|
De grote verbouwing van het kunstonderwijs
Nog steeds schrikt een ouder als dochterlief
de wens te kennen geeft om naar de kunstacademie te gaan. Een kunstacademie
is voor niet-ingewijden nog steeds een duistere plek waar aspirant-kunstenaars
worden voorbereid op de kansloze praktijk van de kunst. Waar charismatische
en hedonistische kunstenaars voornamelijk vanuit de kroeg onbegrijpelijk
geniale orakeltaal neer laten dalen over studenten, die zonder lesrooster
ronddwalen door vervallen, halflege schoolgebouwen. Ooit had dit een grond
van waarheid, maar momenteel is niets minder waar dan deze karikatuur.
De huidige kunstacademie is nu een gewone HBO met evenveel structuur als
een HTS.
Terugblik
De periode 1945-1970 waren veel academies hoofdzakelijk gericht op het
trainen van de 19e eeuwse waarden in de geest van de natuur is de
leermeester van de kunst. Veel van de huidige kunstacademies heetten
toen kunstnijverheidsscholen, waarin bijvoorbeeld een akte tot tekenleraar
kon worden behaald. Het programma was niet gericht op het ontwikkelen
van een herkenbare persoonlijke beeldende opvatting. Het onderwijs was
noch student- noch docentgericht, maar vakgericht: het aanleren van kennis
en vaardigheden volgens normen die niet ter discussie stonden. De docenten
waren veelal vaklieden die er een vrij onopvallende beroepspraktijk op
nahielden; de gemiddelde student studeerde af met anoniem vakwerk.
In Nederland begon de twintigste eeuw op deze scholen, net zoals in de
politiek, pas in de zestiger jaren. Ateliers63 startte als eerste
met een geheel nieuwe benadering. Zij investeerden in talentvolle jonge
kunstenaars die zich volledig wilden verhouden met de praktijk van de
hedendaagse autonome kunst. Er waren geen werkklassen, maar ateliers waar
iedere deelnemer (het woord student mocht niet gebruikt worden)
zelfstandig en afzonderlijk werkte en enkel sprak over het gemaakte werk
met moderne, beroemde, charismatische en voornamelijk Nederlandse kunstenaars.
De status en de visie van de begeleiders (het woord docentwas
idem taboe) en de wil van de deelnemer, geuit in het werk, stond centraal.
Het was programmaloos en er was geen vast einddoel. In wezen was Ateliers
63 een logisch gevolg van het modern-westerse internationale kunstenaarschap
dat einde 19e eeuw gestalte kreeg.
Tussen 1963 en 1995 werd dit model door alle academies overgenomen. Iedere
academie kreeg hierdoor de kans zich inhoudelijk van elkaar te onderscheiden.
De AKI Enschede ging het verst in het experimenteren en daar heerste in
de jaren zeventig een vitale anarchie. Minerva Groningen zocht vooral
vanuit de Schilderkunst naar een meer geleide programmatische invulling,
waarin naar een combinatie van traditie en vernieuwing werd gezocht. De
Rietveld werd een academie waarin veel kleine afdelingen ontstonden op
persoonlijk initiatief van kunstdocenten, gebaseerd op een manifeste visie
op de beeldende kunst. Geen van de academies legden zich vast in onderwijsprotocollen
en vastgelegde studietrajecten met objectieve doelen. Er werd niets opgeschreven
en alles was mondeling en persoonsgebonden. Zelfredzaamheid van de student
en het individuele gesprek waren de centrale kenmerken. De docent kon
alleen functioneren vanuit een krachtige visie vanuit een charismatische
persoonlijkheid. Eenvoudige gezegd: lesgeven zoals Joseph Beuys dat deed.
Dat niet iedereen dit kon, behoeft geen betoog.
Het onderwijs werkte als de praktijk: informeel vanuit de inhoud gebaseerd
op visie en persoonlijke wil en gericht op vernieuwing. Het vijfjarig
onderwijs was persoonsgebonden en ontwikkelingsgericht. Zij was gebaseerd
op het modernisme met haar kenmerkende avant-garde en haar constante verlangen
naar het genie, dat alles en iedereen kan overstijgen.
De sloop
Dat ook hier na zonneschijn regen komt, is niet zo verwonderlijk. De eerste
oorzaak ligt niet binnen het vakgebied. Vanaf 1975 is er sprake van een
constante bezuiniging op onderwijs. Dit veroorzaakte ook binnen het HBO-kunstonderwijs
een efficiëntieslag. De arbeidsintensieve op de persoon gerichte
aanpak en het ongestructureerde van deze informele onderwijsvorm werd
te duur. In de jaren negentig startte ook de grote uniformering van het
HBO-onderwijs. De bedoeling was dat een student tijdens zijn studie van
school naar school kon hoppen als hij dat wilde. Net zoals bij de omroepen
en in de winkelcentra moesten HBO-scholen overal het zelfde zijn. Het
atypische kunstonderwijs moest zich aan deze typisch Nederlandse wens
aanpassen.
Halverwege jaren negentig raakten de academies daardoor het vijfde studiejaar
kwijt en nadien is het onderwijs nogmaals 30% financieel gekrompen, terwijl
de aantallen studenten gelijk moesten blijven. Hierdoor zijn de meeste
zelfstandige academies opgegaan in grote HBO-scholen en onderling gefuseerd.
Daarbij is ongeveer 55% van de lescapaciteit ten opzichte van 1990 verloren
gegaan. Concreet: een student in 1990 had gemiddeld 30 uren per week les;
nu slechts maximaal 12. Alle leidinggevenden op de academie ontkennen
met klem naar buiten toe dat dit enige invloed op de kwaliteit heeft gehad
en sterker nog ze hebben de overheid het nog gemakkelijk gemaakt ook.
Met ruimhartig gebruik van de mogelijkheid om acht jaar lang tijdelijke
aanstellingen te verstrekken, vloeiden de lesuren ongehinderd weg uit
de academie.
Tussen 1990 en nu is nooit enig noemenswaardige gemeenschappelijke discussie,
laat staan actie geweest. Het is erger: in de strijd poogden de academies
onderling elkaar zoveel mogelijk te beconcurreren. Het kunstonderwijs
heeft deze bezuinigingen dan ook over zichzelf afgeroepen. Het gevolg
is dat de kunstacademie een efficiënt geregisseerd onderwijsinstituut
is geworden waarin heel soms nog een docent jonger is dan 50.
De bezuinigingen zijn dan wel een stuwende kracht geweest maar nog geen
oorzaak van de veranderingen binnen het kunstonderwijs.
Nieuwe structuur
Als antwoord op het verlies van het vijfde studiejaar mocht van de overheid
een beperkt aantal academies een vervolgopleiding aanbieden. Dit moesten
dan kleinschalige studieplekken worden, waarin een selecte groep studenten
onder luxueuzere omstandigheden konden werken onder begeleiding van wat
nationaal beroemdere docenten. In 1994-1995 begonnen als experiment, is
deze vervolgopleiding nu een volwassen onderdeel van de studie geworden
en wordt de gewone kunstacademie nu gezien als inleidende fase.
Voor een succesvolle loopbaan is deze vervolgopleiding onmisbaar geworden
en een diploma van een doorsnee eerste fase kunst-opleiding is nu nog
minder waard geworden. Bekijk voor het bewijs hiervan de CVs van
exposanten van de jongste garde kunstenaars bij de toonaangevende galerieën.
De onderwijskundige opzet van die nieuwe tweede fase opleidingen zijn
gelijk aan die van Ateliers 63 of de Rijksacademie. (Echter zonder
de uitzonderlijke hoge subsidies). De meest markante afwijking is het
Frank Mohr Instituut Schilderkunst in Groningen. Daar is een intensief
collegeprogramma in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen ontwikkeld
en de student krijgt daardoor een stevige theoretische bijscholing.
Deze vervolgopleidingen kennen een strenge toelating, zodat slechts 5
á 10% van de eerste fase afgestudeerden door mogen studeren op
een vervolgopleiding. Dat betekent dat ongeveer 90 á 95% van de
afgestudeerden vanaf de start van het kunstenaarschap vrijwel kansloos
zijn, ongeacht het werk dat ze maken. Echt vreemd daarbij is, dat het
toelatingsexamen van de eerste fase er vooral op gericht is om de school
financieel gezond te houden en dat pas bij de tweede fase een strenge
selectie plaats vindt op basis van talent.
Deze vervolgopleidingen passen goed in de nu officieel landelijk ingevoerde
Bachelor-Masterstructuur in het Nederlandse Hoger Onderwijs. Alle hogescholen
en universiteiten zijn gebaseerd op het Angelsaksische systeem van een
liefst driejarige Bacheloropleiding en een tweejarige Masteropleiding.
Op zich is deze opzet het probleem niet, maar wat doe je met 90% kansloze
Bachelorkunstenaars? Het probleem en het goede van de kunst is dat zij
geen middelmaat wenst of zelfs wil onderkennen. Voor een Bachelorbioloog
of dito bouwkundige zijn er nog wel maatschappelijke mogelijkheden echter
niet voor een Bachelorkunstenaar. Deze opzet is troebel: de doelstellingen
van een reguliere kunstacademie dus Bacheloropleiding verschillen niet
van die van de vervolgopleiding ofwel Masters. Ze leiden officieel op
voor een zelfde beroepspraktijk. Officieus niet, maar dat zet niemand
in de prospectus.
De oudere instituten Ateliers 63, Rijksaca-demie en Jan van Eyck
hebben duidelijk hun plaats niet gevonden (of genomen) binnen deze BA-MAstructuur.
Immers, ze vinden van zichzelf dat ze geen opleidingen zijn. Gezien de
huidige perikelen rond Ateliers 63 is het duidelijk dat de overheid
daar anders over denkt en verkeert het succesvolste kunstinstituut van
Nederland in nood. (Nu weer even uit de brand, maar vermoedelijk is het
slechts uitstel. Het Sandberg- instituut- Masters Rietveld- hoopt op een
spoedige sluiting. De aasgieren moeten nu echter nog twee jaren honger
lijden.) Het is nog wachten op het moment waarop de kunstacademie haar
4e studiejaar kwijt gaat raken, maar zoals de geschiedenis leert: het
heeft uiteraard geen enkele invloed op de kwaliteit.
Uniforme
inhoud
De formele aanpassingen naar de BA-MAstructuur heeft voor de gewone kunstacademie
grote onderwijsinhoudelijke gevolgen gehad. De academies zijn financieel
uitgehold en moeten grote hoeveelheden studenten met relatief weinig lesuren
op maat bedienen. Daarbij zijn zij duidelijk maatschappelijk gedegradeerd
en hebben de Masteropleidingen hun positie overgenomen. Het onderwijsconcept
waarin de student vanuit een persoonlijk standpunt zijn eigen beeldende
waarden leert kennen en zichzelf beeldend leert uitdrukken zonder een
op voorhand gedicteerd kader, is niet meer haalbaar voor een Bachelor
en dit doel is enkel nog voor een Master weggelegd.
Dit besef begint nu langzaam door te dringen bij vooral de eerste fase.
En in vrijwel alle academies staat de bekendste onderwijsvorm onder druk:
het zelfstandig werken in een klein atelier op school en het persoonlijke
gesprek met de docent. Klassikaal onderwijs in grote groepen is goedkoop
en gemakkelijk en past beter binnen de organisatie van een Bacheloropleiding,
waarin de studiepuntentabel, gebaseerd op kortlopende onderwijsmodules
van acht weken, de norm is.
De ombouw naar dit model is al bezig en is niet eenvoudig, maar uiteindelijk
zal de kunstacademie er net zo uit zien als een doorsnee HEAO. Anonieme
docenten geven dan een strak vastgelegd onderwijsprogramma, dat sterk
versnipperd is in allerlei kort lopende trajecten, waarin duidelijk is
vastgelegd wat de student na afloop moet kunnen. (De zogenaamde competenties).
Elke onderwijsactiviteit wordt apart afgerekend en alleen de overkoepelende
studiecoach, ofwel Tutor heeft overzicht. Vergelijk het gerust met een
autowasstraat. De student volgt volautomatisch in een heldere structuur
zelfstandig een vastgelegde route (die hij desgewenst digitaal kan bijhouden)
naar een duidelijk einddoel: een omschrijving van wat een beginnend kunstenaar
moet kunnen. (In ministerietaal: de startkwalificaties die gelden voor
een startende beroepsbeoefenaar in het gekozen profiel).
Duidelijk is dat voor dit systeem het hele onderwijs vastgelegd moet worden
in controleerbare lesomschrijvingen en programmas met studiepunten
en waarderingen per onderdeel. Daarbij moet iedere werknemer zich conformeren
aan de landelijke doelen die daarbij afgesproken zijn. Deze ombouw is
verplicht voor alle academies. De overheid wil dat 75% van het onderwijsprogramma
uniform is en dat 25% door de academie zelf ingevuld mag worden.
Competenties
Om dit mogelijk te maken heeft het ministerie een nieuw instrument bedacht.
Het is een door de beroepsbeoefenaar zelf in commissies ontwikkelde competentiematrix,
waarin is vastgelegd waaraan een startende beroepsbeoefenaar moet voldoen.
Deze omschrijving is dwingend opgelegd aan het kunstonderwijs als zijnde
de eindtermen van alle opleidingen. Dat opleggen klinkt drastisch, maar
is het niet. Het kunstonderwijs heeft zelf meegeholpen aan deze omschrijvingen.
Taak is nu om het onderwijs zo in te richten dat de examenstudent voldoet
aan deze beroepsomschrijving.
Deze beroepsomschrijving voor een Beeldend kunstenaar & Vormgever
bestaat uit 7 hoofdcompetenties en deze vormen de ruggengraat van het
onderwijs.
Competentie 1 heet Creërend vermogen met als omschrijving:
de student maakt beeldend werk en concepten die voortkomen uit eigen
idee en visie. Dit is weer onderverdeeld in een viertal specifiekere
subbeschrijvingen.
Competentie 2 heet: Vermogen tot kritische reflectie (de
student kan het eigen werk en dat van anderen beschouwen en analyseren,
duiden en beoordelen).
Verdere competenties zijn 3 t/m 7: Vermogen tot groei en vernieuwing,
Organiserend vermogen, Communicatief vermogen, Omgevingsgerichtheid,
Vermogen tot samenwerking.
Allen zijn voorzien van een aantal ondercategorieën. Elke onderdeel
van het onderwijs dient omschreven te worden en ingepast te worden in
deze 7 competenties. Een academie mag niet besluiten om eigenhandig een
competentie te schrappen. Wel mag ze binnen de 25% vrije ruimte een eigen
accent leggen.
De afdeling Beeldende kunst van de Rietveld, bijvoorbeeld, is bijzonder
goed toegerust op competentie 1, 2 en 3, maar slecht in competentie 4
t/m 7. Studenten werken daar nog zelfstandig in een atelier onder begeleiding
van een hecht team docenten, dat gezamenlijk de verantwoordelijkheid draagt
voor het onderwijs aan een jaargroep.Toch zijn ze nu gedwongen om meer
tijd, geld en mankracht te besteden aan competentie 4 t/m 7 en zullen
ze minder nadruk mogen leggen op 1 t/m 3.
Om te beginnen zijn ze gedwongen om elke onderwijsstap per vak per docent
te beschrijven en uit te splitsen op deelcompetenties en dit te vertalen
naar een controleerbaar systeem dat docent-onafhankelijk moet werken.
Hiermee wordt een goedwerkende methodiek compleet overhoop gegooid. Het
gaat nog verder: een academie biedt officieel geen vakdisciplines meer
aan. Een kunstacademie kent slechts een viertal beroepsprofielen: Beeldende
kunst, Communicatie, Ruimtelijk Ontwerp en Docentenopleiding. Een Beeldend
kunstenaar studeert af in een beroepsprofiel, maar niet in een vak binnen
een dergelijk profiel. Dus geen schilder, graficus etc. meer, maar neutraal
als Beeldend kunstenaar. Officieus gebeurt het, gelukkig, nog wel, maar
wat dat nog voorstelt is niet duidelijk.
Voor sommige academies vormt deze nieuwe opzet een dramatische breuk met
haar verleden, voor anderen is het slechts het officieel maken van wat
al gangbaar was. Voor de Rietveld, waarin haast nog nooit iets is opgeschreven
en waar op samenwerking tussen afdelingen een taboe rust, moet het een
ramp zijn. Terwijl het juist voor bijvoorbeeld Minerva Groningen een relatief
kleinere ingreep is. Zij hebben veel ervaring met het geven en beschrijven
van allerlei vakprogrammas en er is een veel grotere collegialiteit
tussen docenten onderling en tussen de afdelingen.
Nog twee jaren en dan moet dit allemaal tot en met het examen zijn ingevoerd
en dan begint het pas: de controle. Ik ben benieuwd welke academie slaagt
en welke sneuvelt. Eén ding is duidelijk: voor de geniale
eenzelvige student en voor de charismatische kunstenaar, die vanuit de
eigen kunstpraktijk de geheimen van de kunst doorgeeft, is op de kunstacademie
geen plaats meer.
Frank Lisser
|