2004/8

Het potentieel van de wanhoop

De Nederlandse musea voor eigentijdse kunst doen het momenteel niet goed. Alhoewel bijna iedereen het hierover eens schijnt te zijn, is volstrekt onduidelijk wat er precies aan mankeert. Er wordt ze verweten dat ze niet met hun tijd meegaan, de nieuwe mediacultuur links laten liggen, maar tegelijk krijgen ze te horen dat ze veel te hijgerig een publieksbereik najagen, dat ze reduceert tot quasi-culturele pretparken. Kortom, reden genoeg voor grote wanhoop.

Nieuwbouw, uitbreiding en megatentoonstellingen zijn de middelen waarmee de internationale museumwereld zichzelf op de kaart houdt. Maar dit Bilbao-Moma-model is voor Nederland niet weggelegd. Hoe feestelijk het Groninger museum ook is, tegen het Guggenheim-Bilbao steekt het magertjes af, en in de periode dat het Stedelijk Museum in Amsterdam eenmaal ingrijpend wordt verbouwd, is het Moma al drie keer grondig herzien. De beperkte schaal is het lot van onze musea, maar dat hoeft geen probleem te zijn. De vlucht naar voren die de internationale musea hebben genomen, biedt alleen de garantie van tijdelijk succes, maar vereist uiteindelijk een zeer onrustige staat van permanente verandering om de suggestie van bijzonderheid in stand te houden.

Maar zelfs wanneer men zich tevreden stelt met beperkte groei, is nog niet duidelijk welk uitgangspunt daarbij moet worden gehanteerd. Een veel groter probleem is het gebrek aan legitimiteit waarmee de musea lijken te kampen. Wat ze waren, is niet meer goed genoeg De erkenning die ze jaren lang vrij vanzelfsprekend kregen, is ze ontvallen. Dat kan het gevolg zijn van een geleidelijke, maar desastreuze achteruitgang van het beleid, dat de musea de afgelopen jaren gevoerd hebben, een soort collectieve midlife-crisis, maar het kan ook komen doordat onze verwachtingen ten aanzien van het museum zijn veranderd. Het museum is min of meer hetzelfde gebleven, maar ons perspectief is verschoven. Alles wat het museum voorheen te bieden had, is tegenwoordig elders in overdaad aanwezig, maar met die verplaatsing is het kader ingrijpend gewijzigd.
Als kwaliteit ooit het criterium was, dan is ‘leuk’ tegenwoordig het criterium voor kwaliteit, en als schaamteloosheid en integriteit elkaar in het museum ooit in wankel evenwicht hielden, dan is de exhibtionering van schaamteloosheid als integriteit, die de massamedia ons dagelijks voorschotelen, een opbod dat het museum maar moeilijk kan overtreffen. Het ontregelende is regel geworden, het bijzondere een slogan voor alledaags gebruik. Alleen het onbegrijpelijke lijkt zich nog aan deze verschuiving te kunnen onttrekken, maar juist daarop kan het museum zich niet meer beroepen. Het bolwerk van onbegrijpelijkheid waarin de hoge cultuur zich kon verschansen tegen massacultuur is al lang geslecht. Wie niet begrepen wordt, heeft tegenwoordig simpelweg niets te melden.

Het verlies van de vanzelfsprekende superioriteit van de hoge cultuur is geen reden voor nostalgie. Het bolwerk is voor een groot deel door de kunst zelf gesloopt, omdat zij de aanval op overgeleverde zekerheden als een van haar belangrijkste taken beschouwt. Alleen in relatie tot massacultuur kan kunst haar specifieke karakter duidelijk maken, die strijd moet zij leveren om een nieuwe legitimering te verwerven. En daarin kan het museum een grote rol spelen. Juist omdat het niet meer blind kan varen op wat het ooit te bieden had, terwijl het zich tegelijk ook wil blijven onderscheiden van andere krachtcentrales, die de belevingseconomie draaiende houden, moet het museum zich bezinnen op het belang, het bijzondere en de zeggingskracht van kunst. De confrontatie met massamedia en popularisering is onvermijdelijk, maar dat betekent geen klakkeloze overgave.
Wanhoop is een goed begin. Het museum wordt op zichzelf teruggeworpen en moet zichzelf aan een kritisch onderzoek onderwerpen. Daarbij gaat het niet om de afgezaagde vraag of de collectie historisch dan wel thematisch getoond moet worden. De vraag welke geschiedenis en welke thema’s te zien zullen zijn, is veel belangrijker. Ook het fenomeen van de tentoonstelling moet opnieuw onder de loep worden genomen. In het afgelopen decennium lijken biënnales de taak om de meest recente trends en tendensen te signaleren grotendeels van het museum te hebben overgenomen. Het zijn evenementen met een schaal en een publiciteit, waarmee musea niet kunnen concurreren. Tegelijk blijven ze echter steken in een model, dat ruimte biedt voor afwijking. Wanneer de biënnales vooral kiezen voor een grote groep jonge kunstenaars gecombineerd met een aantal grote namen, in een poging de actualiteit te vangen, dan kan het museum bijvoorbeeld de nadruk leggen op de enkeling of op het recente verleden, om daarmee nadrukkelijk te wijzen op het haastige en geheugenloze van de eigentijdse kunstindustrie.

De toestand van de Nederlandse musea is verre van hopeloos. Maar het is wel hoog tijd voor een zeer actieve, kritische zelfreflectie. In dat licht is het treurig om te constateren dat bij het symposium Museum in Motion? een aantal weken geleden de Nederlandse conservatoren massaal afwezig waren. Dat getuigt niet van productieve wanhoop, maar van funest fatalisme.

Jeroen Boomgaard

Jeroen Boomgaard is lector Kunst en Publieke Ruimte aan de Gerrit Rietveld Academie/Universiteit van Amsterdam en
publiceert regelmatig in de Witte Raaf

beeld: Tourism, Harm van den Berg, foto Harm van den Berg, Releases, Arti et Amicitiae
< back