|
Het potentieel van de wanhoop
De Nederlandse musea voor eigentijdse kunst doen het momenteel niet
goed. Alhoewel bijna iedereen het hierover eens schijnt te zijn, is volstrekt
onduidelijk wat er precies aan mankeert. Er wordt ze verweten dat ze niet
met hun tijd meegaan, de nieuwe mediacultuur links laten liggen, maar
tegelijk krijgen ze te horen dat ze veel te hijgerig een publieksbereik
najagen, dat ze reduceert tot quasi-culturele pretparken. Kortom, reden
genoeg voor grote wanhoop.
Nieuwbouw,
uitbreiding en megatentoonstellingen zijn de middelen waarmee de internationale
museumwereld zichzelf op de kaart houdt. Maar dit Bilbao-Moma-model is
voor Nederland niet weggelegd. Hoe feestelijk het Groninger museum ook
is, tegen het Guggenheim-Bilbao steekt het magertjes af, en in de periode
dat het Stedelijk Museum in Amsterdam eenmaal ingrijpend wordt verbouwd,
is het Moma al drie keer grondig herzien. De beperkte schaal is het lot
van onze musea, maar dat hoeft geen probleem te zijn. De vlucht naar voren
die de internationale musea hebben genomen, biedt alleen de garantie van
tijdelijk succes, maar vereist uiteindelijk een zeer onrustige staat van
permanente verandering om de suggestie van bijzonderheid in stand te houden.
Maar zelfs wanneer men zich tevreden stelt met beperkte groei, is nog
niet duidelijk welk uitgangspunt daarbij moet worden gehanteerd. Een veel
groter probleem is het gebrek aan legitimiteit waarmee de musea lijken
te kampen. Wat ze waren, is niet meer goed genoeg De erkenning die ze
jaren lang vrij vanzelfsprekend kregen, is ze ontvallen. Dat kan het gevolg
zijn van een geleidelijke, maar desastreuze achteruitgang van het beleid,
dat de musea de afgelopen jaren gevoerd hebben, een soort collectieve
midlife-crisis, maar het kan ook komen doordat onze verwachtingen ten
aanzien van het museum zijn veranderd. Het museum is min of meer hetzelfde
gebleven, maar ons perspectief is verschoven. Alles wat het museum voorheen
te bieden had, is tegenwoordig elders in overdaad aanwezig, maar met die
verplaatsing is het kader ingrijpend gewijzigd.
Als kwaliteit ooit het criterium was, dan is leuk tegenwoordig
het criterium voor kwaliteit, en als schaamteloosheid en integriteit elkaar
in het museum ooit in wankel evenwicht hielden, dan is de exhibtionering
van schaamteloosheid als integriteit, die de massamedia ons dagelijks
voorschotelen, een opbod dat het museum maar moeilijk kan overtreffen.
Het ontregelende is regel geworden, het bijzondere een slogan voor alledaags
gebruik. Alleen het onbegrijpelijke lijkt zich nog aan deze verschuiving
te kunnen onttrekken, maar juist daarop kan het museum zich niet meer
beroepen. Het bolwerk van onbegrijpelijkheid waarin de hoge cultuur zich
kon verschansen tegen massacultuur is al lang geslecht. Wie niet begrepen
wordt, heeft tegenwoordig simpelweg niets te melden.
Het verlies van de vanzelfsprekende superioriteit van de hoge cultuur
is geen reden voor nostalgie. Het bolwerk is voor een groot deel door
de kunst zelf gesloopt, omdat zij de aanval op overgeleverde zekerheden
als een van haar belangrijkste taken beschouwt. Alleen in relatie tot
massacultuur kan kunst haar specifieke karakter duidelijk maken, die strijd
moet zij leveren om een nieuwe legitimering te verwerven. En daarin kan
het museum een grote rol spelen. Juist omdat het niet meer blind kan varen
op wat het ooit te bieden had, terwijl het zich tegelijk ook wil blijven
onderscheiden van andere krachtcentrales, die de belevingseconomie draaiende
houden, moet het museum zich bezinnen op het belang, het bijzondere en
de zeggingskracht van kunst. De confrontatie met massamedia en popularisering
is onvermijdelijk, maar dat betekent geen klakkeloze overgave.
Wanhoop is een goed begin. Het museum wordt op zichzelf teruggeworpen
en moet zichzelf aan een kritisch onderzoek onderwerpen. Daarbij gaat
het niet om de afgezaagde vraag of de collectie historisch dan wel thematisch
getoond moet worden. De vraag welke geschiedenis en welke themas
te zien zullen zijn, is veel belangrijker. Ook het fenomeen van de tentoonstelling
moet opnieuw onder de loep worden genomen. In het afgelopen decennium
lijken biënnales de taak om de meest recente trends en tendensen
te signaleren grotendeels van het museum te hebben overgenomen. Het zijn
evenementen met een schaal en een publiciteit, waarmee musea niet kunnen
concurreren. Tegelijk blijven ze echter steken in een model, dat ruimte
biedt voor afwijking. Wanneer de biënnales vooral kiezen voor een
grote groep jonge kunstenaars gecombineerd met een aantal grote namen,
in een poging de actualiteit te vangen, dan kan het museum bijvoorbeeld
de nadruk leggen op de enkeling of op het recente verleden, om daarmee
nadrukkelijk te wijzen op het haastige en geheugenloze van de eigentijdse
kunstindustrie.
De toestand van de Nederlandse musea is verre van hopeloos. Maar het is
wel hoog tijd voor een zeer actieve, kritische zelfreflectie. In dat licht
is het treurig om te constateren dat bij het symposium Museum in Motion?
een aantal weken geleden de Nederlandse conservatoren massaal afwezig
waren. Dat getuigt niet van productieve wanhoop, maar van funest fatalisme.
Jeroen Boomgaard
Jeroen Boomgaard is lector Kunst en Publieke Ruimte aan de Gerrit Rietveld
Academie/Universiteit van Amsterdam en
publiceert regelmatig in de Witte Raaf
|