2004/8

De grote verbouwing van het kunstonderwijs

Nog steeds schrikt een ouder als dochterlief de wens te kennen geeft om naar de kunstacademie te gaan. Een kunstacademie is voor niet-ingewijden nog steeds een duistere plek waar aspirant-kunstenaars worden voorbereid op de kansloze praktijk van de kunst. Waar charismatische en hedonistische kunstenaars voornamelijk vanuit de kroeg onbegrijpelijk geniale orakeltaal neer laten dalen over studenten, die zonder lesrooster ronddwalen door vervallen, halflege schoolgebouwen. Ooit had dit een grond van waarheid, maar momenteel is niets minder waar dan deze karikatuur. De huidige kunstacademie is nu een gewone HBO met evenveel structuur als een HTS.


Terugblik
De periode 1945-1970 waren veel academies hoofdzakelijk gericht op het trainen van de 19e eeuwse waarden in de geest van ‘de natuur is de leermeester van de kunst’. Veel van de huidige kunstacademies heetten toen kunstnijverheidsscholen, waarin bijvoorbeeld een akte tot tekenleraar kon worden behaald. Het programma was niet gericht op het ontwikkelen van een herkenbare persoonlijke beeldende opvatting. Het onderwijs was noch student- noch docentgericht, maar vakgericht: het aanleren van kennis en vaardigheden volgens normen die niet ter discussie stonden. De docenten waren veelal vaklieden die er een vrij onopvallende beroepspraktijk op nahielden; de gemiddelde student studeerde af met anoniem vakwerk.
In Nederland begon de twintigste eeuw op deze scholen, net zoals in de politiek, pas in de zestiger jaren. Ateliers’63 startte als eerste met een geheel nieuwe benadering. Zij investeerden in talentvolle jonge kunstenaars die zich volledig wilden verhouden met de praktijk van de hedendaagse autonome kunst. Er waren geen werkklassen, maar ateliers waar iedere deelnemer (het woord ‘student’ mocht niet gebruikt worden) zelfstandig en afzonderlijk werkte en enkel sprak over het gemaakte werk met moderne, beroemde, charismatische en voornamelijk Nederlandse kunstenaars. De status en de visie van de begeleiders (het woord ‘docent’was idem taboe) en de wil van de deelnemer, geuit in het werk, stond centraal. Het was programmaloos en er was geen vast einddoel. In wezen was Ateliers ‘63 een logisch gevolg van het modern-westerse internationale kunstenaarschap dat einde 19e eeuw gestalte kreeg.
Tussen 1963 en 1995 werd dit model door alle academies overgenomen. Iedere academie kreeg hierdoor de kans zich inhoudelijk van elkaar te onderscheiden. De AKI Enschede ging het verst in het experimenteren en daar heerste in de jaren zeventig een vitale anarchie. Minerva Groningen zocht vooral vanuit de Schilderkunst naar een meer geleide programmatische invulling, waarin naar een combinatie van traditie en vernieuwing werd gezocht. De Rietveld werd een academie waarin veel kleine afdelingen ontstonden op persoonlijk initiatief van kunstdocenten, gebaseerd op een manifeste visie op de beeldende kunst. Geen van de academies legden zich vast in onderwijsprotocollen en vastgelegde studietrajecten met objectieve doelen. Er werd niets opgeschreven en alles was mondeling en persoonsgebonden. Zelfredzaamheid van de student en het individuele gesprek waren de centrale kenmerken. De docent kon alleen functioneren vanuit een krachtige visie vanuit een charismatische persoonlijkheid. Eenvoudige gezegd: lesgeven zoals Joseph Beuys dat deed. Dat niet iedereen dit kon, behoeft geen betoog.
Het onderwijs werkte als de praktijk: informeel vanuit de inhoud gebaseerd op visie en persoonlijke wil en gericht op vernieuwing. Het vijfjarig onderwijs was persoonsgebonden en ontwikkelingsgericht. Zij was gebaseerd op het modernisme met haar kenmerkende avant-garde en haar constante verlangen naar het genie, dat alles en iedereen kan overstijgen.

De sloop
Dat ook hier na zonneschijn regen komt, is niet zo verwonderlijk. De eerste oorzaak ligt niet binnen het vakgebied. Vanaf 1975 is er sprake van een constante bezuiniging op onderwijs. Dit veroorzaakte ook binnen het HBO-kunstonderwijs een efficiëntieslag. De arbeidsintensieve op de persoon gerichte aanpak en het ongestructureerde van deze informele onderwijsvorm werd te duur. In de jaren negentig startte ook de grote uniformering van het HBO-onderwijs. De bedoeling was dat een student tijdens zijn studie van school naar school kon hoppen als hij dat wilde. Net zoals bij de omroepen en in de winkelcentra moesten HBO-scholen overal het zelfde zijn. Het atypische kunstonderwijs moest zich aan deze typisch Nederlandse wens aanpassen.
Halverwege jaren negentig raakten de academies daardoor het vijfde studiejaar kwijt en nadien is het onderwijs nogmaals 30% financieel gekrompen, terwijl de aantallen studenten gelijk moesten blijven. Hierdoor zijn de meeste zelfstandige academies opgegaan in grote HBO-scholen en onderling gefuseerd. Daarbij is ongeveer 55% van de lescapaciteit ten opzichte van 1990 verloren gegaan. Concreet: een student in 1990 had gemiddeld 30 uren per week les; nu slechts maximaal 12. Alle leidinggevenden op de academie ontkennen met klem naar buiten toe dat dit enige invloed op de kwaliteit heeft gehad en sterker nog ze hebben de overheid het nog gemakkelijk gemaakt ook. Met ruimhartig gebruik van de mogelijkheid om acht jaar lang tijdelijke aanstellingen te verstrekken, vloeiden de lesuren ongehinderd weg uit de academie.
Tussen 1990 en nu is nooit enig noemenswaardige gemeenschappelijke discussie, laat staan actie geweest. Het is erger: in de strijd poogden de academies onderling elkaar zoveel mogelijk te beconcurreren. Het kunstonderwijs heeft deze bezuinigingen dan ook over zichzelf afgeroepen. Het gevolg is dat de kunstacademie een efficiënt geregisseerd onderwijsinstituut is geworden waarin heel soms nog een docent jonger is dan 50.
De bezuinigingen zijn dan wel een stuwende kracht geweest maar nog geen oorzaak van de veranderingen binnen het kunstonderwijs.

Nieuwe structuur
Als antwoord op het verlies van het vijfde studiejaar mocht van de overheid een beperkt aantal academies een vervolgopleiding aanbieden. Dit moesten dan kleinschalige studieplekken worden, waarin een selecte groep studenten onder luxueuzere omstandigheden konden werken onder begeleiding van wat nationaal beroemdere docenten. In 1994-1995 begonnen als experiment, is deze vervolgopleiding nu een volwassen onderdeel van de studie geworden en wordt de gewone kunstacademie nu gezien als inleidende fase.
Voor een succesvolle loopbaan is deze vervolgopleiding onmisbaar geworden en een diploma van een doorsnee eerste fase kunst-opleiding is nu nog minder waard geworden. Bekijk voor het bewijs hiervan de CV’s van exposanten van de jongste garde kunstenaars bij de toonaangevende galerieën. De onderwijskundige opzet van die nieuwe tweede fase opleidingen zijn gelijk aan die van Ateliers ‘63 of de Rijksacademie. (Echter zonder de uitzonderlijke hoge subsidies). De meest markante afwijking is het Frank Mohr Instituut Schilderkunst in Groningen. Daar is een intensief collegeprogramma in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen ontwikkeld en de student krijgt daardoor een stevige theoretische bijscholing.
Deze vervolgopleidingen kennen een strenge toelating, zodat slechts 5 á 10% van de eerste fase afgestudeerden door mogen studeren op een vervolgopleiding. Dat betekent dat ongeveer 90 á 95% van de afgestudeerden vanaf de start van het kunstenaarschap vrijwel kansloos zijn, ongeacht het werk dat ze maken. Echt vreemd daarbij is, dat het toelatingsexamen van de eerste fase er vooral op gericht is om de school financieel gezond te houden en dat pas bij de tweede fase een strenge selectie plaats vindt op basis van talent.
Deze vervolgopleidingen passen goed in de nu officieel landelijk ingevoerde Bachelor-Masterstructuur in het Nederlandse Hoger Onderwijs. Alle hogescholen en universiteiten zijn gebaseerd op het Angelsaksische systeem van een liefst driejarige Bacheloropleiding en een tweejarige Masteropleiding. Op zich is deze opzet het probleem niet, maar wat doe je met 90% kansloze Bachelorkunstenaars? Het probleem en het goede van de kunst is dat zij geen middelmaat wenst of zelfs wil onderkennen. Voor een Bachelorbioloog of dito bouwkundige zijn er nog wel maatschappelijke mogelijkheden echter niet voor een Bachelorkunstenaar. Deze opzet is troebel: de doelstellingen van een reguliere kunstacademie dus Bacheloropleiding verschillen niet van die van de vervolgopleiding ofwel Masters. Ze leiden officieel op voor een zelfde beroepspraktijk. Officieus niet, maar dat zet niemand in de prospectus.
De oudere instituten Ateliers ‘63, Rijksaca-demie en Jan van Eyck hebben duidelijk hun plaats niet gevonden (of genomen) binnen deze BA-MAstructuur. Immers, ze vinden van zichzelf dat ze geen opleidingen zijn. Gezien de huidige perikelen rond Ateliers ‘63 is het duidelijk dat de overheid daar anders over denkt en verkeert het succesvolste kunstinstituut van Nederland in nood. (Nu weer even uit de brand, maar vermoedelijk is het slechts uitstel. Het Sandberg- instituut- Masters Rietveld- hoopt op een spoedige sluiting. De aasgieren moeten nu echter nog twee jaren honger lijden.) Het is nog wachten op het moment waarop de kunstacademie haar 4e studiejaar kwijt gaat raken, maar zoals de geschiedenis leert: het heeft uiteraard geen enkele invloed op de kwaliteit.

Uniforme inhoud
De formele aanpassingen naar de BA-MAstructuur heeft voor de gewone kunstacademie grote onderwijsinhoudelijke gevolgen gehad. De academies zijn financieel uitgehold en moeten grote hoeveelheden studenten met relatief weinig lesuren op maat bedienen. Daarbij zijn zij duidelijk maatschappelijk gedegradeerd en hebben de Masteropleidingen hun positie overgenomen. Het onderwijsconcept waarin de student vanuit een persoonlijk standpunt zijn eigen beeldende waarden leert kennen en zichzelf beeldend leert uitdrukken zonder een op voorhand gedicteerd kader, is niet meer haalbaar voor een Bachelor en dit doel is enkel nog voor een Master weggelegd.
Dit besef begint nu langzaam door te dringen bij vooral de eerste fase. En in vrijwel alle academies staat de bekendste onderwijsvorm onder druk: het zelfstandig werken in een klein atelier op school en het persoonlijke gesprek met de docent. Klassikaal onderwijs in grote groepen is goedkoop en gemakkelijk en past beter binnen de organisatie van een Bacheloropleiding, waarin de studiepuntentabel, gebaseerd op kortlopende onderwijsmodules van acht weken, de norm is.
De ombouw naar dit model is al bezig en is niet eenvoudig, maar uiteindelijk zal de kunstacademie er net zo uit zien als een doorsnee HEAO. Anonieme docenten geven dan een strak vastgelegd onderwijsprogramma, dat sterk versnipperd is in allerlei kort lopende trajecten, waarin duidelijk is vastgelegd wat de student na afloop moet kunnen. (De zogenaamde competenties). Elke onderwijsactiviteit wordt apart afgerekend en alleen de overkoepelende studiecoach, ofwel Tutor heeft overzicht. Vergelijk het gerust met een autowasstraat. De student volgt volautomatisch in een heldere structuur zelfstandig een vastgelegde route (die hij desgewenst digitaal kan bijhouden) naar een duidelijk einddoel: een omschrijving van wat een beginnend kunstenaar moet kunnen. (In ministerietaal: de startkwalificaties die gelden voor een startende beroepsbeoefenaar in het gekozen profiel).
Duidelijk is dat voor dit systeem het hele onderwijs vastgelegd moet worden in controleerbare lesomschrijvingen en programma’s met studiepunten en waarderingen per onderdeel. Daarbij moet iedere werknemer zich conformeren aan de landelijke doelen die daarbij afgesproken zijn. Deze ombouw is verplicht voor alle academies. De overheid wil dat 75% van het onderwijsprogramma uniform is en dat 25% door de academie zelf ingevuld mag worden.

Competenties
Om dit mogelijk te maken heeft het ministerie een nieuw instrument bedacht. Het is een door de beroepsbeoefenaar zelf in commissies ontwikkelde competentiematrix, waarin is vastgelegd waaraan een startende beroepsbeoefenaar moet voldoen. Deze omschrijving is dwingend opgelegd aan het kunstonderwijs als zijnde de eindtermen van alle opleidingen. Dat opleggen klinkt drastisch, maar is het niet. Het kunstonderwijs heeft zelf meegeholpen aan deze omschrijvingen. Taak is nu om het onderwijs zo in te richten dat de examenstudent voldoet aan deze beroepsomschrijving.
Deze beroepsomschrijving voor een Beeldend kunstenaar & Vormgever bestaat uit 7 hoofdcompetenties en deze vormen de ruggengraat van het onderwijs.
Competentie 1 heet Creërend vermogen met als omschrijving: ‘de student maakt beeldend werk en concepten die voortkomen uit eigen idee en visie’. Dit is weer onderverdeeld in een viertal specifiekere subbeschrijvingen.
Competentie 2 heet: Vermogen tot kritische reflectie (‘de student kan het eigen werk en dat van anderen beschouwen en analyseren, duiden en beoordelen’).
Verdere competenties zijn 3 t/m 7: Vermogen tot groei en vernieuwing, Organiserend vermogen, Communicatief vermogen, Omgevingsgerichtheid, Vermogen tot samenwerking.
Allen zijn voorzien van een aantal ondercategorieën. Elke onderdeel van het onderwijs dient omschreven te worden en ingepast te worden in deze 7 competenties. Een academie mag niet besluiten om eigenhandig een competentie te schrappen. Wel mag ze binnen de 25% vrije ruimte een eigen accent leggen.
De afdeling Beeldende kunst van de Rietveld, bijvoorbeeld, is bijzonder goed toegerust op competentie 1, 2 en 3, maar slecht in competentie 4 t/m 7. Studenten werken daar nog zelfstandig in een atelier onder begeleiding van een hecht team docenten, dat gezamenlijk de verantwoordelijkheid draagt voor het onderwijs aan een jaargroep.Toch zijn ze nu gedwongen om meer tijd, geld en mankracht te besteden aan competentie 4 t/m 7 en zullen ze minder nadruk mogen leggen op 1 t/m 3.
Om te beginnen zijn ze gedwongen om elke onderwijsstap per vak per docent te beschrijven en uit te splitsen op deelcompetenties en dit te vertalen naar een controleerbaar systeem dat docent-onafhankelijk moet werken. Hiermee wordt een goedwerkende methodiek compleet overhoop gegooid. Het gaat nog verder: een academie biedt officieel geen vakdisciplines meer aan. Een kunstacademie kent slechts een viertal beroepsprofielen: Beeldende kunst, Communicatie, Ruimtelijk Ontwerp en Docentenopleiding. Een Beeldend kunstenaar studeert af in een beroepsprofiel, maar niet in een vak binnen een dergelijk profiel. Dus geen schilder, graficus etc. meer, maar neutraal als Beeldend kunstenaar. Officieus gebeurt het, gelukkig, nog wel, maar wat dat nog voorstelt is niet duidelijk.
Voor sommige academies vormt deze nieuwe opzet een dramatische breuk met haar verleden, voor anderen is het slechts het officieel maken van wat al gangbaar was. Voor de Rietveld, waarin haast nog nooit iets is opgeschreven en waar op samenwerking tussen afdelingen een taboe rust, moet het een ramp zijn. Terwijl het juist voor bijvoorbeeld Minerva Groningen een relatief kleinere ingreep is. Zij hebben veel ervaring met het geven en beschrijven van allerlei vakprogramma’s en er is een veel grotere collegialiteit tussen docenten onderling en tussen de afdelingen.
Nog twee jaren en dan moet dit allemaal tot en met het examen zijn ingevoerd en dan begint het pas: de controle. Ik ben benieuwd welke academie slaagt en welke sneuvelt. Eén ding is duidelijk: voor de ‘geniale’ eenzelvige student en voor de charismatische kunstenaar, die vanuit de eigen kunstpraktijk de geheimen van de kunst doorgeeft, is op de kunstacademie geen plaats meer.

Frank Lisser

beeld:
Uit de serie: Succesfully re-located, Willem van der Hulst Weltschmerz, Arti et Amicitiae
Uit de serie: Communism and cowgirls, Rob Hornstra Weltschmerz, Arti et Amicitiae
< back