2004/8

In de dagen van politieke en
artistieke vertwijfeling

De vinger aan de pols van de Nederlandse kunstwereld

‘Radeloos, reddeloos en redeloos.’ Wie zei dat ook weer in barre tijden van weleer over het Nederlandse volk? Historisch besef is niet onze sterkste kant. Gelukkig tracht men dat nu bij te spijkeren in de media, met de verkiezing van Pim Fortuyn - of is het Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands? - tot grootste Nederlander aller tijden, zowaar op de voet gevolgd door een kunstenaar, maar die heeft dan ook spectaculair zijn oor afgesneden. Hoe dan ook, het zijn ook actuele woorden. Opnieuw lijkt ons land bevangen door collectieve radeloosheid en redeloosheid. Er is geen redden meer aan. Wat is er niet allemaal mis in onze samenleving en afgeleid daarvan in de kunstwereld?

Onze reputatie van verlicht gidsland, waar het goed toeven is, waar de kunsten floreren en waar sex, drugs en rock and roll niet verboden zijn maar gedoogd, kunnen we wel vergeten. De buren beginnen zich met een licht gevoel van Schadenfreude, om maar eens een term van over de grens te gebruiken, te verbazen, hoe het zo kon verkeren. Blijkbaar heeft het befaamde Poldermodel, de cultuur van overleggen en gedogen, toch niet zo´n best resultaat opgeleverd. Toen daarna, onder het mom van vrije meningsuiting, de zwijgende meerderheid zijn mondje is gaan roeren was het hek van de dam. De vrijheid van meningsuiting van de individuele kunstenaar is vervolgens nogal letterlijk om zeep gebracht. Paradoxaal strijdt de verontwaardiging daarover nu met de roep om de versterking van normen en waarden. Over welke waarden hebben we het eigenlijk?

Altijd crisis
De vraag is of het er direct mee samenhangt, maar het hele kunstklimaat zou niet meer zijn wat het geweest is. Dat wordt tenminste geroepen, eerst in eigen kringen, maar nu ook vanuit het buitenland. Crisisgevoel alom. Dat is overigens niet voor het eerst. Nederlanders hebben nu eenmaal een aangeboren minderwaardigheidsgevoel ten opzichte van het buitenland, waar alles veel beter en interessanter is. Bovendien, de beste stuurlui staan altijd aan wal en zijn gewoonlijk somber over de praktijk, die niet voldoet aan hun verwachtingen. Theoretici zijn geboren onheilsprofeten.
Hans Redeker, in zijn tijd gerespecteerd kunstcriticus en filosoof, die beter uit zijn ogen had moeten kijken, schreef in de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen zich juist een ongekende vitaliteit in de jonge kunst aandiende, het boek ‘In de dagen der artistieke vertwijfeling’. Sindsdien is de kunst in het algemeen, of toch op zijn minst de schilderkunst, zo niet dood dan toch periodiek in crisis verklaard. In het bijzonder de Postmodernisten zagen het somber in. Crisis in eigen boezem of hoofd, werd veelal geprojecteerd op kunst en kunstenaars. Denkers en makers zijn elkaars natuurlijke tegenpolen.
Afgelopen jaar verscheen er nog zo´n boekje met essays over de crisis in de kunst in Nederland, waarin onder andere Rutger Wolfson, directeur van de Vleeshal in Middelburg, in navolging van Frans Haks, profeteert dat het gedaan is met de autonome beeldende kunst, die het veld moet ruimen voor design, mode en reclame. Pam Emmerik veegt in haar zeer lezenswaardige, eerder in de NRC-Handelsblad gepubliceerde, ‘Verhalen over Kunst.’, ‘Het wonder werkt’, de vloer aan met deze dogmatiek.
Zij schrijft : ‘Keer op keer wordt van kunst een probleem gemaakt over de ruggen van de kunstenaars heen. De ene keer is de schilderkunst dood en de volgende keer ligt het museum weer op sterven. Hier geldt letterlijk de een zijn dood is de ander zijn brood.’ Wijze woorden van een kunstenares, die weet wat kunst maken is en die er oog voor heeft wanneer er zich een beeldend wonder voltrekt, waar ze persoonlijk door geraakt wordt.

Kunst moet
Toch is er wel iets aan de hand in Nederland. Het is als met het weer, er wordt veel over gespeculeerd, het is moeilijk te bewijzen, maar het klimaat is aan het veranderen. Het is de vraag of dat voor een deel te wijten is aan wereldwijde veranderingen. Als het elders regent, staan wij in de drup. Maar misschien is het wel erger met ons gesteld omdat we, levend onder zeeniveau, alleen beschermd door schamele dijken, nu eenmaal kwetsbaar zijn. Er is niet altijd een Hans Brinker om ons te redden. Die bestaat trouwens alleen in de fantasie van bewonderende Amerikanen. Feit is dat de reputatie van Nederland als tolerant land, waar een kunstenaar zich vrijelijk, ongecensureerd kan uiten, op de tocht staat. De musea, maar ook de kunstenaars worden bovendien minder serieus genomen. Dat is wel eens anders geweest, maar misschien is dat nostalgische zelfoverschatting. Vroeger was niet alles beter.
Hoe het ook zij, een aantal gerenommeerde buitenlandse waarnemers, Harald Szeemann, Kaspar König, Bart de Baere en Sans, schijnen onlangs verklaard te hebben dat Nederland nauwelijks meer meetelt in het internationale kunstdebat. Kunstenaars lopen hier teveel aan de leiband van de politiek en zijn niet eigengereid genoeg. Tentoonstellingsmakers hebben onvoldoende visie. De faam van het ooit zo vermaarde Stedelijk, alleen die aanduiding was al voldoende, is in rook opgegaan. Rutger Pontzen wijdde er een geruchtmakend artikel aan in de Volkskrant, ‘Het is dood tij in Nederland museumland’, waarin ook enkele Nederlandse curatoren en museumdirecteuren van repliek mochten dienen. Het verweer was dat het er in het buitenland niet beter voorstond. Inderdaad is er overal een zekere malaise in het kunstbedrijf te constateren. Wat denken de kunstenaars er eigenlijk van? Die zijn nauwelijks aan het woord gekomen. Loopt het allemaal zo´n vaart?
Het is niet nieuw dat kunstenaars niet zo positief tegenover de museumwereld staan. Zij klagen vanouds dat het museum achter de feiten aanloopt en onvoldoende bij de tijd is. Het belang van het Stedelijk in het verleden, onder Sandberg en zijn opvolgers De Wilde en Beeren, krijgt achteraf mythische proporties. Incidenteel zijn er zeker in Nederland een aantal toonaangevende tentoonstellingen georganiseerd: Cobra, Bewogen Beweging, Dylaby, Op losse schroeven, Sonsbeek buiten de perken. Voor een deel waren het de kunstenaars die met de ideeën aankwamen, terwijl het museum, dat gelegenheid had gegeven, met de eer ging strijken. Het is ontegenzeggelijk waar: er kon veel in Nederland. Ook buiten de musea, vonden er her en der, bijvoorbeeld in de Appel, memorabele gebeurtenissen plaats. Dat had misschien minder met progressiviteit dan met een gedoogmentaliteit te maken. Kunst moet, maar doet er ook niet zoveel toe. Het is iets marginaals. In de luwte van het gedogen kan de kunstenaar tot op zekere hoogte zijn gang gaan. Het grote massapubliek wordt er niet warm of koud van.

Beschermde kunst

Afgezien van deze constanten, is er echter meer aan de hand. De bureaucratisering neemt hand over hand toe. Managers krijgen het steeds meer voor het zeggen. Het profijtbeginsel domineert ook het tentoonstellingsbedrijf, dat kunst als een product probeert te slijten. De politiek, bij monde van minister Brinkman, beschouwde kunst al eerder als glijmiddel voor de economie. Het is waar, dat de kunstwereld zich in Nederland erg veel gelegen laat liggen aan de directieven van de politiek, die tenslotte de grootste geldschieter is. Wat dat betreft hebben kunstenaars in landen met minder overheidssteun het moeilijker, maar ze zijn ook onafhankelijker. Ook het kunstonderwijs laat zich in Nederland gewillig de les door de overheid lezen. Reorganisatie en fusering zijn aan de orde van de dag. Nadat eerst de vrijheid-blijheidfilosofie een nogal autistische, wereldvreemde mentaliteit gekweekt had, is nu verzakelijking de richtlijn. Dat levert helaas niet de eigengereide, tegendraadse kunstenaarspersoonlijkheden op, waar internationaal eer mee te behalen is. Die zijn overigens overal uitzonderingen. Misschien is het wel zo dat Nederland, de grote uitdagingen mist, die kunst nodig heeft. Het blijft hier Madurodam, ook nu Nederland dramatisch op zijn kop staat, omdat de grote wereld af en toe zijn tol eist. Laten we wel wezen, kunstenaars lopen hier statistisch nog altijd minder gevaar, dan in menig ander land in de wereld.
Daarom doet het nogal potsierlijk aan als Lucette ter Borg in Vrij Nederland, naar aanleiding van de moord op Theo Van Gogh, kunstenaars vraagt of ze bang zijn, onder de kop : ‘Kunnen we al spreken van een nieuwe beeldenstorm? Kruipen kunstenaars krimpend in hun schulp?’ Ook op academies schijnt het risico, om als kunstenaar naar buiten te komen in de tegenwoordige tijd, een hot issue te zijn. Gelukkig waren de meeste antwoorden van kunstenaars nogal relativerend. Erik van Lieshout roept met bravoure: ‘Joh, ik ben helemaal niet bang. In Nederland kan ik alles schilderen : negers aan het spit. ... vrouwen die stiekem blowen onder de burka.’ Big deal, want hij voegt er aan toe : ‘Marokkanen komen toch niet in het museum.’ Impliciet verraadt hij dat kunst in Nederland dus bijzonder vrijblijvend is, geen impact heeft buiten de eigen kring en alleen mogelijk is binnen de beschermde omgeving van de kunstwereld. In New York probeerde burgemeester Giuliani tenminste nog het Brooklyn Museum te sluiten toen de met olifantenpoep geschilderde madonna van Chris Ofili hem onwelgevallig was. Dat leverde een openbare strijd op, die in het voordeel van de vrijheid van de kunst beslecht werd.
In Nederland staat kunst zelden buiten zijn eigen reservaat ter discussie. Theo van Gogh had samen met Hirsi Ali de pretentie om ‘Submission’ buiten de beslotenheid van de arthouses te presenteren en liefst op El Jazheera de moslimdoelgroep onder de neus te duwen. Dat is hem duur komen te staan. Misschien moet een kunstenaar dat ook helemaal niet willen, dat zijn kunst een instrument wordt in de politiek. Schoenmaker blijf bij je leest.
Laten kunstenaars blij zijn met de beperkte autonomie die zij bezitten De kortzichtigheid die Marc Mulder in het zojuist verschenen boek ‘Verf’ zijn vakbroeders verwijt, is een verstandig verdedigingsmechanisme. Wanneer hij zegt: Nederlandse kunstenaars willen zo min mogelijk met de buitenwereld te maken hebben, ze willen alleen beelden maken met oogkleppen op, is dat onterecht. Kunstenaars doen er goed aan te beseffen dat buiten de kunst andere regels gelden. Daar wordt met scherp geschoten. Oog om oog en tand om tand. De kracht van de kunst is de verbeelding.

Franck Gribling

beeld:
One Installation, Arti et Amicitiae
Het begin van een nieuwe dag, Yvonne Lacet Weltschmerz, Arti et Amicitiae
< back