2004/8

Moorden tegen Woorden
- woorden tegen moorden –

Op 2 november werd de filmmaker, columnist en journalist Theo van Gogh geliquideerd, toen hij ‘s ochtends van huis naar zijn werk fietste. Ik hoorde het een half uur na de moord, tijdens mijn eerste vergadering. Van vergaderen kwam niet veel, zoals alles die dag tot mislukken gedoemd was. ‘s Nachts ontving ik een e-mail van Snezana Bukal, de schrijfster uit voormalig Joegoslavië: ‘De hele dag heb ik zitten staren naar het televisiescherm. Honderden gedachten en diepe, ernstige emoties schoten door mijn lijf. Ik voel mij uitgeput en vooral: bedroefd, diep bedroefd. De aanslag op Theo van Gogh zie ik als een huiveringwekkend moment in de reeks van zorgwekkende incidenten en gebeurtenissen die de laatste paar jaar in dit land plaatsvonden. Waar is, Herman, dàt Amsterdam en dàt Nederland dat ik begin jaren negentig zo blind vertrouwde? Wat is er gebeurd?’

Tot zover Snezana Bukal. Ik heb de afgelopen weken, tot mijn grote vreugde, zo moet ik u in alle eerlijkheid bekennen, nauwelijks tijd gehad om ‘s avonds televisie te kijken. Niet-kijken voorkwam bij mij een algehele droefenis en verdoving, wat in het geheel niet wil zeggen, dat de liquidatie op Theo van Gogh mij onberoerd liet. Niet overweldigd door de complete mediagekte, kon ik nagaan wat er bij mijzelf opkwam. Twee specifieke gebeurtenissen drongen zich bij mij op: mei 1993, en oktober 1994.

Taal zonder grenzen
De gebeurtenis van oktober 1994 betrof Said Mekbel. Hij kwam in Amsterdam getuigen over de zevenentwintig collega’s, die in één jaar tijd waren vermoord. Hij legde uit waarom hij niet wilde wijken voor terreur. Niet tot zwijgen gebracht worden, hield voor Said Mekbel, hoofdredacteur van het Algerijnse dagblad ‘Le Matin’ in, dat hij dagelijks zijn column bleef publiceren. Met zijn foto erbij.
Said Mekbel leidde al twee jaar een zwervend bestaan. Hij verliet zijn door herdershonden bewaakte, gebarricadeerde huis langs steeds andere sluipwegen om naar het busje te gaan, waarin hij een mobiele werkruimte had ingericht. Er waren al twee moordaanslagen op hem gepleegd door de fundamentalisten. Zijn vrouw en kinderen hadden het land verlaten zonder afscheid van hem te kunnen nemen. Mekbel bleef. Hij koos bewust voor het risico journalist te zijn in, wat de fundamentalisten zien als het land van God.
Op zaterdag 3 december 1994 verscheen de laatste column van Said Mekbel. Die column was opgedragen aan een collega-journalist. Said Mekbel werd in een pizzeria tijdens zijn lunch door twee fundamentalistische moordenaars neergeschoten. Daardoor lijken zijn laatste woorden aan zich zelf gericht: ‘De dief die ‘s nachts langs de muren sluipt om naar huis te gaan, dat ben jij. Die man die zich voorneemt niet te sterven met een afgesneden keel, dat ben jij. Jij bent het die niets met zijn handen kan, niets anders dan je kleine stukjes schrijven. Een glimlach, een vriendelijk grapje voor iedereen, hier op de krant, dat ben jij. De man die met een lichte en subtiele pen zowel de kleine dagelijkse drama’s van de gewone mensen als de cruciale problemen van het land te lijf gaat, dat ben jij.’ Tot zover Said Mekbel.
De andere persoon die zich sinds de dag van de liquidatie op Theo van Gogh opdrong, was Nenad Pejic. Op 5 mei 1993 kwam deze programmadirecteur van Sarajevo televisie bij ons in Amsterdam, om te getuigen over de toenemende censuur en de inperking van professionele journalistiek. Hij vertelde voor welke problemen hij zich gesteld zag, naarmate de inrichting en programmering door etnische scheidslijnen werd gedicteerd. Voor iemand als Nenad Pejic, die de weg van zijn vak koos - de vrijheid van meningsuiting - werd de situatie steeds gevaarlijker.
Hij vertelde: ‘Mijn kinderen werden bedreigd. Telefoonnummers moesten worden veranderd en weer veranderd. Ik kon niet meer thuis blijven slapen, maar ook bij vrienden was ik niet veilig. Er werd een bom gegooid naar het balkon van het huis waar ik logeerde. Uiteindelijk bleef ik maar in het televisiegebouw slapen. Toen de Servische televisie een namenlijst uitzond met journalisten die moesten worden gedood, vertrok ik naar het buitenland.’

Taal van alle tijden
Het noodgedwongen vertrek van Senad Pejic en de moord op Said Mekbel zijn inmiddels verdrongen door nieuwe, recente gebeurtenissen. Wanneer iemand in gevaar komt, die ik ken of ontmoet heb, raakt mij dat persoonlijk meer. Dat was bijvoorbeeld het geval, toen ik op 28 mei 2004 hoorde van de aanslag op Ismael Zayer, eindredacteur van het Iraakse dagblad ‘Al Sabah Al Jedid’. Hij ontsnapte. Zijn chauffeur werd doodgeschoten. Door zijn ontsnapping voorkwam Ismael Zayer dat hij vermoord zou worden. Ik had Ismael Zayer in 1996 leren kennen in het kader van het door AIDA georganiseerde festival ‘Irak, een cultuur in ballingschap’. Hij opende voor AIDA de tentoonstelling van dit festival en schreef een essay voor de catalogus over de kwaliteit van de Iraakse beeldende kunst in ballingschap.
De ballingschap van Senad Pejic, de ontsnapping van Ismael Zayer, de moord op Said Mekbel, en nu dan recent, bij mij thuis om de hoek, de moord op Theo van Gogh, zijn voor mij de zichtbare voorbeelden, dat ‘vrijheid van meningsuiting’ voortdurend onder druk staat. Gelijktijdig zijn de verschillende aanslagen niet hetzelfde, hoe afschuwelijk, afschrikwekkend en te veroordelen de verschillende aanslagen op de genoemde personen ook zijn.
Door de moord op Theo van Gogh zijn ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘vrijheid van godsdienst’ de twee belangrijkste gespreksonderwerpen geworden. Toch is de moord nog geen directe aanslag op de vrijheid van meningsuiting zelf. De moord laat vooral zien, dat er iemand is opgestaan, of een groep, die gelooft dat het doden een manier van communiceren is. Daarentegen is Vrijheid van Meningsuiting of Artistieke Vrijheid de regeling, die bestaat tussen de staat en het individu binnen de staat. De vrijheid van meningsuiting is derhalve in het geding, wanneer de staat hier beperkingen in oplegt. Gelijktijdig staan in die landen, waar de artistieke vrijheid en vrijheid van meningsuiting aan banden wordt gelegd, mannen en vrouwen op die hun leven riskeren voor het vrije woord, omdat zij een bestaan zonder vrijheid van meningsuiting onleefbaar vinden. Zoals Said Mekbel, zoals Nenad Pesic.
Waarom moet je kunnen zeggen wat je wil, waarom bestaat vrijheid pas dan wanneer het woord vrij is? Aan welke grenzen zijn vrije meningen gebonden? Is vrijheid van expressie onlosmakelijk verbonden met democratie? Het zijn de vragen die sinds 2 november opnieuw hoog op de agenda staan. Maar hoe bespreek je deze belangrijke vragen?

Terroristen en tirannen
In Nederland lijkt de geest uit de fles. Meningen en opnies buitelen inmiddels drie weken 24 uur per dag over elkaar heen. Op het werk, tijdens het winkelen, in de kroeg, in de krant, op de televisie, in bed. Radio en televisie hebben dagenlang open microfoons op straat gezet, journalisten raadplegen op straat massaal de opinies in de volksbuurten. De ‘bekende’ Nederlandse intellectueel schreef een essay. De gewetensvolle burger kan elke avond een forum van andere samenstelling bezoeken. Hoewel ik mij stoor aan de hoeveelheid onzinnige beweringen, de overdaad zelf hoeft op zich geen grote schade aan te richten, tenslotte zijn het maar ‘vrije meningen’.
Gevaarlijk vond ik het worden, toen vooraanstaande politici uitriepen, dat ‘de oorlog tegen het terrorisme nu ook in Nederland begonnen is’. De dag erop stonden op verschillende plaatsen in Nederland moskees in brand. Dat verbaast mij niets. Hebben dezelfde politici de afgelopen jaren niet stelselmatig benadrukt, dat er een grens gesteld moet worden aan onze tolerantie? Zijn zij niet degenen die de meerderheid van de bevolking de stereotype van de vreemdeling hebben geleverd: allochtoon staat gelijk aan moslim staat gelijk aan terrorisme? Waren zij niet degenen die vonden, dat Nederland zijn grenzen kan sluiten voor terrorisme, wanneer het land vluchtelingen uitsluit?
De brandstichters van de moskees voelden zich ongetwijfeld gesteund door de stoere taal van hun regeringsleiders. Zij waanden zich degenen die daadwerkelijk een halt toeriepen aan het ‘terrorisme van de moslims’. Heette de bestrijding van kwaad in oorlogstijd niet een nationale plicht, een daad van verzet? Schreef een van de grootste Nederlandse verzetshelden in de Tweede Wereldoorlog, Henk van Randwijk, niet de dichtregels, die tot in lengte van dagen bij herdenkingen voorgedragen zal worden:
een volk dat voor tirannen zwicht
zal meer dan lijf en goed verliezen
dan dooft het licht…..

Nederland is in verwarring. De autochtoon kent het verschil niet meer tussen terroristen en tirannen. De Iraanse vluchteling vraagt zich vertwijfeld af, waarvoor hij uit Teheran gevlucht is, nu hij het gevaar loopt om in het land waar hij zich veilig waande, door dezelfde fanaten van het leven beroofd te worden. Zijn er voldoende islamitische intelligentsia, die hun stem verheffen tegen de fanaten onder hen? Zijn er voldoende autochtonen en allochtonen, die elkaar opzoeken? Zijn er voldoende woorden tegen moorden?

Herman Divendal is coördinator van AIDA Nederland
www.aidainternational.nl

beeld: ‘Kippen vangen’ Senad Alic, Van Azerbeidjan tot Stadskanaal, Arti et Amicitiae
< back