|
Moorden tegen Woorden
- woorden tegen moorden
Op 2 november werd de filmmaker, columnist en
journalist Theo van Gogh geliquideerd, toen hij s ochtends van huis
naar zijn werk fietste. Ik hoorde het een half uur na de moord, tijdens
mijn eerste vergadering. Van vergaderen kwam niet veel, zoals alles die
dag tot mislukken gedoemd was. s Nachts ontving ik een e-mail van
Snezana Bukal, de schrijfster uit voormalig Joegoslavië: De
hele dag heb ik zitten staren naar het televisiescherm. Honderden gedachten
en diepe, ernstige emoties schoten door mijn lijf. Ik voel mij uitgeput
en vooral: bedroefd, diep bedroefd. De aanslag op Theo van Gogh zie ik
als een huiveringwekkend moment in de reeks van zorgwekkende incidenten
en gebeurtenissen die de laatste paar jaar in dit land plaatsvonden. Waar
is, Herman, dàt Amsterdam en dàt Nederland dat ik begin
jaren negentig zo blind vertrouwde? Wat is er gebeurd?
Tot zover Snezana Bukal. Ik heb de afgelopen weken, tot mijn grote vreugde,
zo moet ik u in alle eerlijkheid bekennen, nauwelijks tijd gehad om s
avonds televisie te kijken. Niet-kijken voorkwam bij mij een algehele
droefenis en verdoving, wat in het geheel niet wil zeggen, dat de liquidatie
op Theo van Gogh mij onberoerd liet. Niet overweldigd door de complete
mediagekte, kon ik nagaan wat er bij mijzelf opkwam. Twee specifieke gebeurtenissen
drongen zich bij mij op: mei 1993, en oktober 1994.
Taal
zonder grenzen
De gebeurtenis van oktober 1994 betrof Said Mekbel. Hij kwam in Amsterdam
getuigen over de zevenentwintig collegas, die in één
jaar tijd waren vermoord. Hij legde uit waarom hij niet wilde wijken voor
terreur. Niet tot zwijgen gebracht worden, hield voor Said Mekbel, hoofdredacteur
van het Algerijnse dagblad Le Matin in, dat hij dagelijks
zijn column bleef publiceren. Met zijn foto erbij.
Said Mekbel leidde al twee jaar een zwervend bestaan. Hij verliet zijn
door herdershonden bewaakte, gebarricadeerde huis langs steeds andere
sluipwegen om naar het busje te gaan, waarin hij een mobiele werkruimte
had ingericht. Er waren al twee moordaanslagen op hem gepleegd door de
fundamentalisten. Zijn vrouw en kinderen hadden het land verlaten zonder
afscheid van hem te kunnen nemen. Mekbel bleef. Hij koos bewust voor het
risico journalist te zijn in, wat de fundamentalisten zien als het land
van God.
Op zaterdag 3 december 1994 verscheen de laatste column van Said Mekbel.
Die column was opgedragen aan een collega-journalist. Said Mekbel werd
in een pizzeria tijdens zijn lunch door twee fundamentalistische moordenaars
neergeschoten. Daardoor lijken zijn laatste woorden aan zich zelf gericht:
De dief die s nachts langs de muren sluipt om naar huis te
gaan, dat ben jij. Die man die zich voorneemt niet te sterven met een
afgesneden keel, dat ben jij. Jij bent het die niets met zijn handen kan,
niets anders dan je kleine stukjes schrijven. Een glimlach, een vriendelijk
grapje voor iedereen, hier op de krant, dat ben jij. De man die met een
lichte en subtiele pen zowel de kleine dagelijkse dramas van de
gewone mensen als de cruciale problemen van het land te lijf gaat, dat
ben jij. Tot zover Said Mekbel.
De andere persoon die zich sinds de dag van de liquidatie op Theo van
Gogh opdrong, was Nenad Pejic. Op 5 mei 1993 kwam deze programmadirecteur
van Sarajevo televisie bij ons in Amsterdam, om te getuigen over de toenemende
censuur en de inperking van professionele journalistiek. Hij vertelde
voor welke problemen hij zich gesteld zag, naarmate de inrichting en programmering
door etnische scheidslijnen werd gedicteerd. Voor iemand als Nenad Pejic,
die de weg van zijn vak koos - de vrijheid van meningsuiting - werd de
situatie steeds gevaarlijker.
Hij vertelde: Mijn kinderen werden bedreigd. Telefoonnummers moesten
worden veranderd en weer veranderd. Ik kon niet meer thuis blijven slapen,
maar ook bij vrienden was ik niet veilig. Er werd een bom gegooid naar
het balkon van het huis waar ik logeerde. Uiteindelijk bleef ik maar in
het televisiegebouw slapen. Toen de Servische televisie een namenlijst
uitzond met journalisten die moesten worden gedood, vertrok ik naar het
buitenland.
Taal van alle tijden
Het noodgedwongen vertrek van Senad Pejic en de moord op Said Mekbel zijn
inmiddels verdrongen door nieuwe, recente gebeurtenissen. Wanneer iemand
in gevaar komt, die ik ken of ontmoet heb, raakt mij dat persoonlijk meer.
Dat was bijvoorbeeld het geval, toen ik op 28 mei 2004 hoorde van de aanslag
op Ismael Zayer, eindredacteur van het Iraakse dagblad Al Sabah
Al Jedid. Hij ontsnapte. Zijn chauffeur werd doodgeschoten. Door
zijn ontsnapping voorkwam Ismael Zayer dat hij vermoord zou worden. Ik
had Ismael Zayer in 1996 leren kennen in het kader van het door AIDA georganiseerde
festival Irak, een cultuur in ballingschap. Hij opende voor
AIDA de tentoonstelling van dit festival en schreef een essay voor de
catalogus over de kwaliteit van de Iraakse beeldende kunst in ballingschap.
De ballingschap van Senad Pejic, de ontsnapping van Ismael Zayer, de moord
op Said Mekbel, en nu dan recent, bij mij thuis om de hoek, de moord op
Theo van Gogh, zijn voor mij de zichtbare voorbeelden, dat vrijheid
van meningsuiting voortdurend onder druk staat. Gelijktijdig zijn
de verschillende aanslagen niet hetzelfde, hoe afschuwelijk, afschrikwekkend
en te veroordelen de verschillende aanslagen op de genoemde personen ook
zijn.
Door de moord op Theo van Gogh zijn vrijheid van meningsuiting
en vrijheid van godsdienst de twee belangrijkste gespreksonderwerpen
geworden. Toch is de moord nog geen directe aanslag op de vrijheid van
meningsuiting zelf. De moord laat vooral zien, dat er iemand is opgestaan,
of een groep, die gelooft dat het doden een manier van communiceren is.
Daarentegen is Vrijheid van Meningsuiting of Artistieke Vrijheid de regeling,
die bestaat tussen de staat en het individu binnen de staat. De vrijheid
van meningsuiting is derhalve in het geding, wanneer de staat hier beperkingen
in oplegt. Gelijktijdig staan in die landen, waar de artistieke vrijheid
en vrijheid van meningsuiting aan banden wordt gelegd, mannen en vrouwen
op die hun leven riskeren voor het vrije woord, omdat zij een bestaan
zonder vrijheid van meningsuiting onleefbaar vinden. Zoals Said Mekbel,
zoals Nenad Pesic.
Waarom moet je kunnen zeggen wat je wil, waarom bestaat vrijheid pas dan
wanneer het woord vrij is? Aan welke grenzen zijn vrije meningen gebonden?
Is vrijheid van expressie onlosmakelijk verbonden met democratie? Het
zijn de vragen die sinds 2 november opnieuw hoog op de agenda staan. Maar
hoe bespreek je deze belangrijke vragen?
Terroristen en tirannen
In Nederland lijkt de geest uit de fles. Meningen en opnies buitelen inmiddels
drie weken 24 uur per dag over elkaar heen. Op het werk, tijdens het winkelen,
in de kroeg, in de krant, op de televisie, in bed. Radio en televisie
hebben dagenlang open microfoons op straat gezet, journalisten raadplegen
op straat massaal de opinies in de volksbuurten. De bekende
Nederlandse intellectueel schreef een essay. De gewetensvolle burger kan
elke avond een forum van andere samenstelling bezoeken. Hoewel ik mij
stoor aan de hoeveelheid onzinnige beweringen, de overdaad zelf hoeft
op zich geen grote schade aan te richten, tenslotte zijn het maar vrije
meningen.
Gevaarlijk vond ik het worden, toen vooraanstaande politici uitriepen,
dat de oorlog tegen het terrorisme nu ook in Nederland begonnen
is. De dag erop stonden op verschillende plaatsen in Nederland moskees
in brand. Dat verbaast mij niets. Hebben dezelfde politici de afgelopen
jaren niet stelselmatig benadrukt, dat er een grens gesteld moet worden
aan onze tolerantie? Zijn zij niet degenen die de meerderheid van de bevolking
de stereotype van de vreemdeling hebben geleverd: allochtoon staat gelijk
aan moslim staat gelijk aan terrorisme? Waren zij niet degenen die vonden,
dat Nederland zijn grenzen kan sluiten voor terrorisme, wanneer het land
vluchtelingen uitsluit?
De brandstichters van de moskees voelden zich ongetwijfeld gesteund door
de stoere taal van hun regeringsleiders. Zij waanden zich degenen die
daadwerkelijk een halt toeriepen aan het terrorisme van de moslims.
Heette de bestrijding van kwaad in oorlogstijd niet een nationale plicht,
een daad van verzet? Schreef een van de grootste Nederlandse verzetshelden
in de Tweede Wereldoorlog, Henk van Randwijk, niet de dichtregels, die
tot in lengte van dagen bij herdenkingen voorgedragen zal worden:
een volk dat voor tirannen zwicht
zal meer dan lijf en goed verliezen
dan dooft het licht
..
Nederland is in verwarring. De autochtoon kent het verschil niet meer
tussen terroristen en tirannen. De Iraanse vluchteling vraagt zich vertwijfeld
af, waarvoor hij uit Teheran gevlucht is, nu hij het gevaar loopt om in
het land waar hij zich veilig waande, door dezelfde fanaten van het leven
beroofd te worden. Zijn er voldoende islamitische intelligentsia, die
hun stem verheffen tegen de fanaten onder hen? Zijn er voldoende autochtonen
en allochtonen, die elkaar opzoeken? Zijn er voldoende woorden tegen moorden?
Herman Divendal is coördinator van AIDA Nederland
www.aidainternational.nl
|