|
In de dagen van politieke en
artistieke vertwijfeling
De vinger aan de pols van de Nederlandse kunstwereld
Radeloos, reddeloos en redeloos. Wie zei dat ook weer in
barre tijden van weleer over het Nederlandse volk? Historisch besef is
niet onze sterkste kant. Gelukkig tracht men dat nu bij te spijkeren in
de media, met de verkiezing van Pim Fortuyn - of is het Willem van Oranje,
de Vader des Vaderlands? - tot grootste Nederlander aller tijden, zowaar
op de voet gevolgd door een kunstenaar, maar die heeft dan ook spectaculair
zijn oor afgesneden. Hoe dan ook, het zijn ook actuele woorden. Opnieuw
lijkt ons land bevangen door collectieve radeloosheid en redeloosheid.
Er is geen redden meer aan. Wat is er niet allemaal mis in onze samenleving
en afgeleid daarvan in de kunstwereld?
Onze
reputatie van verlicht gidsland, waar het goed toeven is, waar de kunsten
floreren en waar sex, drugs en rock and roll niet verboden zijn maar gedoogd,
kunnen we wel vergeten. De buren beginnen zich met een licht gevoel van
Schadenfreude, om maar eens een term van over de grens te gebruiken, te
verbazen, hoe het zo kon verkeren. Blijkbaar heeft het befaamde Poldermodel,
de cultuur van overleggen en gedogen, toch niet zo´n best resultaat
opgeleverd. Toen daarna, onder het mom van vrije meningsuiting, de zwijgende
meerderheid zijn mondje is gaan roeren was het hek van de dam. De vrijheid
van meningsuiting van de individuele kunstenaar is vervolgens nogal letterlijk
om zeep gebracht. Paradoxaal strijdt de verontwaardiging daarover nu met
de roep om de versterking van normen en waarden. Over welke waarden hebben
we het eigenlijk?
Altijd crisis
De vraag is of het er direct mee samenhangt, maar het hele kunstklimaat
zou niet meer zijn wat het geweest is. Dat wordt tenminste geroepen, eerst
in eigen kringen, maar nu ook vanuit het buitenland. Crisisgevoel alom.
Dat is overigens niet voor het eerst. Nederlanders hebben nu eenmaal een
aangeboren minderwaardigheidsgevoel ten opzichte van het buitenland, waar
alles veel beter en interessanter is. Bovendien, de beste stuurlui staan
altijd aan wal en zijn gewoonlijk somber over de praktijk, die niet voldoet
aan hun verwachtingen. Theoretici zijn geboren onheilsprofeten.
Hans Redeker, in zijn tijd gerespecteerd kunstcriticus en filosoof, die
beter uit zijn ogen had moeten kijken, schreef in de jaren vijftig van
de vorige eeuw, toen zich juist een ongekende vitaliteit in de jonge kunst
aandiende, het boek In de dagen der artistieke vertwijfeling.
Sindsdien is de kunst in het algemeen, of toch op zijn minst de schilderkunst,
zo niet dood dan toch periodiek in crisis verklaard. In het bijzonder
de Postmodernisten zagen het somber in. Crisis in eigen boezem of hoofd,
werd veelal geprojecteerd op kunst en kunstenaars. Denkers en makers zijn
elkaars natuurlijke tegenpolen.
Afgelopen jaar verscheen er nog zo´n boekje met essays over de crisis
in de kunst in Nederland, waarin onder andere Rutger Wolfson, directeur
van de Vleeshal in Middelburg, in navolging van Frans Haks, profeteert
dat het gedaan is met de autonome beeldende kunst, die het veld moet ruimen
voor design, mode en reclame. Pam Emmerik veegt in haar zeer lezenswaardige,
eerder in de NRC-Handelsblad gepubliceerde, Verhalen over Kunst.,
Het wonder werkt, de vloer aan met deze dogmatiek.
Zij schrijft : Keer op keer wordt van kunst een probleem gemaakt
over de ruggen van de kunstenaars heen. De ene keer is de schilderkunst
dood en de volgende keer ligt het museum weer op sterven. Hier geldt letterlijk
de een zijn dood is de ander zijn brood. Wijze woorden van een kunstenares,
die weet wat kunst maken is en die er oog voor heeft wanneer er zich een
beeldend wonder voltrekt, waar ze persoonlijk door geraakt wordt.
Kunst moet
Toch is er wel iets aan de hand in Nederland. Het is als met het weer,
er wordt veel over gespeculeerd, het is moeilijk te bewijzen, maar het
klimaat is aan het veranderen. Het is de vraag of dat voor een deel te
wijten is aan wereldwijde veranderingen. Als het elders regent, staan
wij in de drup. Maar misschien is het wel erger met ons gesteld omdat
we, levend onder zeeniveau, alleen beschermd door schamele dijken, nu
eenmaal kwetsbaar zijn. Er is niet altijd een Hans Brinker om ons te redden.
Die bestaat trouwens alleen in de fantasie van bewonderende Amerikanen.
Feit is dat de reputatie van Nederland als tolerant land, waar een kunstenaar
zich vrijelijk, ongecensureerd kan uiten, op de tocht staat. De musea,
maar ook de kunstenaars worden bovendien minder serieus genomen. Dat is
wel eens anders geweest, maar misschien is dat nostalgische zelfoverschatting.
Vroeger was niet alles beter.
Hoe het ook zij, een aantal gerenommeerde buitenlandse waarnemers, Harald
Szeemann, Kaspar König, Bart de Baere en Sans, schijnen onlangs verklaard
te hebben dat Nederland nauwelijks meer meetelt in het internationale
kunstdebat. Kunstenaars lopen hier teveel aan de leiband van de politiek
en zijn niet eigengereid genoeg. Tentoonstellingsmakers hebben onvoldoende
visie. De faam van het ooit zo vermaarde Stedelijk, alleen die aanduiding
was al voldoende, is in rook opgegaan. Rutger Pontzen wijdde er een geruchtmakend
artikel aan in de Volkskrant, Het is dood tij in Nederland museumland,
waarin ook enkele Nederlandse curatoren en museumdirecteuren van repliek
mochten dienen. Het verweer was dat het er in het buitenland niet beter
voorstond. Inderdaad is er overal een zekere malaise in het kunstbedrijf
te constateren. Wat denken de kunstenaars er eigenlijk van? Die zijn nauwelijks
aan het woord gekomen. Loopt het allemaal zo´n vaart?
Het is niet nieuw dat kunstenaars niet zo positief tegenover de museumwereld
staan. Zij klagen vanouds dat het museum achter de feiten aanloopt en
onvoldoende bij de tijd is. Het belang van het Stedelijk in het verleden,
onder Sandberg en zijn opvolgers De Wilde en Beeren, krijgt achteraf mythische
proporties. Incidenteel zijn er zeker in Nederland een aantal toonaangevende
tentoonstellingen georganiseerd: Cobra, Bewogen Beweging, Dylaby, Op losse
schroeven, Sonsbeek buiten de perken. Voor een deel waren het de kunstenaars
die met de ideeën aankwamen, terwijl het museum, dat gelegenheid
had gegeven, met de eer ging strijken. Het is ontegenzeggelijk waar: er
kon veel in Nederland. Ook buiten de musea, vonden er her en der, bijvoorbeeld
in de Appel, memorabele gebeurtenissen plaats. Dat had misschien minder
met progressiviteit dan met een gedoogmentaliteit te maken. Kunst moet,
maar doet er ook niet zoveel toe. Het is iets marginaals. In de luwte
van het gedogen kan de kunstenaar tot op zekere hoogte zijn gang gaan.
Het grote massapubliek wordt er niet warm of koud van.
Beschermde
kunst
Afgezien van deze constanten, is er echter meer aan de hand. De bureaucratisering
neemt hand over hand toe. Managers krijgen het steeds meer voor het zeggen.
Het profijtbeginsel domineert ook het tentoonstellingsbedrijf, dat kunst
als een product probeert te slijten. De politiek, bij monde van minister
Brinkman, beschouwde kunst al eerder als glijmiddel voor de economie.
Het is waar, dat de kunstwereld zich in Nederland erg veel gelegen laat
liggen aan de directieven van de politiek, die tenslotte de grootste geldschieter
is. Wat dat betreft hebben kunstenaars in landen met minder overheidssteun
het moeilijker, maar ze zijn ook onafhankelijker. Ook het kunstonderwijs
laat zich in Nederland gewillig de les door de overheid lezen. Reorganisatie
en fusering zijn aan de orde van de dag. Nadat eerst de vrijheid-blijheidfilosofie
een nogal autistische, wereldvreemde mentaliteit gekweekt had, is nu verzakelijking
de richtlijn. Dat levert helaas niet de eigengereide, tegendraadse kunstenaarspersoonlijkheden
op, waar internationaal eer mee te behalen is. Die zijn overigens overal
uitzonderingen. Misschien is het wel zo dat Nederland, de grote uitdagingen
mist, die kunst nodig heeft. Het blijft hier Madurodam, ook nu Nederland
dramatisch op zijn kop staat, omdat de grote wereld af en toe zijn tol
eist. Laten we wel wezen, kunstenaars lopen hier statistisch nog altijd
minder gevaar, dan in menig ander land in de wereld.
Daarom doet het nogal potsierlijk aan als Lucette ter Borg in Vrij Nederland,
naar aanleiding van de moord op Theo Van Gogh, kunstenaars vraagt of ze
bang zijn, onder de kop : Kunnen we al spreken van een nieuwe beeldenstorm?
Kruipen kunstenaars krimpend in hun schulp? Ook op academies schijnt
het risico, om als kunstenaar naar buiten te komen in de tegenwoordige
tijd, een hot issue te zijn. Gelukkig waren de meeste antwoorden van kunstenaars
nogal relativerend. Erik van Lieshout roept met bravoure: Joh, ik
ben helemaal niet bang. In Nederland kan ik alles schilderen : negers
aan het spit. ... vrouwen die stiekem blowen onder de burka. Big
deal, want hij voegt er aan toe : Marokkanen komen toch niet in
het museum. Impliciet verraadt hij dat kunst in Nederland dus bijzonder
vrijblijvend is, geen impact heeft buiten de eigen kring en alleen mogelijk
is binnen de beschermde omgeving van de kunstwereld. In New York probeerde
burgemeester Giuliani tenminste nog het Brooklyn Museum te sluiten toen
de met olifantenpoep geschilderde madonna van Chris Ofili hem onwelgevallig
was. Dat leverde een openbare strijd op, die in het voordeel van de vrijheid
van de kunst beslecht werd.
In Nederland staat kunst zelden buiten zijn eigen reservaat ter discussie.
Theo van Gogh had samen met Hirsi Ali de pretentie om Submission
buiten de beslotenheid van de arthouses te presenteren en liefst op El
Jazheera de moslimdoelgroep onder de neus te duwen. Dat is hem duur komen
te staan. Misschien moet een kunstenaar dat ook helemaal niet willen,
dat zijn kunst een instrument wordt in de politiek. Schoenmaker blijf
bij je leest.
Laten kunstenaars blij zijn met de beperkte autonomie die zij bezitten
De kortzichtigheid die Marc Mulder in het zojuist verschenen boek Verf
zijn vakbroeders verwijt, is een verstandig verdedigingsmechanisme. Wanneer
hij zegt: Nederlandse kunstenaars willen zo min mogelijk met de buitenwereld
te maken hebben, ze willen alleen beelden maken met oogkleppen op, is
dat onterecht. Kunstenaars doen er goed aan te beseffen dat buiten de
kunst andere regels gelden. Daar wordt met scherp geschoten. Oog om oog
en tand om tand. De kracht van de kunst is de verbeelding.
Franck Gribling
|