2004/8

Wat je ziet is wat er geschilderd is
Interview met Peter Vos, winnaar van de Koninklijke Prijs

De eerste paar jaar na de academie zijn een enorme filter. Het schijnt dat na tien jaar nog maar 10% iets met het medium doet. Als je na de academie je startstipendium niet krijgt, dan zit je meteen met een enorm probleem. Dan moet je gaan werken. Werken en schilderen wordt dan bij veel mensen al snel vooral werken. En juist na die academietijd moet je ontwikkeling op gang komen. Die is nog niet af, die begint net.

Ik vind het onderwijs niet zo goed. Vooral bij het schilderen is het moeilijk. Er is gewoon te weinig tijd. Je moet in vier jaar leren schilderen en er ook nog voor zorgen, dat je aan het eind een eigen stijl hebt. En omdat alles in die paar jaar wordt gepropt, wordt de doelstelling meer: dat het er in godsnaam een beetje goed uitziet aan het eind. Wat je dan ziet, is dat een massa middenmoters zo maar los gelaten wordt op die vrij nauwe kunstmarkt en dat dat voor de meesten geen resultaat oplevert. Die maken geen schijn van kans. De kunstmarkt is een broodnodig kwaad. Ik bedoel ik kan het wel gaan afzeiken, maar het is voor mij ook een manier om geld te verdienen. Ik probeer het wel te blijven zien als een harde zakenwereld, waarin bepaalde mensen goeie initiatieven hebben.

Schilderkunst
Het hele traject dat mogelijk was, heb ik afgelegd. Eerst vier jaar de Koninklijke Academie in Den Haag. Daarna een jaar Ateliers Arnhem - een tweede fase opleiding aan de Hoge School van Arnhem die nu niet meer bestaat - en daarna de Rijksacademie in Amsterdam. De Rijksacademie heeft een versnellende werking gehad op mijn ontwikkeling. Want waarmee ik binnenkwam en waar ik mee wegging, was wel echt iets heel anders. Toen ik kwam, was ik met een trucje bezig. Deed in die schilderijen aan het eind vaak een ingreep, waardoor alles in een andere, vaak surrealistische context kwam te staan. Vervreemding is vrij makkelijk om te maken. Maar vervreemding kun je ook uit het onderwerp halen, door een fusie tussen het beeld en de manier waarop het geschilderd is, zodat je tot hetzelfde resultaat komt zonder dat er iets mysterieus aan toegevoegd wordt. En dat begint nu een beetje te lukken.
Ik ben langzaam vanuit die nieuwe, vrije manier van schilderen weer gaan zoeken naar m’n oude onderwerpen. De dingen waar ik vroeger al een fascinatie voor had, maar die ik toen moeilijk vond om te schilderen, zoals de berglandschappen en vrouwenportretten waar ik nu mee bezig ben. Ik probeer in de nieuwe berglandschappen een mix te krijgen tussen de kwaliteit van zo’n portret en van zo’n berg. Ze zitten voor mij vrij dicht bij elkaar; er zit in beiden iets objectiefs. Ze worden iconigrafischer. Dat is de inzet. Meestal maak ik eerst tekeningen, die ik dan projecteer. Ik weet dat ik goed kan tekenen maar ik heb het romantische idee laten varen, dat het belangrijk is dat je alles handmatig doet. Ik zit dus nooit naar een plaatje te werken zoals wel wordt gedacht. Het is juist het mentale proces van er heel lang over nadenken en het dan schilderen. Ik ben dus geen schilder van het moment. Ik heb een plan en werk heel lang aan een partij. Dan moet het op een gegeven moment zo zijn, als ik me het had voorgesteld. Het moet heldere, simpele schilderkunst zijn, geen laagjes over elkaar. Wat je ziet is wat er geschilderd is. De inhoud is heel beperkt. Je krijgt weinig informatie, weinig houvast, zodat de kijker ook wat moet doen.

Galerie
Ik ben nu hard aan het werk voor mijn solo. Dat moet een mooie, formele expositie worden, op zich heel romantisch, alleen maar berglandschappen. Zo’n expositie is eigenlijk vooral belangrijk voor wat je daarna gaat doen en dan is het niet zo erg, als het in het begin niet zo’n succes heeft. Natuurlijk hoop je dat je verkoopt. Het begint nu goed te gaan en dat heeft natuurlijk ook met die prijs te maken. Ik ben ook erg blij met mijn galerie. Het is belangrijk dat je een goeie band opbouwt, maar het blijft uiteindelijk iets zakelijks. Je hebt elkaar nodig. Het is een hele rare wereld, waar absurde bedragen gegenereerd worden. Ik vind mijn schilderijen ook belachelijk duur, als ik het vergelijk met wat je er voor kopen kan aan zeg maar waardevaste goederen. Maar als ik dan zie dat mensen enorm blij zijn met zo’n schilderij, dan klopt het voor mij weer; dan is dat geld niet zo erg. De galeriewereld bepaalt wat goeie kunst is die je moet kopen, heeft feitelijk een sleutelpositie. Die mensen kennen elkaar allemaal. Je moet eerst een voet achter de deur hebben bij een galerie, voordat je een beetje wat kunt op de markt. Of je moet zo’n goeie lobbyer zijn, dat je jezelf kunt redden, die mensen zijn er ook. Het moet in je karakter zitten en je moet er ook de tijd voor hebben.

Stedelijk Museum Bureau Amsterdam

Ik vind wel dat er een probleem is; dat heeft te maken met hoe Nederland enerzijds met z’n kunstenaars omgaat en anderzijds veel te veel investeert in buitenlandse kunstenaars. Het is hier makkelijk om vrij snel allerlei beurzen en subsidies te krijgen. De Rijksacademie is bijvoorbeeld bezig met vooral buitenlandse studenten aan te trekken en legt daar zo sterk de nadruk op dat het net is alsof Nederland een opleidingscentrum voor Europa is. Ik denk dat de Nederlandse kunst daar niet zo bij gebaat is. En als ik naar het Stedelijk Museum kijk, vind ik dat het voor zo’n belangrijk museum niet echt eigenzinnig is. Ze doen af en toe dure presentaties van kunstenaars die ook elders al naam gemaakt hebben en die ze met veel bombarie naar binnen halen. Maar zo’n initiatief als het Stedelijk Bureau, waar ze aan lokale kunstenaars aandacht proberen te schenken, vind ik goed. Misschien zouden ze dat wat groter moeten maken en niet ergens moeten wegstoppen in de Jordaan.
Om even terug te komen op de galeries: als je op de ‘Rijks’ zit, komen ze op de ‘open dagen’ winkelen. Ze proberen je zo snel mogelijk in te lijven of ze lokken je door een paar schilderijen te kopen en dan bellen ze je later op met: ‘gaan we nog wat doen’. En ja, als je dan vierentwintig jaar bent, is dat heel erg verleidelijk. Er is een tendens dat galeries van Nederlandse kunstenaars sterren proberen te maken en dat dat vaak allemaal te snel gaat en een te korte adem heeft. Dat de kunstenaars ook te weinig tijd krijgen om zichzelf te ontwikkelen. In die zin is een galerie een gevaarlijke vijand. Je kunt er baat bij hebben, maar het kan ook heel erg tegen je werken. De verleiding is groot om je eigen succes achterna te lopen. Het is iets waar ik me sterk bewust van ben.

Politiek
Ik zal nooit een inhoudelijk schilder worden, waarmee ik bedoel dat de inhoud nooit de betekenis zal bepalen. De betekenis van de bergen staat voor mij helemaal los van bijvoorbeeld de maatschappij, maar ook van het moderne landschap. Die bergen hebben nog een reinheid, omdat je niets van de menselijke maat ziet. Het is een heel puur onderwerp. Er zit iets objectiefs in. Ook al is het al duizend keer geschilderd; het is als onderwerp heel onaantastbaar. Je kunt er niks mee, ze zijn er gewoon. Er zit geen politieke lading in.
Het is niet zo, dat ik niet in politiek geïnteresseerd ben, maar dat wil ik niet in mijn werk hebben. Je hebt met kunstenaars altijd, dat ze de wereld willen veranderen. Ik geloof op zich best wel hoor, dat je iets kunt toevoegen aan de wereld. Maar voor mij zijn kunstenaars de laatsten, die constructief iets kunnen veranderen. Hoogstens bieden ze een alternatief voor de werkelijkheid, waardoor mensen een andere kijk krijgen op iets wat ze daarvoor als gesneden koek beschouwden. Ik denk dat dat het hoogst haalbare is.
Er wordt op dit moment in de kunst wel veel gebruik gemaakt van situaties en conflicten in de wereld, zoals wat er gebeurt in Irak of in Israël. Je kunt dan een foto of schilderij maken van een Arabische figuur met dynamiet om z’n buik, maar dat vind ik kort door de bocht. Ik probeer mijn visie op de wereld te vertellen met heel grote omwegen. Bij mij heb je het grote gevaar om in een esthetiek te verzanden die alleen maar comfort biedt en bij dat andere, dat je alleen maar doorgaat op wat het nieuws al ruimschoots dekt. Dat vind ik het moeilijke aan politiek geëngageerde kunst. Schilderkunst heeft die functie gewoon niet meer om informatie te verstrekken. Het is ook een manier om jezelf te tonen, dat je correct bent als kunstenaar en het is de vraag of dat zo is. Ik zeg niet dat ik op een betere manier iets bijdraag aan de wereld, maar ik wil in ieder geval dat het complexer is.

Marianne Vollmer

< back