2004/8

Brain Box Dream Box
Kerstfeest met Paul McCarthy en Elfriede Jelinek

Gaat het goed met de musea in Nederland, met de kunst en de kunstenaars?
Financiën, carrières en beleid, ik ben het zat.
Heeft kunst met politiek te maken? Politiek met kunst?
We neuzelen, rabarber, rabarber, barbaren…
Ik schrijf met de tv aan.
Het waarden en normen debat, een minister-president spreekt in het voorbijgaan.
Het klimaat. Het Klimaaaat. Het klimaaa-aaat, echoot de journalist: Kill the messenger!
De wederopstanding van Arafat wordt verkondigd.
Weinig Bush op tv ondanks vele doden in Falluja.
Ergens brandt een school.
Rot op, vieze racisten, fascisten (!?) uit de klei getrokken boeren met kaalgeschoren schedels.
Het heeft te maken met van Gogh – die van het oor?
Welnee, de Hermans, Celine (…) en vrouwenliefhebber, die van geit en varken.
Hohohoo, het is bijna kerst.
Een dikke Santa Claus knoeit in Tokio met ketchup, mayonaise en verf.


De expositie Brain Box Dream Box van Paul McCarthy in het van Abbe Museum in Eindhoven is de beste die ik het afgelopen jaar gezien heb. Zij is opgebouwd aan de hand van enkele reeksen tekeningen die de periode 1968-2004 beslaan, gecombineerd met een aantal grote werken die in de afgelopen 10 jaar zijn ontstaan waaronder de performance/installatie Picadilly Circus (2003). Het gaat in het van Abbe Museum om een kernachtige presentatie die inzicht geeft in de precisie en het vernuft van het oeuvre van McCarthy. 1

Ik beschrijf deze expositie deels als antwoord op het mediaspektakel rond van Gogh, deels als reactie op thema van het decembernummer van De Nieuwe. In een artikel in De Volkskrant liet Rutger Pontzen afgelopen zomer diverse buitenlandse curatoren aan het woord, die stellen dat de beeldende kunst in Nederland op dit moment niet de moeite van een treinreis waard is 2. Of dit te wijten is aan het Nederlandse museum- of subsidiebeleid blijft in het midden. Ik heb de neiging om in eerste instantie naar het beleid van de Nederlandse musea te wijzen. Interessante kunstenaars ontmoet ik met regelmaat, goede museumexposities zie ik zelden. Musea tonen weinig behoorlijke solopresentaties en onderbouwen hun keuze niet goed. Het ontbreekt Nederlandse kunstenaars niet aan talent of fantasie maar aan ‘back up’. De kunstenaar moet alles zelf doen. Zijn/haar theorie verwoorden, zonder heldere polemiek. Zijn/haar cultureel ondernemerschap vormgeven, bij gebrek aan daadkrachtige en internationaal georiënteerde galerieën en musea. Het landschap van de kunsten is verkaveld. Vanuit de wolken klinkt gemurmel over ‘artistieke vrijheid’ en subsidiesystemen.

Het Van Abbe Museum is een uitzondering. Na de expositie over Martin Kippenberger, die helaas als tentoonstelling wat minder geslaagd was, nu Paul McCarthy. Een evenwichtige expositie afgestemd op de grootte van de zalen, gevolgd door de uitgave van een prachtig boek 3. Boek en expositie zijn een uitstekende aanvulling op de overzichts-tentoonstelling van zijn werk, die in 2000 in Los Angeles plaats vond 4. Brain Box Dream Box is vooral interessant, omdat de indeling van expositie en boek hoofdzakelijk thematisch en niet chronologisch is. Daardoor ligt de nadruk op de samenhang in zijn oeuvre. Je krijgt een goede indruk van de gedachtewereld van waaruit het werk ontstaat. Dergelijke exposities en uitgaven bieden een zinvol kader voor de activiteiten die jongere kunstenaars ontplooien.

DO-ONA DONA
Het werk van McCarthy is niets-verhullend en overrompelend. Etenswaren, lichaamsopeningen, verwarring en geweld. Ik ben opgelucht dat ik voor één keer een expositie zie waar geen educatief programma, raadselroute of kunstspeurtocht aan verbonden is. Het museum heeft bij de toegang tot de museumzalen waarschuwingsbordjes geplaatst. Brabanders van vijftig jaar en ouder lopen giechelend in het rond. Zij bekijken de tekeningen van onanerende en neukende matrozen. ONA DONA, twee wandvullende werken uit ‘82 zijn precieze replica’s van kleine tekeningen die in de jaren 70 werden gemaakt. Een pik is een knuppel, op andere tekeningen blijkt de roeispaan een vervaarlijk instrument. De gewelddadige teneur van de tekeningen steekt af tegen de kwetsbaarheid van McCarthy’s persoon, die zich voor performances als Meatcake (1974) en Sailors Meat (1975) met pruik en kaalgeschoren benen als vrouw toont. De subtiele verwarring die het werk veroorzaakt, overstijgt de natte jongens- of meisjesdroom. Koos hij het perspectief van dader of slachtoffer, van man of vrouw, of meer? Dat ‘meer’, de kunstenaar als hybride, of als katalysator ligt voor de hand, een kwaliteit die zijn werk ongeschikt maakt voor een expositie in het Groninger museum 5.

In het midden van dezelfde zaal waar de tekeningenreeks begint, staat een enorme kaptafel. Het ding is zo hoog, dat je jezelf onmogelijk in de spiegel kan zien. In een reikhalzend kijken zie je nog net een stuk van het plafond. De sculptuur uit 1989 is een uitvergrote remake van één van Meatcake’s attributen, een ronde kaptafel met een spiegel die van twee kanten te gebruiken is. In de performance/ (video)installatie Picaddily Circus zal de eikenhouten counter van een financiële instelling voor een soortgelijke verdubbeling en tweedeling zorgen. De performers schuiven etenswaar door de schuiflade, die de twee kanten van het glas als een sluis verbindt. De manier waarop McCarthy de attributen gebruikt, toont aan hoe de performances de hele ruimte in beslag nemen. Hij bespeelt de ruimte op een manier, die de minimalisten ooit voor ogen stond.

Ik neem een paar grote stappen door de tentoonstellingszalen om over Picadilly Circus te kunnen schrijven. Je kan de zaal waar deze waanzinnige performance/video-installatie te zien is van twee kanten betreden, maar niet als doorgang gebruiken. Overal ligt rommel en troep en met behulp van meerdere projectoren verschijnen de beelden van de performance kris-kras, schuin en groot, op de wanden naast je en boven je hoofd. Man met Bushmasker op (McCarthy zelf) en vrouw met vollemaansgezicht – de koninginmoeder van Engeland. Het vollemaansmasker met blauwe hoed is achterstevoren op de schouders van de performer geplaatst, wat tot hilarische beelden leidt wanneer zij met eten knoeit. Bush, de queen mum, Bin Laden, en in een andere zaal het knallend rood van een vette Tokyo Santa Claus. Het kost geen enkele moeite om de kop van Pim Fortuyn in dit spektakel in te lassen, met als voorzichtige aantekening dat deze grootste Nederlander, wellicht geen icoon met wereldwijde uitstraling is. Ondanks het gegeven dat ik de beelden van Picadilly Circus al ken levert het lijfelijk aanwezig zijn in de video/installatie nieuwe indrukken op. De hoge projectie, het vervloeien van de beelden, regie, presentatie en inhoud vallen samen, dat is bij werk van jonge Nederlandse kunstenaars zelden het geval. McCarthy heeft bovendien iets te vertellen dat me raakt, iets dat tegemoet komt aan mijn eigen warrige ervaringen met het mediageweld.

Brain Box Dream Box
Je kan werk van McCarthy op verschillende manieren beschrijven. Je kan de nadruk leggen op zijn vocabulaire, dat ontleend werd aan reclame, televisie en film. Dan heeft zijn werk een maatschappijkritische teneur. Dit sluit aan bij het antiautoritaire begin van zijn kunstenaarschap. De vroegste werken die in de expositie worden getoond stammen, uit 1968. De stoned blue drawings (1968-1969) werden deels onder invloed van marihuana gemaakt. Het ligt voor de hand dat zijn werk wel beschreven wordt als een onderzoek naar het onderbewustzijn van mens en maatschappij. Het meest wezenlijke kenmerk van zijn oeuvre is echter de centrale plaats, die het lichaam inneemt. Een lichaam dat uit holtes en openingen lijkt te bestaan, dat niet meer dan een zak vol vloeistoffen is, waar je eten ingiet en excrementen uitkomen. Een mens heeft een lichaam met behoeftes die vervuld moeten worden, een lichaam dat tekorten heeft en grenzen stelt. Dat gegeven roept, als je langzaam met McCarthy’s werk vertrouwd raakt, een heftig gevoel van ontroering op.

Met de nadruk op het lichaam als vehikel voor de kunst, herinneren de vroege performances van McCarthy aan de werken van de Wiener Aktionisten en wellicht aan Ulay en Abramovic. Hoewel er ook een groot verschil is. McCarthy zet het lichaam niet alleen in om een nieuw realiteitsgevoel te benadrukken. Hij gebruikt ketchup in plaats van bloed, mosterd in plaats van poep. Als mijn kind ziet waar ik over schrijf, leg ik er de nadruk op dat wat hij ziet niet écht is. Het lichaam van McCarthy gaat als het ware gekleed in gele sauzen. Het draagt een verhaal, dat van de pornoster (Sailors Meat, 1975) van de eenzame zeebonk (Death Ship, 1983), de vieze kok (Bossy Burger, 1991), of de doortrapte politicus (Political Disturbance, 1976). Het draagt de voorstelling of figureert én is kwetsbaar echt aanwezig. Het is mens én projectiescherm waar de media haar beelden en flarden van beelden op projecteren, van binnenuit gedreven en van buitenaf gevormd. Zodoende kunnen zijn installaties als een verlengde van het lichaam worden beschouwd.

McCarthy’s werk doet uitspraken over de verhouding van een individu en zijn omgeving, over de spanning tussen het individu en de maatschappij. Dit uitgangspunt wordt herhaald voor de kunsthistorische plaatsbepaling van zijn werk. McCarthy wordt ‘gerekend tot een generatie kunstenaars die op de Minimal en Concept Art van de jaren zestig hebben gereageerd met een benadering die het verband tussen kunstzinnige activiteit en maatschappelijke werkelijkheid weer hersteld. Net als zijn iets oudere collega’s Dan Graham en Bruce Nauman gebruikt McCarthy zijn werk om het verband tussen individu en maatschappij te verkennen.’, aldus het persbericht. Toch maakt zijn werk op mij meer indruk dan dat van Nauman en Graham. Hun werk ervaar ik uiteindelijk als uitspraken over de wereld, als observaties waaraan een conclusie verbonden wordt. Het werk van McCarthy is persoonlijker, zijn verbeelding is bizar en particulier. Het is alsof er achter de beelden een stem opklinkt, een stem die meer vragen stelt dan beantwoordt. Ik denk aan mijn ervaringen als ik tv kijk.

Lust
In de tentoonstelling en de tekst van Eva Meyer-Hermann over McCarthy wordt veel aandacht besteed aan de films en beelden, die hij ter inspiratie voor zijn werken heeft gebruikt. Zoals de softpornofilm ‘Europe in the Raw’ (1963) van Russ Meyer (In Meatcake neemt McCarthy de pose van de hoofdrolspeelster aan) en met alle zeelui in het verschiet, wordt ook ‘Querelle’ van Fassbinder genoemd. Voorts wordt zijn veelzeggende collectie reclames getoond. Film of Desire (1970-71) en De Subliminal Ads, Collected Ads is een keuze uit collages en onversneden middenpagina’s van tijdschriften, die McCarthy gedurende een periode van circa 15 jaar bijeenbrengt. De collectie toont hoe geperverteerd reclame is. Tekst en beeld worden ondubbelzinnig pornografisch. Het ontbreken van verdere ingrepen roept twijfel op. Is de pornografische beeldrijm een bewuste keuze van de reclamemakers? Bieden de reclames een kijkje in de zieke ziel van de VS of gaat het hier om de blik van McCarthy die als kunstenaar een context schept? Alleen het werk I didn’t always smoke Winston longs (een dame met baard en een ferme leuter) is een collage.

Behalve over films en reclame wordt over literatuur gesproken. Helaas noemt Eva Meyer-Hermann geen voorbeelden, waardoor je over de invloed van literatuur op het werk moet speculeren. Als beeldend kunstenaars literatuur als uitgangspunt nemen, doen zij dit vaak omwille van een idee, filosofie of thema, dat in het boek wordt verwoord. Bij McCarthy lijkt het ook om beelden te gaan. Zijn werk heeft theatrale aspecten en de personages die hij opvoert, lijken op hoofdpersonen in een verhaal. Een wezenlijker en algemener overeenkomst is de stem. McCarthy lijkt met zijn werk tegemoet te komen aan de veelheid die in goede romans aan de orde is. Er is een stem die denkt, ervaart en is, een stem die tragische thema’s fluistert over onvermogen, woede, verlangen, leven en dood. McCarthy gebruikt behalve het lichaam ook datgene dat in je kop gebeurt. Brain Box Dream Box, de titel zegt het al: Het lichaam is ook een doos waarin indrukken en beelden samenkomen die de grenzen van het fysieke overstijgen en een relatie met de buitenwereld aangaan.

De manier waarop hij als beeldend kunstenaar ruimte schept voor deze stem is bijzonder. Hij concentreert zich aanvankelijk vooral op een vraagstelling die abstract en beeldend, niet verhalend en figuratief is. Lange tijd denkt McCarthy na over ‘de discrepantie tussen het object en de ervaring ervan door het subject.’ Zoals Dan Cameron het kort en krachtig in zijn catalogustekst formuleert 6. Eva Meyer-Hermann werkt de relatie verder uit. Zij wijst op McCarthy’s minimalistische periode en legt de nadruk op Death H, 1968-75, dat als sleutelwerk gaat fungeren. In zijn minimalistische werken onderzoekt McCarthy de verhouding tussen kunstwerk en publiek. De minimalisten waartoe ondermeer Robert Ryman en Dan Flavin behoorden, hielden zich intensief bezig met de vraag hoe een kunstwerk, dat in een ruimte wordt geplaatst door de toeschouwer wordt ervaren. McCarthy stelt dezelfde vraag en ontwerpt o.a. een aantal strakke geometrische sculpturen. Bij Death H gaat het om de H van human in een driedimensionale uitvoering, met gapende zwarte openingen waar de vier poten eindigen. Er ligt een lege huls die de suggestie wekt, en daarmee verlaat hij de abstractie van zijn tijdgenoten, dat hij gevuld kan zijn: Brain Box Dream Box.
Wanneer je vanuit deze wetenschap naar de tekeningen en de expositie kijkt, zie je dat de werken waarin het Brain Box Dream Box idee wordt benadrukt, als een rode draad door zijn oeuvre lopen. Je hebt de neiging om zijn obsessie voor het lichaam, zoals dat in de performances naar voren komt, eraan te koppelen. Mosterd, ketchup, verf, eenzaamheid, lust, gedachten. Het is op dit niveau, dat ik een parallel ervaar met het werk van Elfriede Jelinek. Jelinek doet in haar schrijven iets wat omgekeerd evenredig is aan wat McCarthy doet. Zij beschrijft in ‘Lust’ het bestaan van een menselijke aanwezigheid en gebruikt een taal die aan de pornografie (reclame en macht) is ontleend 7. Jelinek schrijft ‘van buitenaf’. Nergens staat het IK-woord, soms spreekt een alwetende verteller in wij-vorm. Ook zij roept daarmee een beeld op van het lichaam als een huls, dat uitsluitend uit openingen bestaat. Wat volgt is een pompend soppen, lebberen, schuren en uiteenrijten. Zo nu en dan wordt door deze beschrijvingen van buitenaf iets navoelbaar van wat zich in dat lichaam bevindt, alsof je bij vlagen doordringt tot de kern van het individu. Je schrikt en bent ontroerd, omdat er werkelijk iets is, wat daarna weer verloren gaat in de voortgang van de gebeurtenissen. De methode die Jelinek en McCarthy gebruiken heeft iets te maken met het klassieke gegeven, dat een holte als een omkering van een (massieve) vorm kan worden beschouwd. Bij deze formulering heb ik een fragment uit een documentaire over Sarah Lucas voor ogen. Terwijl de interviewer spreekt en de camera loopt, knutselt zij aan een pik gemaakt van luciferhoutjes. Een kut is niets. Het is een holte, die vorm krijgt door te tonen wat erin past. Dan gaat de pyrosculptuur in vlammen op.

Unknown Quantity, een self fulfilling prophecy

Deze omgekeerde methode om door te dringen tot de kern van een individu (of tot de individuele beleving) is belangrijk, omwille van de macht en de invloed, die wij inmiddels aan massamedia toekennen. Het is duidelijk dat de wereld veranderd. We spreken van globalisatie. Massamedia, nieuwe media verspreiden woord en beeld. Er wordt veel moeite gedaan om de nieuwe verhoudingen te beschrijven. Paul Virillio spreekt over Unknown Quantities (onbekende hoeveelheden) over versnelling en ‘an accident of accidents’ in een poging om de relatie tussen massamedia, technologische ontwikkelingen, politiek en mens te beschrijven 8. Anna Tilroe verwijst in het ‘Het blinkende stof’ o.a. naar ‘The experience economy’ een boek van Joseph Pine en James H. Gilmore 9. Zij laten zien hoe de mens steeds meer op evenementen en ervaringen uit is. Hoewel het om zeer uiteenlopende teksten en visies gaat, komen zij op één punt overeen; zij zien de mens als ondergeschikt aan maatschappelijke processen. De nadruk die in veel teksten op het ‘hedonisme’ van de tegenwoordige mens wordt gelegd, lijkt de afhankelijkheid van het individu van de maatschappij te bevestigen. Er ontstaat een grote twijfel over de autonomie van het individu, dat laat zich immers eerder door driften en behoeften leiden dan door rationele gedachten. Maar als de autonomie van het individu wordt aangetast, wordt het denken als invloedrijke activiteit in zeker opzicht tot een ‘onmogelijkheid’. Ieder weerwoord lijkt zinloos, ons bestaan lijkt aangetast. Zo werkt deze gedachtegang als een selffulfilling prophecy.

Wanneer je het oeuvre van McCarthy en Jelinek hier tegenover zet. Zie je op de eerste plaats overeenkomsten. De droeve invloed van economische macht en media wordt bevestigd. McCarthy’s Pirate Project, geïnspireerd door de Disney attractie Pirates of the Caribbean, kan in het verlengde van ideeën over de evenementmaatschappij worden beschreven. Jelineks tirades tegen machtswellustige mannen, kunnen zonder moeite als —> een moedeloos verweer tegen de postmoderne werkelijkheid worden beschouwd. Maar het werk van beide kunstenaars bevat ook aanwijzingen voor het tegendeel. Zij onderschrijven de beschouwingen maar er is sprake van een kritisch moment, een breuk.

McCarthy en Jelinek beschrijven een individualisme dat onder druk navoelbaar wordt. Zij ervaren het lichaam als een huls. Dat levert een tragisch beeld op, dat aan isolatie en onmacht refereert, tegelijkertijd bevestigen zij in hun obsessieve benadering het voordeel en de noodzaak van deze isolatie. Zij bewijzen met hun kunst dat het individu bestaat. Hoewel het individu waarschijnlijk nooit in staat zal zijn het mediabombardement te ordenen, en haar autonomie in hoge mate schijn is, blijft de stem. Je krijgt een vermoeden van de samenhang én de discrepantie tussen individu en maatschappij. Een vermoeden van het samengaan van logos (het rationele denken) en hedonisme. Er is geen sprake meer van een onderbewustzijn in de klassieke freudiaanse opvatting van het begrip, maar van een nieuw bewustzijn dat weerstand biedt. Zij ontwikkelen beide een humaan concept, als antwoord op de buitenwereld. Zij formuleren een weerwoord.

Picadilly Circus
Ik loop wel drie keer heen en terug naar de performance, niet alleen ben ik voor het eerst volledig overtuigd van de manier waarop een installatie technisch in elkaar zit. Ik ben onder de indruk: kleuren blijven hangen, het blauw het roze. De idiote scheidingswand: Geen rationele analyse: maar een vorm van zelfbesef, waardoor onder het geweld ook mijn bestaan bevestigd blijft. Of het goed gaat met de Nederlandse musea en de kunsten weet ik niet, vind ik de vraag wel relevant? Meer goede kunst, meer visie en lef, en minder plaatsgebonden economisch belang. Kunst is wellicht niet internationaal als in wereldkunst, of wereldtaal, maar mag ook niet lokaal en plaatsgebonden zijn. Kunst is grenzeloos, zo grenzeloos als de indrukken die een individu kan opnemen, en de beelden die hij of zij kan dromen.

Vlak na 11 september verzinnen mijn kind en ik een verhaaltje voor het slapen gaan. We brengen een vakantie door aan het Balaton-meer in Hongarije. Aan de overkant van het water ligt het mondaine uitgangscentrum en als we ‘s avonds buiten zitten, kijken we naar de laserstralen die door de discotheken tegen de heldere hemel worden geprojecteerd. Het is zo helder, dat wij voortdurend satellieten voorbij zien gaan.
Mijn kind verzint de personages, en ik vertel over SuperDikkie, de vette oom van Dikkie Dik die zijn tegenstanders verslaat door ze te verpletteren onder zijn gewicht. (Als je je ogen een beetje dichtknijpt, lijkt hij misschien wel op Theo van Gogh.) Zijn opponent is PappaBin(Laden) die rondreist in een ruimteschip. Zijn mannen hebben het vermogen om, terwijl zij ondersteboven aan het luchtschip hangen, stenen te slingeren met hun baard. Na enkele heftige aanvaringen met SuperMini, de vrouw van SuperDikkie (een heldin die uit mijn koker komt), vlucht de kolossale kat het huis uit. Hij raakt,op aanwijzingen van mijn kind, bevriend met PappaBin. De slotscène vindt plaats in de discotheek die SuperDikkie exploiteert. PappaBin verbergt er zijn ruimteschip, zijn mannen mogen er slapen.Onder de enorme kerstboom worden ze vreselijk dronken.

Saskia Monshouwer

1 Paul McCarthy, Brain Box Dream Box, 19 juni-24 oktober 2004, van Abbe Museum, Eindhoven
2 , De Volkskrant, Het is dood tij in Nederland museumland, Rutger Pontzen
3 Paul McCarthy, Brain Box Dream Box, uitgave: Van Abbemuseum Eindhoven, ed. By Eva Meyer-Hermann, 2004
4 Paul McCarthy, uitgave: New Museum of Contemporary Art, New York in association with
Hatje Cantz Publishers, 2000
5 Met exposities van werken van Sernano en Larry Clarck, of het dagboek van Bas Meerman heeft het Groninger Museum in het verleden met regelmaat een wat eenzijdig beeld van de menselijke seksualiteit belicht.
6 Paul McCarthy, uitgave: New Museum of Contemporary Art, New York in association with Hatje Cantz Publishers, 2000 tekst Dan Cameron, pag. 58
7 Lust, Elfriede Jelinek, uitgave: Rowolt, eerst druk 1989-negende druk
8 Unknown Quantity, Paul Virillio, uitgave: Thames & Hudson, Fondation Cartier pour l’art Contemperain, 2002.
9 Het blinkende Stof, Anna Tilroe, uitgave, Quidero Amsterdam, 2002, pag. 27-28.
Tilroe snijdt in het eerste hoofdstuk van dit boek ‘Laboratorium Los Angeles’ luchtig en zonder consequenties het thema van de autonomie van het individu aan. Ze laat blijken dat ze veel gelezen heeft, maar trekt geen conclusies. Het hoofdstuk eindigt met de zin: ‘Ik besluit naar Disneyland te gaan the happiest place on earth.’
beeld: Paul McCarthy,‘Tokyo Santa’, foto van performance, 1996, courtesy Paul McCarthy, foto Mitsuru Tanashi
< back