Intensieve projecten, dat is het karakter van De Veemvloer
Bij het afscheid van Irene Postma
Zeg Veemvloer en je hebt het over Irene Postma. Zij is de afgelopen tien jaar verantwoordelijk geweest voor het beeldende kunstprogramma. De Veemvloer vormt samen met het Veemtheater de publieke ruimte van het Veemgebouw, een pand met de degelijkheid van een kasteel dat coöperatief eigendom is van kunstenaars, ambachtslieden, architecten en aanverwante roepingen. Anders dan alle overige panden die ooit zijn gekraakt, is het Veem nooit volgestroomd met jongeren uit de provincie of uit het buitenland. Het bezetten van de ruimte was een Amsterdams initiatief. Men kende elkaar van school. Voor sloop bestemd, bood het gebouw in de jaren tachtig volop tijdelijke werkruimte, die een permanente status kreeg toen de gemeente besloot het pand aan de gebruikers voor een gulden te verkopen.
Vanaf het begin heeft een vier man sterke toelatingscommissie bepaald wie aan het gebouw een bijdrage mocht leveren en volgens op de vloer afgetekende krijtstrepen zijn muren mocht optrekken op een van de immense verdiepingen. Er was een zee van ruimte en aanvankelijk duurde het soms wel even voor het L-vormig grondplan tot een werkruimte was getransformeerd. Elk atelier krijgt iets mee van de solide, karakteristieke baksteenbouw, maar de werkruimten gelegen aan het IJ hebben helemaal een feeërieke kwaliteit. Voor een aantal mensen, waaronder Irene Postma, stond het van meet af aan vast dat er binnen zon gebouw publieke activiteiten horen plaats te vinden. Het is een standpunt dat bewondering afdwingt en energie vereist. Bij het Tetterodegebouw bijvoorbeeld is het anders verlopen. Daar vonden tentoonstellingen en concerten plaats tot het moment waarop de gebruikers een gunstige deal met een woningbouwvereniging sloten - daarop sloot het kunstenaarsinitiatief zich vervolgens als een oester.
Coördinator
Tien jaar lang heeft Irene Postma de projecten in de Veemvloer gecoördineerd. Nu is het wel mooi geweest, vindt ze. Ze heeft er alles uitgehaald wat er in zat. Steeds werd vanuit het niets een omvangrijke onderneming opgezet. In hoog tempo raakte dat altijd zozeer in een stroomversnelling, dat ze er na afloop helemaal knock-out van was. Er was geen tijd om te evalueren. Vaak kon ze er een jaar lang nauwelijks over praten, zo zeer deed het, zo intens was de samenwerking geweest. Het programma van De Veemvloer heeft altijd uit losse projecten bestaan die vaak door anderen werden aangezwengeld en soms wel een jaar duurden.
Onvergetelijk was tien jaar geleden Uw Gastheer M/V, bedacht en geprogrammeerd door Babette Welter. Iedere donderdagavond trad een andere kunstenaar voor het voetlicht en een fascinerende reeks performances, theatrale voorstellingen, dialezingen passeerden de revue, waarbij de lokatie aan het water de meest romantische en uiteenlopende beelden genereerde. Quirijn Küchlein kwam langzaam over het IJ aanroeien, Theo Schepens verdween na een performance door het openstaande raam in de nacht. Robin Winters, Caroline Scholtes, Harry Heyink, ieder betrok er weer andere kunstenaars bij. In dat stadium was Irene nog voornamelijk assistent en ook al duurde het niet lang of ze zat in het bestuur van de Vereninging van Kunstenaarsinitiatieven, de beeldende kunst was aanvankelijk voor haar een tamelijk onbekend terrein. Ze had in Amsterdam en Engeland een ambachtelijke opleiding tot meubelmaker gevolgd en beschikt over de meest brede culturele bagage die je je maar voor kunt stellen. Haar leven liep gelijk op met de roemruchte sociaalculturele geschiedenis van naoorlogs Amsterdam. Geboren in 1958 wist ze de Nieuwmarktrellen om de hoek en voelde in de Oudemanhuispoort, waar ze naast woonde, de vloedgolven van studenten die uitweken voor de politie in de tijd van de Maagd-enhuisbezetting. Ze zag de musical Hair door onder het tentdoek op het Stadionplein door te piepen, ging met school naar het Werk-theater dat speelde in een tent op het Museumplein, groef naar pijpekoppen voordat de Nederlandse Bank werd opgetrokken, ging naar Mickery, het Shaffytheater, het Festival of Fools, zag de films van Fassbinder en Herzog in het Goethe Instituut, bezocht de zaterdagmiddagconcerten in het Stedelijk Museum en deelde mee in de grote opwinding over wat het Holland Festival elk jaar aan verrassende voorstellingen bracht. Die opwinding, stelt ze spijtig vast, is uit de stad verdwenen. Alles is heel introvert geworden.
Discours
Zelf heeft ze er alles aan gegeven om in de Veemvloer te zorgen voor projecten van een grote intensiteit. Het is niet altijd gelukt om deze goed voor het voetlicht te brengen en een groter publiek aan te spreken. Dat is een probleem waar alle kunstenaarinitiatieven mee kampen, maar waarvan het ook in gezamenlijkheid niet is gelukt om het op te lossen. Zo raakt de betekenis van de activiteiten vooral de betrokken kunstenaars, terwijl het in veel gevallen de moeite waard zou zijn om ze bijvoorbeeld met behulp van een actief museum bij een breder publiek onder de aandacht te brengen. Gezien het grote belang van de talrijke kunstenaarsinitiatieven voor het Nederlandse kunstklimaat is het jammer dat door uitblijvende publieke aandacht de Nederlandse kunst ook grotendeels buiten het hedendaags discours blijft.
Door de jaren heen hebben uiteenlopende kunstenaars in de Veemvloer laboratorium-achtige situaties geschapen waarbinnen dan weer anderen werden uitgenodigd om een deelproject te doen of om er een gevolg voor te bedenken. Harold Schouten lanceerde een aantal jaren geleden een discussie over mobiliteit en openbaarheid door de bouw van een enorme tunnel in de Veemvloer.
Een jaar lang hebben kunstenaars daar hun eigen hoofdstuk aan toegevoegd. Voor het laatste grote project, La Cinca, zocht Postma samenwerking met geïnstitutionaliseerde plekken. In de zomer van 2003 is een deel van dit samenwerkingsproject getoond in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, waar dit jaar ook het onderdeel dat voor La Cinca door L.A. Raeven is ontwikkeld, The Siblings, werd gepresenteerd. Het is een ideaal voorbeeld van samenwerking tussen de plek waar een kunstwerk kan ontstaan en de plek waar het zijn publiek vindt.
La Cinca is bedacht door kunstenaar Miklós Beyer en ontwikkeld in samenwerking met ontwerper Thomas Buxó. Uitgangspunt is de associatieve opbouw van een beeldverhaal, een scenario dat bestaat uit uiteenlopende vormen van tekst en beeld. Beyer en Buxó hebben er tal van anderen bij betrokken: Pascale Gatzen, Nira Zait, Tariq Alvi, Keiko Sato onder meer, die soms hun zeer persoonlijke materiaal, zoals relaties met vrienden of een familiegeschiedenis, tot inzet maakten van hun bijdrage. Vanzelfsprekend valt zoiets plaatsgebondens als de intrigerende entree die Hendrik-Jan Hunneman ontwierp voor de hal van de Veemvloer, om er de perceptie van de tentoonstellingsvloer een theatrale draai mee te geven, niet te verplaatsen. Mensen die wel de moeite nemen om een kunstenaarsinitiatief te bezoeken, hebben nu eenmaal een ervaringsvoorsprong op bezoekers van reguliere plekken. Toch laat het project zich op onderdelen goed documenteren, vooral waar het de kleine mini-advertenties betreft die makkelijk aan ieders aandacht ontsnappen.
Naast een website zal dan ook een boek verschijnen, dat vanzelfsprekend niet echt een verslag, maar een kunstwerk op zichzelf zal zijn.
Grens bereikt
Zoals Bureau Amsterdam is ingesprongen op de Veemvloer, zo zou ook het stadsdeel Westerpark zich een meedenkende partner hebben kunnen betonen. Het is de vraag of de Veemvloer zal blijven voortbestaan wanneer Irene Postma ermee stopt. Je ziet alom in de kunstenaarsinitiatieven de generatie verdwijnen die zich door enthousiasme liet leiden. De tijd van de dienstbare coördinatoren is voorbij. Het past in de tijdgeest dat waar structureel wat geld is, een jonge direkteur aantreedt. Maar alles bevechten op basis van incidentele subsidies gaat individuele krachten bijkans te boven.
Er bestaat een discrepantie tussen de waardering van de overheid voor culturele initiatieven en de praktijk. Bij alle positieve woorden van de Mondriaan Stichting voor het fenomeen kunstenaarsinitiatieven steekt een subsidie van 40% (waarbij 60 % uit andere middelen betrokken moet worden) af als nauwelijks reëele steun. Het stoort Irene Postma dat ook plekken met een brede internationale uitstraling als het Utrechtse BAK en het Amsterdamse W 139 zo klein worden gehouden. Destijds, in het tijdperk van de BKR, hing er in de wereld van de beeldende kunst een akelige, niet-frisse sfeer. Dat kunstenaars de laatste twee decennia zelf vorm hebben gegeven aan hun ontwikkeling heeft een veel actiever en levendiger veld opgeleverd.
Maar tegelijk is er nu een grens bereikt. Er is teveel verantwoordelijkheid bij de kunstenaars gelegd en daaraan wordt geen natuurlijk vervolg gegeven. Kunstenaars vragen bij het BKVB subsidie aan voor projecten in kunstenaarsinitiatieven en in musea, het cultureel ondernemerschap staat hoog genoteerd. Maar musea en galeries zouden meer verantwoordelijkheid moeten nemen en een ruimhartiger bijdrage moeten leveren aan de carrière van Nederlandse kunstenaars. Als je bedenkt dat alle kunstenaarsinitiatieven samen ongeveer een miljoen aan subsidie verdelen en het Fonds BKVB 22 miljoen besteedt aan individuele subsidies, dan is het de vraag of er niet een efficiëntere wijze van financiële stimulering te bedenken is. Kunstenaarsinitiatieven zouden zelfs kunnen besparen op uitgaven als publieksbenadering wanneer ze meer samen zouden werken op basis van een structurele subsidie. Nu gaat een onevenredig groot deel van de energie naar het aanvragen van projectsubsidies. Het is in het algemeen niet een makkelijke tijd. Een generatie die de initiatieven op basis van enthousiasme bij elkaar hield is inmiddels verdwenen, zoals Jacqueline Kostermans van Artis, Ad van Rosmalen van Lokaal 01, Mique Eggermont van Hedah. Je moet je nu harder opstellen, met concrete, goed omschreven projecten. Er is minder ruimte voor een speelse, organische ontwikkeling.
Wat heeft De Veemvloer haar vooral gebracht? De mogelijkheid om actief in te spelen op maatschappelijke en artistieke ontwikkelingen, op zon manier dat het net een beetje boven je macht ligt. Buitenstaanders vinden het vaak moeilijk om De Veemvloer te typeren. Intensieve projecten, dat is het karakter van De Veemvloer.
Tineke Reijnders |