klik op cover voor pdf nummer 34
CLICK ON COVER FOR
PDF ISSUE 34

Inhoud

1  COVER
Robert Broekhuis
Zonder titel,m 1992, detail

2 Redactioneel, inhoudsopgave
en colofon

4+5 Jan Maarten Voskuil
WOW !!!

6+7 Alex de Vries
De lieve lust van Roland Sohier

8 Pim te Bokkel
Op in de Storm

9 Pierre Klossowski
 The Paralell Bars

10+11 Fredie Beckmans
Noa Noa

12 Henry Miller
Ping Pong

13  Huub Mous
Kunst is de poëzie van de pijn

14+15  Ine Dammers
Interview met Kees van Leeuwen

16+17 Melanie Bonajo
Genital Panik

18+19 Frank Lisser
Het verbrande gezicht

20 Haye Smith
der Heinrich und seine Freundin

21 George Bataille
De tranen van Eros

22+23 Robert Broekhuis
Weggooien kan altijd nog
24+25 Kees Koomen
Een poederige huid

26  Larissa Kikol
Manipulated photograph

27   Philip Fokker
Geile Gympen

28  + 29 Ronald Ruseler
Een reis als plaats

30 Anders Petersen
Cafe Lehmitz 1968-1970

31 Arti SELECT

32  Joep Neefjes/LPI
LOODWICKS' DOCUMENT


 

 

Wat bepaalt wie je bent? Wat je gedaan hebt of wat je juist niet gedaan hebt? Wordt je voortgedreven door het verstand of door iets wat we maar voor het gemak ‘emoties’ zullen noemen. Waarom doe je iets wel en waarom het andere juist niet?  Weet je dat van je zelf? Waarom is een kunstenaar jaar in jaar uit bezig met een onderwerp. Wat drijft hem of haar? Je weet precies wanneer het je overkomt. Een brandend verlangen. Of de uitkomst goed of slecht is maakt niet uit. De vraag is natuurlijk of je wel moet proberen te achterhalen waarom je iets wel of niet doet. Misschien doe je iets wel niet meer als je weet waarom je iets doet. Ter illustratie een grap: Aan een stokoude man met lange baard wordt gevraagd of hij met zijn baard boven of onder de dekens slaapt. Weken ligt de oude baas wakker omdat hij dat wil weten. Het wordt bijna zijn dood, gelukkig valt hij zonder er ooit achter te zijn gekomen weer in slaap. Of hij nu met zijn baard boven of onder de dekens sliep, hij weet het niet… Het is hetzelfde met Lust. Het is niet interessant waar die vandaan komt. Hij is er. Waarom besteedt de een zijn leven aan oplossing van het ”Vermoeden van Poincaré” en bouwt de ander jarenlang aan een boot van luciferhoutjes. Waarom wilde Bas Jan Ader de Atlantische Oceaan oversteken in een gammel plastic zeilbootje? Of besteden kunstenaars een heel leven aan één onderwerp. Zoals Balthus die zijn leven lang broeierige werelden schilderde met jonge meisjes. Of Gregor Schneider die al jaren kelders toont? Misschien is het begrip lust het woord voor datgene wat je wel doet omdat je er geen weestand aan kan bieden, en dat wat je niet doet daarvan zei je als kind al: ‘lust ik niet’.

In dit nummer doen we een poging iets te begrijpen van de bezetenheid van kunstenaars en hun onderwerp.

 

 

 

ARCHIEF
link naar vorige nummers


vuur
illusie
happy
copy and paste vergezichten
cradle to cradle

nutteloos
woede
natuur
rusteloos
toekomst
homo bulla est
ontoegankelijk
media
pijn
vluchtig en immaterieel
goede zaken
lichtheid
situationisme
religie
pre passee
territorium
zakelijkheid
canon
altijd alle tijd
vreemd

kunstenaar&initiatief

WOW !!! Jan Maarten Voskuil
Dewain Valentine,  Double Columns Grey, 1975-1976

Het heeft veertig jaar geduurd voordat het sculpturale tweeluik ‘Double Grey Columns’ van de Californische kunstenaar DeWaine Valentine (1936) deze zomer eindelijk stond zoals het ooit bedoeld was. De kunstenaar had het zelf nog niet rechtop gezien, slechts op de zijkant geplaatst. De David Zwirner Gallery in New York zag er brood in de bijna vier ton wegende objecten de expositieruimte in Chelsea naar binnen te tillen. Het moeten de grootste, in één keer gegoten polyester kunstobjecten zijn die ooit zijn gemaakt. Maar waarom is het werk nooit eerder zo getoond?
Een antwoord hierop is een verhaal over minimalisme in Californië, over de verleiding van glimmend plastic, over hoe kunstenaars uit Californië, vooral zij die met kunstharsen werken, decennialang min of meer aan de zijkant hebben gestaan in de kunstwereld. Het is het verschil tussen oost- en westkust, en laat zien hoe toewijding en ambacht in Californië gepaard gaan met een ogenschijnlijke gemakzucht.

Minimal art in Californië
‘Double Grey Columns’ werd in 1975 in opdracht gemaakt voor de centrale hal van een farmaceutisch concern. Toen tijdens de bouw besloten werd het plafond te verlagen, paste het bijna vier meter hoge beeld, dat inmiddels al grotendeels gemaakt was, er niet meer in. Valentine besloot zijn sculpturen dan maar op de zijkant te plaatsten en noemde ze ‘Double Grey Walls’ . De nonchalance van deze draai is kenmerkend voor de laid-backhouding van veel kunstenaars in Californië.
Deze achteloze houding staat in schril contrast met de positie die minimalisten uit de oostkust innemen. New Yorkse kunstenaars als Donald Judd en Robert Morris schreven voor bladen als Artforum en presenteerden zich prominent als intellectueel.
Maar hoe anders gaat het toe in Californië. Het gemak waarmee Valentine z’n sculpturen kantelt, lijkt misschien weinig principieel, maar principes zijn een tamelijk goedkope inspanning. Het ware streven, de echte toewijding, zit hem in het maakproces. Wat dat betreft is ‘Double Grey Columns’ een krachttoer. De grootste verdienste van DeWaine Valentine is de innovatie die hij ontwikkelde om grote objecten te kunnen gieten in polyester. Tot dan toen was polyester een materiaal dat alleen geschikt was om in dunne lagen te gebruiken, vaak in combinatie met glasvezel. Hierdoor was het niet mogelijk objecten te gieten van het formaat dat Valentine voor ogen had. Het grootste probleem was dat Polyester te snel uithardt. In samenwerking met een polyesterfabriek ontwikkelde Valentine een procédé dat hem in staat stelde grote werken te gieten. De giethars werd uiteindelijk zelfs onder zijn naam op de markt gebracht. In ‘Double Grey Columns’ gingen vijfenvijftig vaten van elk meer dan honderd liter. Per object duurde het gieten achttien uur. Rechtstreeks uit de mal zagen de objecten er grof en ondoorzichtig uit. In totaal werd er vijftienhonderd kilo materiaal weggeschuurd en gepolijst om het glanzende transparante resultaat te bereiken, en dat allemaal handmatig.
Lees verder op pagina 4 van de PDF >>>>>

Eros en Thanatos
In een interview met cultuurfilosoof Gerry Mehrtens zegt de Haagse schilder en tekenaar Haye Smith: ‘Het witte doek of papier biedt je nu eenmaal totale vrijheid, sterker nog in de terminologie van Sartre ben je gedoemd tot vrijheid, immers de mogelijkheden zijn onbegrensd. Wat staat je anders te doen dan te proberen in het creatieve proces er achter te komen wat voor jou essentieel is en te streven naar authenticiteit.
Haye Smith, der Heinrich und seine Freundin
Dat betekent ook dat ik probeer te bewerkstelligen dat er tussen de figuren een zodanige interactie ontstaat dat er van een vermoeden van drama sprake is. En natuurlijk – hoewel ik ‘fraai schilderen’ probeer te vermijden, kan men mij soms betrappen op aangenaam kleurgebruik. Wellicht stelt dit de beschouwer op zijn gemak, maar voor mij is hiermee de grens van mijn tegemoetkomendheid bereikt.’

Het lichaam is al lange tijd in de tekeningen en schilderijen van Roland Sohier (Amsterdam 1950) een uitzonderlijk gegeven. De gedaanten die lichamen bij hem aannemen zijn lange tijd vooral op een vrolijke manier gekweld van karakter geweest. Ze zijn misschien eerder nog getordeerd dan getormenteerd, want het is in feite nooit een kwelling om ernaar te kijken.

In zijn wat oudere werk, van voor 2010 zien we vaak lichamen die zich in allerlei bochten wringen, vooral mannen die zich voor geïdealiseerde jonge vrouwen lichamelijk inspannen en acrobatisch gezien zich het een en ander laten welgevallen. De figuren in die meestal nogal grote tekeningen zijn nauwelijks herkenbare personen, maar eerder leeftijdloze typen – niet heel jong, maar ook niet heel oud. Ze zijn in feite kwetsbare ideaalfiguren, uitbeeldingen van wie de kunstenaar zelf is in verhouding tot een onbereikbare schoonheid. Dat reiken naar wat voor hem niet is weggelegd, ontaardt dan in vermenigvuldiging van ledematen, de verdubbeling van lichamen in schaduwbeelden, het onder stoelen en tafels doorkronkelen van lijven, het uitstrekken of uitvergroten van bepaalde lichaamsdelen om van het oprichten van een specifiek deel maar te zwijgen. Ondanks dat laatste aspect doen zich de meeste van die tekeningen toch niet expliciet seksueel, erotisch of zelfs maar sensueel voor.
Lees verder op pagina 6 van de PDF >>>>>
De lieve lust van Roland Sohier Alex de Vries
Het verbrande gezicht Frank Lisser
In deze tijd heeft wat men altijd noemde
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
zij troost niet meer de mensen
zij troost de larven de reptielen de ratten
maar de mens verschrikt zij
en treft hem met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

Vrijwel iedere lezer van deze strofe in het gedicht ‘[ik tracht op poëtische wijze]’ uit de bundel Apocrief/de analphabetische naam (1952) van Lucebert voelde in die naoorlogse tijd aan wat de schrijver bedoelde met ‘verbrande schoonheid’ en wie ‘ de larven de reptielen de ratten’ waren. De kunstpraktijk was direct na de Tweede Wereldoorlog geobsedeerd bezig met te bepalen wie als kunstenaar ‘goed’ of ‘fout’ was geweest in de oorlog. Stedelijk Museumdirecteur Willem Sandberg had hierin de hoofdrol. Hij werd als voorbeeld voor ‘absoluut goed’ gezien en daardoor is zijn oordeel voor veel kunstenaars lang bepalend geweest. Dat de kunstwereld tijdens de oorlog niet zo eenvoudig onder te verdelen is, verhalen de catalogus ‘Het Stedelijk in de oorlog’ (bij de gelijknamige tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam 2015) en het boek
‘Kunstenaars van de Kultuurkamer’ van Claartje Wesselink uit 2014.
Duidelijk is, dat Sandbergs wil wet was in de eerste twee decennia na de oorlog.
Dat hij daarbij soms morele en esthetische oordelen door elkaar haalde, bewees de loopbaan van Karel Appel. Als jong impressionistisch schilder die tijdens de oorlog lid was van de gehate Kultuurkamer, belandde hij na de oorlog toch in het kamp van ‘de goeden’ en dat enkel en alleen omdat zijn naoorlogse Cobrabeeldtaal, volgens Sandberg, symbool stond voor alles wat de bezetter afkeurde. Over hoe kunstenaars tijdens de oorlog al dan niet en in welke mate ‘in de fout’ zijn gegaan, is voldoende bekend.

Voor een veel belangrijkere kwestie is tot op heden echter weinig aandacht geweest en dat is de vraag: welke ‘schoonheid’ heeft nu eigenlijk ‘haar gezicht verbrand’?

Lees verder op pagina 18 van de PDF >>>>>

 

In het werk van Kees van Leeuwen (Rietveldacademie, Amsterdam, Master Artistic Research aan de KABK, Den Haag) is onderzoek een belangrijke component. Binnen dat onderzoek ontstaan vormen, beelden, ideeën. Mijn eerste indruk van zijn atelier: er is veel te zien, maar wat is nu zijn werk? Op een tafel is een plattegrond van Den Haag uitgespreid, met daarop rode stippen, rode verbindingslijnen en wat ruwhouten blokjes. Op een andere tafel ligt over een spiegel een stuk vilt, met daarin een uitgesneden patroon. Ook wijst hij mij op een landkaart achter een paar gordijnen. Dit roept vragen op, waar kijk ik naar? Mij intrigeert een kartonnen doos met iets als de afdruk van een harde schijf in een blok beton.

Wat is de verbindende schakel tussen de dingen die ik hier zie?
Ze hebben allemaal te maken met atoombunkers, dat is mijn grote fascinatie. De eerste zag ik als jongen van 10, ik vond het vreemd dat er onder de grond goed verlichte ruimten waren. Pas later op de Rietveldacademie ben ik mij er echt voor gaan interesseren, voor de historie van de Koude Oorlog, het object zelf en de ervaringsruimte. Meestal ga je via een trap naar beneden, door dubbele rode deuren met een sluis ertussen, en dan kom je in werkruimten, een kantine, slaapruimten, er zijn douches. Alles is minimaal aanwezig en zó gemaakt dat je er met een grote groep mensen een aantal maanden zou kunnen verblijven. Het was bedoeld als onderkomen bij een atoombom, de totale vernietiging. Het is een vreemde ruimte, zonder buitenkant, onder de grond, zonder geluiden van buiten, zonder luchtstromen of gekraak van de constructie. Als de tweede rode deur achter je dichtvalt is het er doodstil. Omdat het zo goedkoop mogelijk moest is er weinig aandacht aan het interieur besteed  De ruimten zijn heel kaal, en omdat ze nooit werkelijk gebruikt zijn en er dus geen verhalen of emoties aan kleven, kun je ze zien als neutrale ruimten. Die neutraliteit interesseert mij; je kunt er je eigen verhaal opbouwen.

Lees op pagina 14 van de PDF >>>>

Kees van Leeuwen interview Ine Dammers
De illusie van veiligheid
Noa Noa Fredie Beckmans

Wellustig krastte een ekster in de Ginkgo boom boven het graf van de Deense filosoof Sören Kierkegaard. Hoorde ik het goed, dat de ekster zei: “een vogel zingt niet tijdens zijn werk, het zingen is zijn werk.” De vogel citeerde zomaar uit het werk van Kierkegaard, notabene boven zijn graf. Eigenlijk was ik in Kopenhagen om bij zijn graf paddestoelen te zoeken. Vanwege een komend project, paddenstoelen en filosofen. Sören heeft een mooi verhaal geschreven over paddestoelen en de subjectieve waarheid die soms kan samenvallen met de objectieve waarheid. Een man loopt op het kerkhof en zoekt naar paddestoelen. Daar staat er een. Maar zonder honger zal hij er nooit achterkomen of die paddenstoel eetbaar dan wel giftig is. Ik ga bij zijn graf op zoek en vind enkel een kanjer van een kankergezwel aan een Berk, een zogenaamde maserknol die me het uitzicht op zijn graf ontneemt. Die knol is wildgroei veroorzaakt door bacteriën, daar komt geen paddenstoel aan te pas. Genoeg ellende gezien en geen paddenstoelen gevonden op de Assistens Kirkegård. Dan wordt het echt tijd voor een museum bezoek. Ik weet dat het Glyptotek museum iets verderop Gauguins en afgehakte neuzen in zijn collectie heeft. Dat wil ik zien.
In het museum aangekomen vraag ik waar hangen de Gauguins? Gauguin? Mijnheer die zijn allemaal op tournee. Nou doe me dan maar het geld terug. Zo gezegd zo gedaan. Zonder enige gêne van beide kanten wordt het geld terugbetaald. Nog net op tijd bedenk ik dat er een wand vol afgehakte neuzen van oude standbeelden in het museum is te bewonderen. Weet je wat, zeg ik en trek mijn perskaart van kunstenblad de Nieuwe, doe mij maar een perskaartje. Voor Gauguin had ik wel 100 kronen willen betalen maar voor een stel afgerukte neuzen? Ze kijken alsof ze met een zielepoot hebben te doen en ik krijg mijn vrijkaartje voor die dag.

Het afhakken van neuzen kun je door alle eeuwen heen tot op de dag van vandaag nog zien. Nu nog lopen in India vrouwen met een afgehakte neus rond omdat ze van seksuele nevenactiviteiten worden beschuldigd. Wij waren in Europa niet veel beter, al is dat een tijdje terug. In het museum zijn zalen vol bustes te bewonderen allemaal met afgehakte neuzen: Romeinse en Griekse destructiedwang. En dan in een zaal één hele wand vol neuzen. Ik kom helemaal aan mijn trekken. Hoe groter hoe mooier. En hier hangen alle soorten door elkaar. Wat is er gebeurd. Het museum heeft in het verleden al die neusloze beelden van gipsen fopneuzen voorzien. Een beeld ziet er toch veel mooier uit met neus. Dat kan natuurlijk niet lang goed gaan. Het zijn gefantaseerde neuzen, die bij een bepaald tijdsbeeld passen. Na verloop van tijd zijn dan ook al die ruikertjes er weer afgehaald. En dan volgt de mooiste daad. Iemand heeft alle kunstneuzen bij elkaar gehangen, lijst er omheen. Prachtig kunstwerk en uit de hele wereld komen allerlei Neuzofielen naar dit museum om zich er aan te laven.
Daarna breng ik een bezoek aan de museum winkel om te zien wat ik aan Gauguins heb gemist. Waarom hangen al die Gauguins überhaupt  in Kopenhagen? Toen Gauguin het wijde sop koos, waren zijn Deense vrouw Mette-Sophie met kinderen van Parijs naar Kopenhagen terug gegaan. Ze hadden er al eerder samen gewoond, hij als textielhandelaar en amateurschilder. En daar profiteert het museum vandaag nog van, als ze zijn werk tenminste niet uitlenen. Ik vraag aan de kaart- en boekenverkoper of ze wellicht het boek Noa Noa van Gauguin zelf verkopen, een verslag van zijn eerste reis naar Tahiti. De boekenverkoper is een grote blonde viking, meestal zijn Denen wat kleiner dan wij. Zijn hoofd gaat wat schuin staan en hij begint te praten. Noa Noa, daar hadden we er een paar jaar geleden vier van, tijdens de grote Gauguin overzichts tentoonstelling hier. Alles verkocht. Maar als je morgen om deze tijd terug komt kan ik je misschien wel helpen. Vraag maar naar mij,  Johan.

Lees verder op pagina 10 van de PDF >>>>>>

Een reis als plaats of als je ergens bent    Ronald Ruseler

Om mijn verwachting, die ik bij aanvang van mijn reis door Noorwegenhad, te illustreren komt het schilderij Romsdalfjord, van Eilert Adelsteen Normann uit 1875, dat in het museum van Bergen hangt, nog het dichtst in de buurt. De schilder Eilert Adelsteen Normann heeft in een bijna fotografisch, realistische stijl een groepje ‘burgers’ geplaatst aan de oevers van een donker fjord, waar het scherpe licht vrij spel heeft op de bergwanden. De bezoekers zijn duidelijk een dagje uit of verpozen zich in de ‘vrije’ natuur. De bezoekers betreden een bijna ontoegankelijke, superieure wereld. In zijn eenvoud is de besloten leegte van het fjord beangstigend en ongenaakbaar. De mens is hier nauwelijks op zijn plaats. Als je het schilderij van dichtbij bekijkt is het een melange van gedempte bruinen, verzadigd van toon en aangebracht met een paletmes. Zet je een paar stappen terug dan maakt zich een realisme van je meester waarbij je wordt meegezogen in de verwondering en grootsheid die de bezoekers op het schilderij in het echt ook beleefd moeten hebben.
Lees verder op pagina 28 van de PDF >>>>>>

Een poederige huid
Over Marielle Buitendijk
Kees Koomen

Mariëlle Buitendijk is bekend geworden met schilderijen van stadions en arena’s. Het zijn de formele kanten van deze architectuur die Mariëlle Buitendijk interesseren en die ze ook in haar schilderijen laat zien. Overbodige gegevens als kleuren en teksten worden uit het beeld verwijderd. In die werken worden arena’s en stadions weergegeven op een manier die soms de neiging heeft abstract te werken en soms ook een surrealistisch effect creëert. De vlakken van de sport- of speelvelden staan in een bepaald perspectief in het vlak en worden soms gespiegeld in een gelijkvormig vlak in het dak boven het gebouw, of ze worden overdekt door een dakstructuur die evenzeer een abstracte kwaliteit bezit. Er ontstaat een ruimtelijkheid die in de abstractie weer ontkend wordt.


Lees verder op pagina 24 van de PDF >>>>