urbanisatie de rand van de stad verschuift en vele vrijplaatsen verdwijnen én figuurlijk. Het te midden van is immers een begrip dat de splinters bevat van het filosofische en maatschappelijke voorbehoud, dat inmiddels ten aanzien van de individuele vrijheid en de vrijplaats wordt gemaakt.

De poëzie van het temidden van: een romantische notie
De ontstaansgeschiedenis van ARTWALK geeft aan dat het bij de verschuiving van de periferie naar het te midden van om een ontwikkeling gaat die vanuit verschillende richtingen in één punt samenkomt. Er is sprake van een maatschappelijk economische ontwikkeling, waarbij de grenzen van de private en de publieke domeinen verschuiven. En ook in theorie verschuiven de begrippen. Mede door de politieke dimensie van het te midden van komen ook beleidsmakers en politici, kunstenaars en curatoren te samen. Zijn doen het inmiddels allemaal te midden van. Maar zij bedoelen steeds iets anders. Voor de kunstenaar klinkt het te midden van poëtisch. Het heeft de kenmerken van infiltratie, onzichtbaar worden en ongrijpbaar zijn. Het refereert aan het tijdelijke in plaats van het monumentale en het eeuwige. Het refereert aan betekenis in plaats van materie, aan deelname in plaats van uitsluiting. Het heeft niet zelden dezelfde heroïsche lading, die het begrip perifeer in eerdere decennia had. Voor de beleidsmakers en de bedrijven daarentegen is het te midden van, zo niet prozaïsch, als in het bespelen van het electoraat respectievelijk het bereiken van potentiële klanten, dan wel een poging om de sociale processen te beheersen of te sturen. Kortom, waar de beeldende kunst het te midden van als een kritisch moment ervaart, een mogelijkheid om vrij tussen bestaande systemen door te bewegen, zien de andere partijen het te midden van als een instrument om sociale ontwikkelingen te beïnvloeden.

Deze discrepantie is niet ongebruikelijk. Het is de klassieke discrepantie waar de beeldende kunst vaak mee te maken heeft. Het is alleen merkwaardig dat de beeldende kunst met deze formulering haar bestaande legitimatie lijkt op te geven. In een merkwaardige combinatie van zelfoverschatting (het gegeven dat zij bestaat, ook als zij onzichtbaar is) en minderwaardigheidsgevoelens (het feit dat het materiële kunstwerk er niet meer toe doet) gaat het kunstwerk verloren. Bij nadere beschouwing heeft het te midden van kenmerken van de persoonlijkheidsstructuur, die de psychoanalytica Alice Miller beschrijft in haar boek ‘het drama van het begaafde kind’, waarin, meestal zeer intelligente patiënten, op volwassen leeftijd lijden aan een persoonlijkheidstructuur, waarin zelfontkenning en zelfoverschatting elkaar afwisselen. Deze structuur, terug te voeren op een jeugd waarin het kind uitsluitend aan de verwachtingen van de ouders tegemoet komt, heeft de patiënt geen kern, geen persoonlijkheid, omdat hij nooit aan zijn eigen behoeften is toegekomen. Een dergelijk hiaat, het gebrek aan een eigen persoonlijkheid en identiteit, gebrek aan legitimatie, kleeft aan het te midden van.

De idee van het te midden van kan alleen functioneren, wanneer het om een romantische notie gaat, als de periferie niet wordt opgeheven, maar verplaatst. Het is tegenstrijdig dat de theorie van het te midden van wel degelijk suggereert, dat de romantische kern verdwijnt en de kunst in de samenleving wordt opgenomen. Het te midden van creëert ook een praktisch probleem: de beeldende kunst zelf kan uit de aard der zaak nooit onzichtbaar zijn. Ze kan tijdelijk zijn, conceptueel, klein en groot, maar niet onzichtbaar. Van underground naar streetwise, van besloten naar openbaar betekent in alle gevallen een beweging van beschut en gelegitimeerd, naar onbeschut en onbeschermd, overgeleverd aan de regels van de straat, daar waar het recht van de sterksten geldt. Als de publieke ruimte in al haar facetten werkelijk het nieuwe forum van de beeldende kunsten is, is het noodzakelijk voor kunstenaars en kunstinstellingen om zich sterk te maken en op intelligente wijze te legitimeren. Dit is wellicht niet noodzakelijk om de persoonlijke integriteit en de noodzakelijke brutaliteit van de kunstenaar te waarborgen en te legitimeren, maar vooral om de beeldende kunst als instituut, dat beelden en afbeeldingen levert, die een contrast vormen met die van andere openbare beeldmedia, te beschermen.

Epiloog
Omdat ook de omgekeerde beweging zich voordoet, omdat de kunstenaar ook de mogelijkheid heeft om de discussie tot onderwerp van de beeldende kunst te maken, voeg ik een tweede ervaring toe. Tijdens de opbouw van To Avoid the Void bezocht ik Tariq Alvi in de Veemvloer waar hij en Keiko Sato aan het werk waren in het kader van een experimenteel project. Een aantal keer achter elkaar werden steeds twee kunstenaars uitgenodigd om drie maanden lang in de beslotenheid van het instituut te werken. Het stond de kunstenaar vrij, of hij of zij het resultaat publiek zou maken: twee kunstenaars in een duikersklok van alle sociale processen en de buitenwereld geïsoleerd, om de aandacht op het creatieve proces te richten. Keiko een Tariq hadden een salon voor bezoekers ingericht. Tariq Alvi was bezig aan wat ontgetwijfeld een expressief meesterwerk zou zijn geworden. Keiko Sato had een collage gemaakt. De beslotenheid van beider salon was heerlijk, in tegenstelling tot de regen en kou die mij bij ARTWALK te wachten stond. Na een aantal dagen kwam ik terug. Het expressieve werk van Tariq was onveranderd. Plotseling had hij besloten, dat de afronding van het project moest bestaan uit een filmscherm dat aan de straatkant van het gebouw bevestigd werd. Op het scherm werden beelden geprojecteerd van wat zich binnen afspeelde.

Saskia Monshouwer

< back