|
Over
de top
Mijn ideale museum van de toekomst staat boven op een imposante berg.
Echt bovenop als een toef slagroom op een punt ijs. Mijn museum heeft
vele zalen, ze zijn van een plezierig groot formaat, hebben vele ramen
rondom, en hoge witte wanden. Mijn eigen White Cubes in een hoge hemel
vol uitzicht.
Wat is er te zien? Eén zaal is ingericht met mijn keuze uit de
mooiste werken uit het British Museum. Daarmee is de wijde wereld wel
vertegenwoordigd.
De rest van het museum is voor mij. En door mij. Een overzichtstentoonstelling
toont de beste werken die ik in mijn leven heb gemaakt. Dat neemt een
aantal zalen in beslag.
De overige zalen zijn sfeerzalen, zalen die ik ter plekke inricht
een blauwe, een rode, een roze, een groene, een zwarte en een witte.
Het museum is superieur in die zin dat niemand twijfelt aan het bestaan
van mijn museum, en het museum is van een overweldigende tederheid. Intelligent
ook.
In het Natural History Museum in Londen bestaat een kleine expositiezaal
volledig uit grote en kleine witte bollen; ze kleven tegen muren, plafond
en vloer. Tussen de bollen zitten gekleurde lampjes, groene, gele, rode
en witte, die afwisselend uit en aan gaan. De zaal stelt de huishouding
binnen een blad van een groene plant voor. Je zit in een miniatuur.
Geen tekst! Nergens tekst alsjeblieft. Mijn museum gaat niet over informeren
of kennis construeren. Niemand mag afhaken. Geen taal, geen gedreutel,
geen Babel op mijn top.
Zonlicht valt op een plantenblad. Het is de energie waarmee de plant groent
en groeit. Zuurstof ontstaat, gewoon als bijproduct.
Hoe voedt een mens zich in mijn museum? Op een manier die eigenlijk niet
zichtbaar is, hooguit meetbaar, maar vooral ervaarbaar. Het mooiste is,
als het vanzelf gaat. Denkt een plant daarover na?
Het is dus een museum dat niet spreekt, maar ook niet zonder invulling
is.
De zalen zijn functionele ruimtes, zonder dat er ook maar iets functioneels
in te vinden is. De zalen zijn bruikbaar omdat ze leefbaar zijn; wat je
erin aantreft, gebruik je om je toe te verhouden, om er te zijn. Stel
het voor als ruimtes die zich gedragen als mensen, met ogen en tastzin,
met pezen, zenuwen, huid, haar, liefde en zorg. Allemaal niet letterlijk,
maar het is er wel.
Mijn roze zaal kun je je al voorstellen. Rozige draden, kralen, ballen,
lampjes of glimmers en terloopse verbindingen verbeelden de microwereld
van het menselijk lichaam, of van ons brein, of van ons verlangen. Nauwelijks
merkbaar gaat het over ons. Zachtroze als vlees, hier en daar roodachtig
bruin en open als een wond.
Misschien zal de blauwe kamer een stuk hemelser zijn.
Hartstikke stil mag het in mijn museum zijn. Mijn museum boven op de top
van een berg, als het gum boven op het achtereind van een potlood.
Monica Aerden
Monica Aerden is beeldend kunstenaar en curator van onder andere enkele
tentoonstellingen in Arti et Amicitiae.
Deze tekst verscheen eerder in Boekman 61, tijdschrift voor kunst, cultuur
en beleid, 16e jaargang, herfst 2004
|