2004/8

Zonder verbazing geen verbetering

Het gezeur in Nederland om aandacht en applaus binnen de internatonale hedendaagse beeldende kunst is nu zo’n decennium aan de gang. Soms piepelt een polderkunstenaar de internationale markt, en daar wordt in ons apetrotse landje gigantisch veel ophef over gemaakt. Als reactie hierop wordt er gewikt en gewogen, de interne kunstenaars worden opnieuw geballoteerd en tientallen worden afgeschreven. Hierbij moet ik opmerken dat in Nederland iedereen zich beeldend kunstenaar kan noemen. Niet zoals bijvoorbeeld in Frankrijk is hier sprake van divisies. De artisan kan naar hartelust pottenbakken, naschilderen en –beeldhouwen. L’artiste imagé mag meedoen aan de échte kunstencompetitie.

In tegenstelling tot de ons omringende, en ver-daarbuiten-landen, is er in ons land na de Grote Oorlog nauwelijks of geen respect meer voor het beroep van beeldend kunstenaar.
Heeft dit te maken met de socialisatie van de kunsten in dit land? De naoorlogse nationale kunstenregelingen en subsidies hebben een zeer goede naam in het buitenland en krijgen soms navolging. Bovendien worden buitenlandse kunstenaars door de Staat der Nederlanden gesponsord.

Door ruzie en afgunst tussen de kunstenaars onderling, incompetente kunstcommissies en -adviseurs, vals spel tussen elkaar rivaliserende kunstonderwijsinstellingen, zelfgenoegzame kritiek en bemoeizucht door kunstbeschouwers en –beoordelaars, minachting door conservatoren en curatoren, en niet op de laatste plaats door zwakzinnige en beïnvloedbare overheden zijn bijzondere ondersteunende maatregelen ter bevordering van beeldende kunst om zeep geholpen of staan op de tocht.

De sektarische run van galerieën op Oost-Europese, Japanse, Afrikaanse, Chinese, en dan nu weer Arabische kunst, met de musea in hun kielzog, verminken de identiteit van de Nederlandse beeldende kunst op internationaal niveau. Nederland heeft, op een handjevol na, geen echte kunstverzamelaars. De paar die er zijn hiphoppen maar wat rond en showen hun schamele bezit door exposities te maken. De intellectuele kunstbezitter van weleer bestaat niet meer. Tijdens de hoogconjunctuur hebben bedrijven spaarzaam verzameld. Opgemerkt dient hierbij dat Nederlandse kunstenaars, ondanks matige kwaliteit en dito curriculum vitae, absurd hoge prijzen voor hun werk vragen. En dan zijn er nog die belachelijke instellingen als artotheken die over het algemeen zeer slecht werk verhuren, met daaraan verbonden een zogenaamde spaarpot voor aankoop.
Modieuze begrippen als eeuwigheidswaarde, beroemdheid, de verbeelding aan de macht, vernieuwing en verjonging hebben naast het geforceerd betrekken van arbeiders, allochtonen, jeugd en ouderen in de Nederlandse kunstwereld tot een diffuse status-quo geleid. Ook de korte tijd waarbinnen een kunst-uiting zich heden ten dage mag of kan manifesteren brengt voor velen verwarring, een generatie kunst is op dit moment 3 jaar. De performance- en installatiekunst zijn hier praktisch uitgestorven. Fotografie, pas 15 jaar in Nederland geaccepteerd als kunst, en ‘nieuwe media’ vechten tegen de verdrinkingsdood. Zonder dat het zo wordt genoemd, manifesteert kunst zich tegenwoordig in de reclame, mode, sport, wetenschap en techniek. Dat hele Nederlandse kunstgedoe; moeten we dat dan over boord gooien en ons uitsluitend focussen op wat zich afspeelt in en rondom de beeldende kunst in het buitenland?

Het zou beter zijn om weer terug naar onze provincie te gaan, daarmee bedoel ik Nederland, inclusief Amsterdam. Vooral Amsterdam is een makkelijk te halen doel, immers deze stad is gevuld met provincialen uit Nederland. Nederlandse kunst in Arabië, omringende en ver-daarbuiten-landen is op langere termijn mogelijk indien we eerst de interne kunstboel op orde hebben. Er is een periode in de Nederlandse beeldende kunst die ik als model zou willen (her)aanreiken om uiteindelijk internationaal aandacht te trekken.
In het tijdvak tussen 1980 en 1988 trokken lokale kunstenaars op eigenzinnige wijze aandacht voor hun werk en veroorzaakte in ons land een totaal nieuwe kijk op- en presentatie van de beeldende kunst. De oorsprong van deze beweging was een protest tegen galerieën en musea die als geblokkeerde instituten uitsluitend internationaal waren georiënteerd en nauwelijks oog hadden voor kunstuitingen van eigen bodem (en dat is nog steeds het geval).
Ik heb het hier over de kunstenaarsinitiatieven (voorheen alternatief circuit). In eerst instantie voornamelijk buiten Amsterdam, omdat daar nauwelijks of geen voorzieningen waren om eigen werk aan breder publiek te tonen, werden in meestal gekraakte panden bijzondere tentoonstellingen gemaakt, performances gehouden en multidisciplinair gewerkt. In Hoorn heb ik DropArchief en later De Achterstraat opgericht. Opmerkelijk inspirerend was de samenwerking tussen kunstenaars onderling en de contacten tussen de verschillende initiatieven. In 1985 waren er bijna 100 kunstenaarsinitiatieven, fijnmazig over het hele land verspreid. Er werkten steeds meer buitenlanders in deze nieuwe kunstruimten en omgekeerd bezochten busladingen vol Nederlanders vergelijkbare locaties over de grens. De kunstenaars werden gevolgd door internationale tentoonstellingsmakers. Musea gingen hún (nog voornamelijk gevestigde) kunstenaars buiten de eigen muren exposeren in navolging van het circuit, een goed voorbeeld is Chambres d’Amis in Gent 1986.
Kort hierna is het fout gegaan; kunstenaars, galerieën en musea, iedereen belandden in alles van het zelfde. Bovendien brak het grote iktijdperk aan. De alom aanwezigheid van (ogenschijnlijke) erkenning veroorzaakte uiteindelijk verveling...! Een herhaling van vernoemde periode stel ik echter niet voor.

Ik zou willen aanraden om gedurende een tijdsbestek, van laten we zeggen drie jaar, ons uitsluitend, in het extreme doorgevoerd, bezig te houden met kunst van eigen bodem.
Een avontuurlijke uitdaging met het oogmerk om fantastische tentoonstellingen te maken die tevens een inventarisatie van de Nederlandse beeldende kunst bewerkstelligen.
Stel eens voor: Het Stedelijk, Het Rijks en uiteraard het Van Gogh, alle galerieën, het alternatieve circuit en Arti et Amicitiae vertonen alleen Nederlandse Kunst. De oude verzuurde criticasters zullen vluchten naar het buitenland, nieuwe jonge talentvolle recensenten zullen opstaan.
Ik durf te wedden dat dit tijdelijke protectionisme internationaal zal opvallen, de toestroom van buitenlandse tentoonstellingsmakers komt weer op gang, waarna de échte uitwisseling weer mogelijk zal zijn. Verdomme dit lijkt wel erg veel op Britse-Jonge-Boze-Kunstenaars-Verzamelaars-Galerieën-Musea...

Joep Neefjes


Joep Neefjes is beeldend kunstenaar

 

beeld: Loodwicks Press Images
< back