|
Over de vermeende c***** in de (Nederlandse) kunst
Blur and blotch
De verbeten verbijstering
Ik ben zo overmoedig te stellen dat er geen sprake is van een c***** (crisis
dus), noch in de kritiek, noch in de musea en al helemaal niet binnen
de kunst zelf. Wat is er dan wel aan de hand ? Als er al sprake is van
een algemene probleemstelling dan situeert die zich volgens mij in onze
perceptie en conceptualisatie, de manier waarop wij het fenomeen actuele
kunst benaderen en bekijken. Het probleem lijkt niet te liggen bij de
producenten of transmitters maar wel bij de zogenaamde
receivers. Het lijkt alsof er zowel bij het grote publiek
de mensen als bij de zogenaamde incrowd
waarvoor we doorgaans de al even algemene en nietszeggende term de
kunstwereld hanteren in veel gevallen een (lichte) vorm van
verwarring of desoriëntatie heerst.
Je
zou het kunnen vergelijken met de overgang van een canned hunt naar een
normale jachtvorm. De canned hunt is een illegale jagerspraktijk
die in Zuid-Afrika steeds populairder wordt. Toeristen die op zoek zijn
naar die ene bijzondere safari-ervaring, kunnen - voor ze met wapen en
ander geschut in het veld worden gestuurd - hun prooi uitkiezen, een van
de dieren selecteren die in kooien op de vakantieboerderij worden vastgehouden.
Je kiest je target, dat dier wordt vervolgens de wilde natuur
ingestuurd en het is jouw opdracht om in het in no time te verschalken.
Je weet dus precies naar wat je op zoek bent.
Zo leek het binnen de kunst lange tijd te functioneren. Men ging uit van
bepaalde premisses en parameters en zocht het kunstwerk of de kunstenaar
die hieraan beantwoordde. Heden ten dage lijkt het proces echter steeds
vaker volgens de principes en mechanismes van de gewone jacht te verlopen.
Men trekt erop uit en weet niet met welk dier men op welk punt van tijd
oog in oog zal staan. De confrontatie is direct en onverwacht en gaat
soms gepaard met een groot gevoel van onvermogen en hulpeloosheid. Dit
soort machteloosheid overvalt niet alleen de zogenaamde leek, die op een
blauwe zondagnamiddag enigszins toevallig een museum voor hedendaagse
kunst binnenloopt, maar lijkt steeds vaker zogenaamde kenners binnen de
kunstwereld te treffen, die keer op keer het spoor bijster raken.
De begripsverwarring grijpt steeds verder om zich heen. De term hedendaagse
kunst is een soort containerbegrip geworden waarbinnen tal van totaal
uiteenlopende expressievormen kunnen worden opgenomen. Het is tevens een
soort spons met een hoog absorptievermogen, een terminologisch koekiemonster
geworden, dat allerlei omliggende of naburige artistieke domeinen
zoals performance en bewegingstheater heeft opgeslokt. Sinds de intrede
van wat Bourriad de esthétique relationelle noemt, kan niet alleen
elke verkenning van de (eigen) fysieke grenzen en mogelijkheden (body
art en land art), elk banaal gebruiksvoorwerp of product, maar ook elke
alledaagse, dienstverlenende handeling die een vorm van intermenselijke
relaties als uitgangspunt neemt (van massage en persoonlijk gesprek tot
bloedafname, het consumeren van een maaltijd en een voetwassing) tot het
domein van de kunst behoren. Die totale ontgrenzing veroorzaakt,
aldus onder meer kunsthistorica Marta Buskirk, al te vaak een gevoel van
onzekerheid en besluiteloosheid.
De afwezigheid van een centraal waardesysteem leidt er bovendien toe dat
weinigen nog weten wanneer en waarom aan een voorwerp of actie het predicaat
kunst wordt toegekend. Het ontbreken van een corpus aan regels
en criteria en de afwezigheid van een smaaknorm, zorgt voor consternatie
bij niet-ingewijden. Wordt de waarde en het statuut van een kunstwerk
werkelijk louter bepaald door de beredeneerde smaakoordelen
van een select groepje deskundigen en bevoegde connaisseurs gelieerd aan
gerenommeerde instituten, of zijn het de wetten en principes van de kunstmarkt
die op dat vlak doorslaggevend zijn?
Daarnaast is er sprake van een inflatie aan verwachtingen. Kunst wordt
steeds frequenter geïnstrumentaliseerd en ingezet als een tool in
het verwezenlijken van buitenartistieke doelstellingen. Dat is niet nieuw.
In de negentiende eeuw propageerden Schiller en co het beschavingsprincipe,
waarbij de kunst werd benaderd als een instrument ter verheffing van het
menselijk karakter, ter verfijning van de geest. Het voorbije anderhalf
decennium nam dit utiliteitsdenken diverse andere vormen aan. Kunst werd
onder meer ingezet als een onderdeel van citymarketingstrategieën
het zogenaamde Bilbao-effect. Vaak en dat was in het Nederland
van Van de Ploeg prominent aanwezig, de huidige staatssecretaris en de
Raad gaan hier een stuk omzichtiger te werk worden kunstenaar en
kunstwerk gezien als catalysatoren in een proces, dat tot de oplossing
van bepaalde maatschappelijke problemen en het neutraliseren
van bepaalde netelige sociale issues moet leiden. Men lijkt er van overtuigd
te zijn, dat kunst als een soort collectieve therapie voor de samenleving,
een sociaal cement moet fungeren. Men gaat ervan uit, dat het werk van
een kunstenaar zowel kritisch als esthetisch, zowel onderhoudend als verontrustend,
zowel maatschappelijk verantwoord als radicaal moet zijn. Hij moet non-comformistisch,
eigenzinnig en toch zakelijk en aangepast zijn, grensverleggend werken
maar tegelijkertijd binnen de lijntjes kleuren.
Dit betekent niet alleen dat een kunstenaar geconfronteerd wordt met een
onmogelijke opgave, die de aandacht afleidt van zijn zogenaamde kerntakenpakket
of missie, maar tevens dat er steeds minder en steeds vager wordt gepraat
over de intrinsieke artistieke waarde van een kunstwerk. De sociale impact
of relevantie en de economische waarde zijn gespreksonderwerpen, maar
het lijkt wel alsof we niet langer over het vocabulaire beschikken om
de autonome waarde van een werk te benoemen of te omschrijven.
Déjà Vu
Cela nempêchera pas les artistes, ceux qui sont bons-quà
ça (Beckett) de faire ce quils ne peuvent sempêcher
de faire. Lart est en crise? Adieu les gestionnaires des avant-gardes!
Place, de nouveau, aux artistes !
Uit: La crise de lart contemporain, Yves Michaud.
In een essay waaruit het Vlaamse tijdschrift Yang afgelopen jaar
een aantal excerpten herpubliceerde en dat verrassend actueel bleek te
zijn geeft de Franse denker Yves Michaud aan dat de crisis
van/in de hedendaagse kunst in wezen een crisis van het kunstbegrip
is en schetst hij de filosofische oorsprong van deze problematiek. Volgens
hem is sinds de tweede helft van de 19de eeuw een afbrokkelingsproces
op gang gebracht dat leidde tot de ontbinding van een bepaald denkbeeld
van de kunst, wat op zijn beurt tot de huidige collectieve desoriëntatie
heeft geleid. Sinds de 18de eeuw, zo Michaud, is de kunst ingeschreven
in een utopisch denken. De utopie van de kunst is een utopie van de mogelijkheid
van communicatie, een geloof in het feit dat de esthetische ervaring en
de esthetische consensus dat is, wat de eenheid van de menselijke wereld,
de sociabiliteit of de Geselligkeit garandeert. De tweede helft van de
19de eeuw betekende in dat opzicht een ontluistering, men kwam tot de
ontdekking dat die esthetische gemeenschap maar een mythe was. De daaropvolgende
geleidelijke democratisering van de cultuur bracht een eclecticisme
van esthetische smaken met zich mee. De tirannie van de publieke
opinie werd geleidelijk aan vervangen door een veelheid aan diverse
opvattingen waarbij alle meningen evenwaardig zijn en dus geen enkele
opinie dominant is. Dit soort pluralisme, leidt tot een gevoel van ontreddering
en ontzetting over aard, wezen en betekenis van de hedendaagse kunst.
Zero Tolerance
Dat is de vraagmuur. Zoals je ziet is hij al half overwoekerd en ingestort.
Een blinde deur. Maar we doen de deur open !, zei het kind voor de blinde
deur in de muur
Het vraagwiel draait. Het draait. Het piept. Zoals
je hoort heeft het lang niet meer gedraaid.
Uit: De Kunst van het vragen, Peter Handke.
Michaud
ontwikkelt in zijn geschriften een macroperspectief, vanuit mijn bescheiden
en beperkte microperspectief kan ik alleen maar constateren, dat er binnen
de kunstwereld krampachtig met het failliet van de door hem beschreven
utopie wordt omgegaan. Het lijkt wel alsof er een steeds sterkere definitiedrang
gaat optreden. Alsof er een steeds sterkere behoefte ontstaat aan grenzen,
markeringen en scheidslijnen, aan dogmas en voorschriften, aan een
standaard en aan artistieke normen. We nemen niet langer meer genoegen
met intuïtieve criteria, maar willen die vertalen naar duidelijke
parameters waaraan de artistieke waarde van een interventie of object
ook effectief afgemeten kan worden.
Arturo C. Danto beweert onder meer in The Madonna of The Future
dat de tijd van de grote Manifesten voorbij is het einde van Modernisme
betekent meteen ook, dat radicale stellingnames overbodig zijn geworden
- maar vreemd genoeg lijken we net nu weer behoefte te hebben aan uitgesproken
posities en ferme meningen. Vreemd genoeg hebben we net nu weer behoefte
aan een soort zero tolerance binnen de kunst. We koesteren
het verlangen naar een nieuw soort strengheid, een inclusie-exclusie
denken waarbij wordt ver- en geoordeeld en soms verworpen, waarbij deze
expressievorm onder het kopje kunst wordt gerangeerd en de andere creatieve
uiting het predicaat geen kunst wordt opgeplakt.
Een ding zit daarbij duidelijk in de weg: de kunst zelf. Zonder me daarmee
helemaal te willen aansluiten bij de zogenaamde intuïtieve school,
moet het gezegd worden, dat het beleven van kunst in allereerste
instantie een hyperpersoonlijke ervaring is en blijft, waarbij aspecten
als zintuigelijke waarneming, emotieve ervaring, intellectuele beschouwing
een interactie aangaan. Dit soort complexe processen is niet gebaat bij
het opleggen van strikte regels en rigide criteria die geen ruimte laten
voor subjectiviteit. En toch rijst het vermoeden dat er opnieuw afspraken
moeten worden gemaakt en codes worden vastgelegd. Heel vaak lijkt men
dit alles over te laten aan de observatoren en commentatoren, aan kunstfilosofen
en kunstcritici, de actoren in het veld tentoonstellingsmakers
- laten die beker aan zich voorbij gaan. Me dunkt dat dit een gemiste
kans is. Dat het hoogstnoodzakelijk is, dat curatoren en museumdirecteuren
opnieuw argumenten aandragen voor het maken van bepaalde beslissingen,
dat er op dat vlak een soort helderheid of althans opnieuw een communicatie
op gang komt. Het moment vraagt erom dat decisionmakers binnen
het veld van de beeldende kunst met alle man en macht het eigen terrein
bevechten, onafgebroken en met onverdroten inzet proberen de eigen uitgangspunten
en voorkeuren in woorden te vatten en precies te formuleren. Geen drammerige
uitleg, geen langdradige verklaringen maar een poging om helder en inzichtelijk
de intuïtieve criteria, die we allen hanteren, te expliciteren en
dit alles vertrekkend vanuit het werk zelf en niet vanuit een abstracte
meta-theorie (criteria liggen in het kunstwerk zelf besloten, aldus het
adagium van Marc Jimenez). Idealiter is het zo dat er harde posities pro
of contra worden ingenomen, dat conflicten niet worden vermeden, maar
tot bloedens toe worden uitgevochten, niet achter de schermen, achter
de coulissen maar in the eyes of the world, als gladitoren in de arena.
En als dat alles teveel, te moeilijk en te onmogelijk lijkt, als de overgang
van permissiviteitsdenken naar nieuwe rigioureusiteit te bruusk en te
ongemakkelijk is, laten we dan a.u.b. tenminste opnieuw beginnen met het
stellen van juiste vragen. Dat was een van dingen, die de inmiddels hopeloos
politiek incorrecte schrijver Peter Handke zijn lezerspubliek steeds heeft
voorgehouden: een juiste vraag is een (gods)geschenk en wie de juiste
vraag durft te stellen is al halverwege een antwoord.
Ann Demeester
Ann Demeester is directeur van W139.
Dit is een gedeelte uit het artikel, dat oorspronkelijk
werd gepubliceerd en geschreven voor het jaarverslag 2003 van het Fonds
voor Beeldende Kunst.
|
Marta Buskirk, The Contingent Objet
of Contemporary Art, MIT Press, Cambridge Massachusetts / London, England,
2003, p.11
Yves Michaud, La crise de l'art contemporain : utopie, démocratie
et comédie, PUF Interventions Philosophiques, Presses Universitaires
de France, Paris, 1997. 285 p.
Peter Handke, De kunst van het vragen of de Reis naar het welluidende land,
vertaald door Leonard Nolens, Koninkljke Vlaamse Schouwburg, Brussel, 1995,
p 81.
Arturo C. Danto, The Madonna of the Future, essays in a pluralistic art
world, Farrar, Strauss and Giroux, New York, p XVII XXX. |