nr 22:        

Homo bulla est
De mens is maar een zeepbel, schreef Erasmus. Vijfhonderd jaar later zei John Lennon: ‘ Life happens, while you were making other plans’. Charles Bukowski zei kortweg: ’Shit happens’. Drie uitspraken die de betrekkelijkheid van het leven aardig samenvatten. Kunst over de dood kan niet veel meer dan verwijzen naar de kortstondigheid en betrekkelijkheid van ons bestaan. In Parijs was onlangs in het Grand Palais de installatie Personnes van Christian Boltanski te zien. In de ijzige monumentale hoge ruimte lagen als bloembollenvelden kwadraten met kleren en was het versterkte monotone geluid van hartslagen te horen. Boven elk veld hingen TL buizen die een kil neonlicht verspreiden. Het riep een naargeestige concentratiekampachtige sfeer op. Tussen de bergen oude kleren liepen de Parijzenaars keuvelend op weg naar de uitgang aan het Champs Elysee om misschien op een terras een glaasje Champagne te drinken. En dat is het verschil, het KZ had geen uitgang. Dat vrijblijvende aspect verandert het thema lijden en dood in een toeristische attractie. Hoe indrukwekkend ook geënsceneerd, eigenlijk is het thema: ‘ramptoerisme in de kunst’. Lekker even gruwelen en dan op zoek naar de volgende thrill. Misschien heeft Eli Wiesel wel gelijk toen hij zei: een roman over Auschwitsch gaat niet over Auschwitsch en als die wel over Auschwitsch gaat is het geen roman. Dit is een kernprobleem in de kunst. De dood is een onderwerp dat al impact heeft als het wordt gesuggereerd. Als de dood expliciet wordt behandeld bestaat het gevaar dat het melodrama wordt.

De meeste stukken en kunstenaarsbijdragen in dit nummer omcirkelen het thema. Wat doet een kunstenaar ermee? Fotograaf Koos Breukel maakte de naderende dood zichtbaar op het gezicht van Jan Wolkers. Er zijn kunstenaars die het raadsel van de dood weten op te roepen zonder dat duidelijk is hoe ze dat doen. Zoals in ‘Het Grote Gedicht’ van Sigurdur Gudmundson dat ooit te zien was in het Stedelijk Museum. Het bestaat uit drie piramiden van een meter hoog waar zwanenhalzen uit steken. En zoals in het werk van Gustav Metzger - zie hiernaast op pagina drie - dat de feitelijkheid van een documentaire foto toont samen met een beeld van destructie: een hoop stenen als in een gebombardeerde stad. De recente werken van Pépé Smit gaan over dood en verval. Op een ervan kijkt een vrouw je angstig aan – haar gezicht half verborgen onder rottende herfstbladeren - alsof ze onder het ijs bekneld zit. Frank Lisser stelde uit jaargangen 1914 van het Franse tijdschrift Miroir een fotocollage over de Eerste Wereldoorlog samen. Fredie Beckmans bezocht in Turijn het graf van Cesare Lombroso die ooit beweerde dat het zich kunstzinnig uiten en de waanzin een en dezelfde erfelijke belasting waren.

RB

   
 
   
Tom Claassen, Hanging Ducks
klik op cover voor pdf nummer 22
CLICK ON COVER FOR PDF
ISSUE 22


 
             

link naar
vorige nummers

ONTOEGANKELIJK
MEdia
PIJN

vluchtig en immaterieel
goede zaken
lichtheid
situationisme
religie
pre passee

territorium
zakelijkheid
canon
Altijd alle tijd

vreemd
kunstenaar&initiatief

Inhoud

1 Cover
Ernest Daetwyler, Bubblemachine, 2002

3+4+5  Franck Gribling
Gustav Metzger
Een roepende in de woestijn

6+7  Frank Lisser
Le Miroir 1914
fotocollage Eerste Wereldoorlog

8+9  Marianne Vollmer
Gesprek met Pépé Smit

10  Arie van den Berg
een handdoek van de dood

11 Koos Breukel
Jan Wolkers

12+13  Erzsébet Baerveldt, Koos Breukel, Paul Donker Duyvis, Sarah Engelhard, Saskia Gubbels, Astrid Hinz, Heddy Honigmann,
Johan van der Keuken,Margriet Luyten, Lies Neve, Peter Zegveld 

13 Diederick van Kleef       
In de hemel kijken              

16  Fredie Beckmans
Alexander von Humboldt, de papegaai en het wilde zwijn

17  Fredie Beckmans
Het bordeel van de dood

18+19  Aart Brouwer
Yeah wtf
illustraties Erik Alkema

20  Robbert Roos
Tom Claassen

21  Marcel Prins
Andere achterhuizen

24 Philip Fokker, Kaaii Foqqr
Game over


   
     
         
   
   
Pépé Smit, Degrading # 2
 

Gesprek met Pépé Smit
Er moet altijd een boosaardige noot inzitten
Marianne Vollmer

Doodsmijmering
In de natuur wordt je omringd door de dood, lopend door rottende bladeren is elke plant en elk dier voornamelijk bezig de dood van zich af te slaan. Hoe mooi ook een bos, hoe schattig dat roodborstje, de natuur zelf kan zich met niets en niemand medelijden veroorloven, die dendert rücksichtslos door: leven uit dood uit leven zuigend. Dat is beangstigend maar tegelijkertijd bevrijdend; het doet er helemaal niet toe of jij leeft of dood bent, als er maar flink op los geleefd en doodgegaan wordt.
                                                      Pépé Smit
voor interview zie pdf. Klik op cover
___________________________________________________________________

_______________________________________________________________

Gustav Metzger
Een roepende in de woestijn

Franck Gribling
Jeremiah 44.22 : ‘Therefore is your land a desolation,
a curse without an inhabitant’

Dood en leven hangen samen. Geen leven zonder eindigheid. Het oude sterft af om plaats te maken voor nieuwe mogelijkheden. Dat is een natuurlijk proces, dat echter door de technologie een andere dimensie heeft gekregen. De holocaust was een voorproefje van de massale vernietiging waartoe het menselijke vernuft in staat is. Daarna is de techniek niet stil blijven staan. Nucleaire catastrofes en milieurampen, die de aarde onleefbaar kunnen maken, liggen binnen de mogelijkheden. Dat is al geruime tijd duidelijk. Het boek ‘High Tech Holocaust’ van James Bellini, waarin de desastreuze gevolgen van de ongebreidelde expansie van het technisch vernuft in kaart werd gebracht, dateert al van 1986.

Al veel eerder, na afloop van de tweede wereldoorlog, met de Holocaust en de nucleaire vernietiging van Hiroshima en Nagasaki nog vers in het geheugen, hadden kunstenaars de destructieve aspecten van de vooruitgang gethematiseerd, met de bedoeling een bewustwordingsproces op gang te brengen. ‘Destruction in Art’ kwam in de jaren zestig in de aandacht. Veel opzien baarde in 1960 de ‘Hommage à New York’ van Jean Tinguely, een grote in de tuin van het MoMa gebouwde constructie die zichzelf in de loop van een dag vernietigde. Kort daarvoor in 1959 had Gustav Metzger in Londen zijn manifest ‘Autodestructive Art’ gepubliceerd. Het was geschreven in de retorische taal van de avant-garde en getuigde nog van een tamelijk ambivalente haatliefde verhouding met wetenschap en techniek. Een enigszins gewijzigde Nederlandse versie van het manifest verscheen in 1962 in de catalogus van de roemruchte door Daniël Spoerri samengestelde tentoonstelling ‘Bewogen Beweging’ in het Amsterdamse Stedelijk Museum, waar ook de maquette te zien was van een nooit uitgevoerd ‘Autodestructive Monument` van Metzger. Het principe van de `autodestructieve Kunst`demonstreerde Metzger ook in publieke happenings, waarbij hij nylondoek met zoutzuur bewerkte. Meer manifesten van zijn hand volgden waarin ook het accent kwam te liggen op wat hij noemde de `Autocreatieve` krachten in de natuur. Dit leidde tot experimenten met lichtprojecties met chemische vloeistof dia’s, de zogenaamde ‘Liquid Crystals’, die voor het eerst toegepast werden bij een optreden van de Popgroep ‘The Who ‘van Peter Townsend, die onder invloed van Mertzger’s autodestructieve ideeën zijn gitaar op het podium kapot sloeg. In 1966 was Gustav Metzger de drijvende kracht achter het ‘Destruction in Art Symposion’ (DIAS) in Londen, een avant-garde treffen, waar Fluxus, Kinetische kunstenaars en performers, zoals de beruchte Weense Aktionisten, Hermann Nitsch, Otto Mühl en Günther Brus, elkaar ontmoeten. In het bijzonder bij de Weense kunstenaars was dood en destructie een ritueel bezworen obsessie.

de liquidatie van kunst
Na deze acties werd het stil rond Metzger in de kunstwereld. Zijn aandacht verschoof meer naar de behoefte om de wereld te veranderen, zonodig met visionaire, maar onuitvoerbare projecten. Hij was altijd al politiek betrokken geweest, in zijn jonge jaren Trotzkist, in de jaren vijftig militant deelnemer aan de CND ( Ban de Bom) demonstraties, gericht tegen de nucleaire bewapeningswedloop. Vervolgens werd het de aantasting van de omgeving, het milieu, die hem zorgen baarde. Ook kwam hij tot de overtuiging dat er te veel kunst gemaakt werd, die uitsluitend kapitalistische speculanten ten goed kwam. In 1970 stelde hij een ‘Ïnternational Coalition for the Liquidation of Art ‘voor en in het kader van de tentoonstelling ‘Art into Society / Society into Art ‘( Londen 1976 ) verklaarde hij de periode 1978-1980 als kunstvrij, een kunststaking waaraan hij alleen zelf gevolg gaf. Hij bleef overigens zijn gedachten uitdragen door middel van ‘Lecture Demonstrations’ en ook met voorstellen voor onuitvoerbare demonstratieve projecten, die meestal alleen als maquette werden uitgevoerd. Hij zag het als zijn taak om als een bezitloze profeet de wereld wakker te schudde.
 lees verder zie pdf. Klik op cover

     

Het Bordeel van de Dood
Fredie Beckmans

Bijna twintig jaar lang heb ik kerkhoven bezocht en daarbij vooral de stenen van kinderen, te vroeg gestorvenen, omhooggevallen bonzen en filosofen gefotografeerd. Marinus van der Lubbe, Oscar Wilde en Serge Gainsbourg op hun laatste rustplaats herdacht. Volgens de Engelse en hedendaagse filosoof John Gray is het enige en wezenlijke verschil met andere dieren, dat wij onze doden herdenken, een besef hebben van de dood en dat we daar bepaalde rituelen aan hebben verbonden. Daaraan heb ik meegedaan door zo’n tien jaar geleden de viooltjes die voor het graf van Hegel stonden, op te eten.


Het laatste kerkhof dat ik bezocht was het Cimitero Generale van Turijn. De stad is bekend om een van de grootste en mooiste schilderijen die ik ken en dat steeds verkeerd wordt geïnterpreteerd. De Lijkwade van Jezus. Een falsificatie? Waar hebben we het over? Het is volgens mij een vijftiende eeuws schilderij, zwaar Post Modern omdat het vorige lijkwaden citeert en zo goed als zeker een zelfportret is van Leonardo da Vinci. Het mooiste is nog dat zelfs het Vaticaan het erkent als een relikwie van de tweede graad. Dat betekend dat het niet een echte relikwie is maar een kunstwerk dat doet alsof het een relikwie is zoals de meeste splinters en stukjes bot van zo vele heiligen. Maar als kunstwerk is het echt, het bestaat en is genialer dan de nachtwacht van Rembrandt of het laatste avondmaal van dezelfde Leonardo Da Vinci. De lijkwade van Jezus is een schilderij dat doet alsof het de uittredende rottende levenssappen van Jezus Christus heeft opgezogen. Het zijn uiteindelijk in dia positief geschilderde verfpigmenten die op het doek kleven en bij een fotografische omdraaiing in 1898 een afbeelding laten zien die verdacht veel op een zelfportret van Leonardo lijkt.

erfelijk belast
Onder het kerkhof van Turijn is een tweede kerkhof gebouwd. Het ondergrondse kerkhof bestaat uit een wirwar van gangen en in iedere gang liggen honderden doden gestapeld en ingemetseld begraven. Mijn interesse gold mijn vriend Cesare Lombroso, psychiater en professor die op vierenzeventige jarige leeftijd in 1909 overleed. Hij ligt in dit ondergrondse kerkhof begraven. Cesare Lombroso, beweerde ooit dat het zich kunstzinnig uiten en de waanzin een en dezelfde erfelijke belasting waren. Iemand die zoiets durft te beweren verdient mijn vriendschap en dwingt mij dieper na te denken waar mijn eigen dwang om kunstenaar te zijn, te willen zijn, vandaan komt. Waarom ben ik wie ik ben en wat daarvan is een erfelijke belasting. Doe ik wel wat ik zelf wil? Vele filosofen wier graven ik bezocht hebben zich afgevraagd waarom zijn wij wie we zijn. Nietzsche die ook in Turijn heeft geleefd vond het leven te kort om zich af te vragen of er een God bestond. Hij heeft dat op veertien jarige leeftijd aan de kant geschoven om in de tijd die hem restte zich met wezenlijkere vragen te kunnen bezighouden. God is dood. En Lombroso ligt in Turijn begraven. Samen met zijn ideeën over hoe je misdadigers vroegtijdig aan hun uiterlijk kunt herkennen. Wat hij beweerde lijkt achterhaald. Schedelmetingen, aan elkaar gegroeide wenkbrauwen en met aan de kaak vergroeide oorlellen: geboren moordenaars en verkrachters. Dat werd naar het rijk der fabelen verwezen maar door het hedendaags onderzoek naar genetische afwijkingen is het onderwerp weer in de wetenschap teruggekeerd.
Lombroso ligt onder het kerkhof van Turijn, maar waar? Met mijn rudimentaire kennis van het Italiaans en ratelende Italiaanse dames die gewillig elke informatie verstrekken maar geen woord engels spreken een echte uitdaging. Computers en opengetrokken kasten met dikke naslagwerken en opeens toch een plek: A3AT56. Er op af. De aangewezen plek herbergde vooral veel te vroeg gestorven Italianen tussen de dertig en tachtig jaar, maar allemaal na 1945 overleden. Bakjes met vlees en water, een zwart gat in de muur waar ik naar binnen keek en snel van weg sprong. Een sissende kat. Ik schrok me wild. Geen Lombroso. Na een half uur gezocht te hebben bovengronds drie mannen in groene pakken aangesproken. Ze waren bereid me in hun rappe Italiaans te helpen en we kwamen op dezelfde plekken als waar ik al was geweest. De een vond Amsterdam een mooie stad, de ander sprak wat frans en de derde schreeuwde ineens dat we de plattegrond van het kerkhof moesten omdraaien. We zochten in de verkeerde hoek. Onlangs had een computerfout alle plattegronden omgedraaid afgedrukt. In de andere hoek op de trap naar beneden noemde een van de groenwerkers de plek die we betraden ‘het bordeel van de dood’. Wat bovengronds niet lukte wordt hier beneden afgemaakt en dat zonder bescherming. Maakte ik uit zijn woorden op. Daarna vertelde ik ze dat toen mijn oom van drieënzestig begraven werd, hij naast een mij onbekend meisje van achttien begraven werd. Het meeste plezier dat mijn oom daaraan moet hebben beleefd was dat ze beide in hetzelfde jaar geboren waren. Je moet er wel oog voor hebben.

blik van God
Lombroso lag achter een eenvoudige steen weggemetseld. Door een spleet in een ontluchtingsrooster tegenover viel een straal zonlicht naar binnen. Precies over de steen. De blik van God. Je kunt wel vallen maar niet dieper dan in de handen van God, mompelde ik in dit bordeel van de dood. Mooie woorden die ik ’s ochtends in een krant had gelezen. Van een Duitse protestantse bisschop die haar baan had opgegeven nadat ze dronken door rood licht was gereden. Ik vroeg de groenwerkers of ze zo konden gaan staan dat de blik van God die nu voor de helft de grafsteen bestreek zou doven. In plaats van dat brachten ze de Hitler groet en doofden daarmee de blik van God en proestten het uit. Ze wilden niet mee op de foto en huppelden na mijn foto gemaakt te hebben goedgemutst de trap op. Wat was dat nu weer voor een streek. Lombroso had de jongens waarschijnlijk op een halve kilometer al herkend. Ze reden met hun wagentje luid toeterend over het kerkhof naar hun volgende karwei, langs de borden dat het ten strengste verboden was op het kerkhof te fotograferen. Zelf wilde ik niets liever dan hierna een cafeetje in de buurt bezoeken waar Nietzsche in Turijn zijn Bicerin dronk. Bicerin, een mengsel van sterke koffie, pure chocoladedrank en room. De laatste keer dat Nietzsche het dronk kwam hij naar buiten, zag een gestruikeld paard. Heeft het paard in tranen uitbarstend omhelsd en is daarna voorgoed in een gesticht opgesloten. Ik moet nog uitzoeken of Lombroso als professor psychiatrie in Turijn daar voor heeft gezorgd. Verder laat ik de Turijnse professor zijn gang maar gaan in dat ondergrondse bordeel van de dood. Hij zal het er best naar zijn zin hebben.

   
   
 
   
Gustav Metzger, Kill the Cars, 2009, courtesy Serpentine Gallery London, foto J.Hardman-Jones    
       
   

Gustav Metzger, Massmedia today and yesterday,2009 courtesy Serpentine Gallery London, foto J.Hardman-Jones

 

       
     

Lies Neve, Een groot man

Een vrouw alleen zwoegt achter de grasmaaier. Twee mensen zitten als vogeltjes op een boomtak die langzaam naar beneden zakt. Chaplin valt beeld voor beeld in katzwijm voor een dame. Lies Neve neemt een serie stills of foto’s als onderlaag en schildert in robuuste streken een nieuwe werkelijkheid tevoorschijn. Het schilderij ‘Een groot man’ toont ons niet de dood of Charon, de veerman die de doden naar de overkant van de rivier brengt. ‘Een groot man’ toont het nabeeld van een groot man: het beeld dat op ons netvlies na-ijlt nadat hij uit het zicht verdwenen is.
   

Erzsébet Baerveldt
Historische vrouwenfiguren met een mythische aura zoals Maria Magdelena, Lucretia Borgia en Erzsébet Báthory intrigeren kunstenares Erzsébet Baerveldt. Baerveldt koestert een fascinatie voor Báthory en identificeert zichzelf met deze femme fatale. Als klein meisje zag zij een reproductie van de Hongaarse gravin Erzsebet Bathory (1560-1614), die in de geschiedenis is afgeschilderd als een vampier. Ze herkende zichzelf in het gelaat van deze geplaagde vrouw en heeft vervolgens met behulp van een laserbehandeling een identieke hoge haargrens aangemeten. Bloedgrafin Erzébeth Báthory (1560) uit Transsylvanië dient voor haar als muze en model. Erzsébet Baerveldt maakt fotowerken, video sculpturen, boeken, kostuums, schilderijen en performances.

   
     
 
    
       
 

Memorial, Installatie met geluid
Paul Donker Duyvis

De vijf zinken vormen roepen funeraire herinneringen op.
Ze lijken op grijze sarcofagen of lijkkisten
of een monument voor mysterieuze een rituele reiniging.
Doordat ze rechtop staan vormen ze ook een soort oor
of ontvangstschotel. Maar wat ontvangen ze?
Signalen uit het verleden of uit de toekomst.
De lege schalen zijn ook klankkasten die weerkaatsen.

Memorial verwiijst naar de Koude Oorlog, die direct volgde op
de Tweede Wereld Oorlog en de wereld in twee kampen verdeelde.
Het geruis en de onverstaanbare kreten zijn de stemmen van
Russische Kosmonauten rond 1960, opgevangen door radio amateurs.
Deze opgevangen geluiden en het succesvolle Russische
ruimtevaartprogramma wakkerde angstgevoelens bij het Westen aan.
Om de gemoederen te sussen verspreidde het Amerikaanse propaganda
systeem geruchten dat de opgevangen geluiden de wanhopige stemmen waren
van Russiche Kosmonauten die uit koers waren geraakt. Een macaber symbool
voor de Dood: Voor eeuwig reizen in de nimmer eindigende ruimte van het helal.

Memorial is een monument ter 50 jarige nagedachtenis aan de onvoorstelbare eerste Atoombommen
die vielen op Hiroshima en Nagasaki in 1945.