|
Brain Box Dream Box
Kerstfeest met Paul McCarthy en Elfriede Jelinek
Gaat het goed met de musea in Nederland, met
de kunst en de kunstenaars?
Financiën, carrières en beleid, ik ben het zat.
Heeft kunst met politiek te maken? Politiek met kunst?
We neuzelen, rabarber, rabarber, barbaren
Ik schrijf met de tv aan.
Het waarden en normen debat, een minister-president spreekt in het voorbijgaan.
Het klimaat. Het Klimaaaat. Het klimaaa-aaat, echoot de journalist: Kill
the messenger!
De wederopstanding van Arafat wordt verkondigd.
Weinig Bush op tv ondanks vele doden in Falluja.
Ergens brandt een school.
Rot op, vieze racisten, fascisten (!?) uit de klei getrokken boeren met
kaalgeschoren schedels.
Het heeft te maken met van Gogh die van het oor?
Welnee, de Hermans, Celine (
) en vrouwenliefhebber, die van geit
en varken.
Hohohoo, het is bijna kerst.
Een dikke Santa Claus knoeit in Tokio met ketchup, mayonaise en verf.
De expositie Brain Box Dream Box van Paul McCarthy in het van Abbe
Museum in Eindhoven is de beste die ik het afgelopen jaar gezien heb.
Zij is opgebouwd aan de hand van enkele reeksen tekeningen die de periode
1968-2004 beslaan, gecombineerd met een aantal grote werken die in de
afgelopen 10 jaar zijn ontstaan waaronder de performance/installatie Picadilly
Circus (2003). Het gaat in het van Abbe Museum om een kernachtige presentatie
die inzicht geeft in de precisie en het vernuft van het oeuvre van McCarthy.
1
Ik beschrijf deze expositie deels als antwoord op het mediaspektakel rond
van Gogh, deels als reactie op thema van het decembernummer van De Nieuwe.
In een artikel in De Volkskrant liet Rutger Pontzen afgelopen zomer diverse
buitenlandse curatoren aan het woord, die stellen dat de beeldende kunst
in Nederland op dit moment niet de moeite van een treinreis waard is 2.
Of dit te wijten is aan het Nederlandse museum- of subsidiebeleid blijft
in het midden. Ik heb de neiging om in eerste instantie naar het beleid
van de Nederlandse musea te wijzen. Interessante kunstenaars ontmoet ik
met regelmaat, goede museumexposities zie ik zelden. Musea tonen weinig
behoorlijke solopresentaties en onderbouwen hun keuze niet goed. Het ontbreekt
Nederlandse kunstenaars niet aan talent of fantasie maar aan back
up. De kunstenaar moet alles zelf doen. Zijn/haar theorie verwoorden,
zonder heldere polemiek. Zijn/haar cultureel ondernemerschap vormgeven,
bij gebrek aan daadkrachtige en internationaal georiënteerde galerieën
en musea. Het landschap van de kunsten is verkaveld. Vanuit de wolken
klinkt gemurmel over artistieke vrijheid en subsidiesystemen.
Het Van Abbe Museum is een uitzondering. Na de expositie over Martin Kippenberger,
die helaas als tentoonstelling wat minder geslaagd was, nu Paul McCarthy.
Een evenwichtige expositie afgestemd op de grootte van de zalen, gevolgd
door de uitgave van een prachtig boek 3. Boek en expositie zijn een uitstekende
aanvulling op de overzichts-tentoonstelling van zijn werk, die in 2000
in Los Angeles plaats vond 4. Brain Box Dream Box is vooral interessant,
omdat de indeling van expositie en boek hoofdzakelijk thematisch en niet
chronologisch is. Daardoor ligt de nadruk op de samenhang in zijn oeuvre.
Je krijgt een goede indruk van de gedachtewereld van waaruit het werk
ontstaat. Dergelijke exposities en uitgaven bieden een zinvol kader voor
de activiteiten die jongere kunstenaars ontplooien.
DO-ONA
DONA
Het werk van McCarthy is niets-verhullend en overrompelend. Etenswaren,
lichaamsopeningen, verwarring en geweld. Ik ben opgelucht dat ik voor
één keer een expositie zie waar geen educatief programma,
raadselroute of kunstspeurtocht aan verbonden is. Het museum heeft bij
de toegang tot de museumzalen waarschuwingsbordjes geplaatst. Brabanders
van vijftig jaar en ouder lopen giechelend in het rond. Zij bekijken de
tekeningen van onanerende en neukende matrozen. ONA DONA, twee wandvullende
werken uit 82 zijn precieze replicas van kleine tekeningen
die in de jaren 70 werden gemaakt. Een pik is een knuppel, op andere tekeningen
blijkt de roeispaan een vervaarlijk instrument. De gewelddadige teneur
van de tekeningen steekt af tegen de kwetsbaarheid van McCarthys
persoon, die zich voor performances als Meatcake (1974) en Sailors Meat
(1975) met pruik en kaalgeschoren benen als vrouw toont. De subtiele verwarring
die het werk veroorzaakt, overstijgt de natte jongens- of meisjesdroom.
Koos hij het perspectief van dader of slachtoffer, van man of vrouw, of
meer? Dat meer, de kunstenaar als hybride, of als katalysator
ligt voor de hand, een kwaliteit die zijn werk ongeschikt maakt voor een
expositie in het Groninger museum 5.
In het midden van dezelfde zaal waar de tekeningenreeks begint, staat
een enorme kaptafel. Het ding is zo hoog, dat je jezelf onmogelijk in
de spiegel kan zien. In een reikhalzend kijken zie je nog net een stuk
van het plafond. De sculptuur uit 1989 is een uitvergrote remake van één
van Meatcakes attributen, een ronde kaptafel met een spiegel die
van twee kanten te gebruiken is. In de performance/ (video)installatie
Picaddily Circus zal de eikenhouten counter van een financiële instelling
voor een soortgelijke verdubbeling en tweedeling zorgen. De performers
schuiven etenswaar door de schuiflade, die de twee kanten van het glas
als een sluis verbindt. De manier waarop McCarthy de attributen gebruikt,
toont aan hoe de performances de hele ruimte in beslag nemen. Hij bespeelt
de ruimte op een manier, die de minimalisten ooit voor ogen stond.
Ik neem een paar grote stappen door de tentoonstellingszalen om over Picadilly
Circus te kunnen schrijven. Je kan de zaal waar deze waanzinnige performance/video-installatie
te zien is van twee kanten betreden, maar niet als doorgang gebruiken.
Overal ligt rommel en troep en met behulp van meerdere projectoren verschijnen
de beelden van de performance kris-kras, schuin en groot, op de wanden
naast je en boven je hoofd. Man met Bushmasker op (McCarthy zelf) en vrouw
met vollemaansgezicht de koninginmoeder van Engeland. Het vollemaansmasker
met blauwe hoed is achterstevoren op de schouders van de performer geplaatst,
wat tot hilarische beelden leidt wanneer zij met eten knoeit. Bush, de
queen mum, Bin Laden, en in een andere zaal het knallend rood van een
vette Tokyo Santa Claus. Het kost geen enkele moeite om de kop van Pim
Fortuyn in dit spektakel in te lassen, met als voorzichtige aantekening
dat deze grootste Nederlander, wellicht geen icoon met wereldwijde uitstraling
is. Ondanks het gegeven dat ik de beelden van Picadilly Circus al ken
levert het lijfelijk aanwezig zijn in de video/installatie nieuwe indrukken
op. De hoge projectie, het vervloeien van de beelden, regie, presentatie
en inhoud vallen samen, dat is bij werk van jonge Nederlandse kunstenaars
zelden het geval. McCarthy heeft bovendien iets te vertellen dat me raakt,
iets dat tegemoet komt aan mijn eigen warrige ervaringen met het mediageweld.
Brain Box Dream Box
Je kan werk van McCarthy op verschillende manieren beschrijven. Je kan
de nadruk leggen op zijn vocabulaire, dat ontleend werd aan reclame, televisie
en film. Dan heeft zijn werk een maatschappijkritische teneur. Dit sluit
aan bij het antiautoritaire begin van zijn kunstenaarschap. De vroegste
werken die in de expositie worden getoond stammen, uit 1968. De stoned
blue drawings (1968-1969) werden deels onder invloed van marihuana gemaakt.
Het ligt voor de hand dat zijn werk wel beschreven wordt als een onderzoek
naar het onderbewustzijn van mens en maatschappij. Het meest wezenlijke
kenmerk van zijn oeuvre is echter de centrale plaats, die het lichaam
inneemt. Een lichaam dat uit holtes en openingen lijkt te bestaan, dat
niet meer dan een zak vol vloeistoffen is, waar je eten ingiet en excrementen
uitkomen. Een mens heeft een lichaam met behoeftes die vervuld moeten
worden, een lichaam dat tekorten heeft en grenzen stelt. Dat gegeven roept,
als je langzaam met McCarthys werk vertrouwd raakt, een heftig gevoel
van ontroering op.
Met de nadruk op het lichaam als vehikel voor de kunst, herinneren de
vroege performances van McCarthy aan de werken van de Wiener Aktionisten
en wellicht aan Ulay en Abramovic. Hoewel er ook een groot verschil is.
McCarthy zet het lichaam niet alleen in om een nieuw realiteitsgevoel
te benadrukken. Hij gebruikt ketchup in plaats van bloed, mosterd in plaats
van poep. Als mijn kind ziet waar ik over schrijf, leg ik er de nadruk
op dat wat hij ziet niet écht is. Het lichaam van McCarthy gaat
als het ware gekleed in gele sauzen. Het draagt een verhaal, dat van de
pornoster (Sailors Meat, 1975) van de eenzame zeebonk (Death Ship, 1983),
de vieze kok (Bossy Burger, 1991), of de doortrapte politicus (Political
Disturbance, 1976). Het draagt de voorstelling of figureert én
is kwetsbaar echt aanwezig. Het is mens én projectiescherm waar
de media haar beelden en flarden van beelden op projecteren, van binnenuit
gedreven en van buitenaf gevormd. Zodoende kunnen zijn installaties als
een verlengde van het lichaam worden beschouwd.
McCarthys werk doet uitspraken over de verhouding van een individu
en zijn omgeving, over de spanning tussen het individu en de maatschappij.
Dit uitgangspunt wordt herhaald voor de kunsthistorische plaatsbepaling
van zijn werk. McCarthy wordt gerekend tot een generatie kunstenaars
die op de Minimal en Concept Art van de jaren zestig hebben gereageerd
met een benadering die het verband tussen kunstzinnige activiteit en maatschappelijke
werkelijkheid weer hersteld. Net als zijn iets oudere collegas Dan
Graham en Bruce Nauman gebruikt McCarthy zijn werk om het verband tussen
individu en maatschappij te verkennen., aldus het persbericht. Toch
maakt zijn werk op mij meer indruk dan dat van Nauman en Graham. Hun werk
ervaar ik uiteindelijk als uitspraken over de wereld, als observaties
waaraan een conclusie verbonden wordt. Het werk van McCarthy is persoonlijker,
zijn verbeelding is bizar en particulier. Het is alsof er achter de beelden
een stem opklinkt, een stem die meer vragen stelt dan beantwoordt. Ik
denk aan mijn ervaringen als ik tv kijk.
Lust
In de tentoonstelling en de tekst van Eva Meyer-Hermann over McCarthy
wordt veel aandacht besteed aan de films en beelden, die hij ter inspiratie
voor zijn werken heeft gebruikt. Zoals de softpornofilm Europe in
the Raw (1963) van Russ Meyer (In Meatcake neemt McCarthy de pose
van de hoofdrolspeelster aan) en met alle zeelui in het verschiet, wordt
ook Querelle van Fassbinder genoemd. Voorts wordt zijn veelzeggende
collectie reclames getoond. Film of Desire (1970-71) en De Subliminal
Ads, Collected Ads is een keuze uit collages en onversneden middenpaginas
van tijdschriften, die McCarthy gedurende een periode van circa 15 jaar
bijeenbrengt. De collectie toont hoe geperverteerd reclame is. Tekst en
beeld worden ondubbelzinnig pornografisch. Het ontbreken van verdere ingrepen
roept twijfel op. Is de pornografische beeldrijm een bewuste keuze van
de reclamemakers? Bieden de reclames een kijkje in de zieke ziel van de
VS of gaat het hier om de blik van McCarthy die als kunstenaar een context
schept? Alleen het werk I didnt always smoke Winston longs (een
dame met baard en een ferme leuter) is een collage.
Behalve over films en reclame wordt over literatuur gesproken. Helaas
noemt Eva Meyer-Hermann geen voorbeelden, waardoor je over de invloed
van literatuur op het werk moet speculeren. Als beeldend kunstenaars literatuur
als uitgangspunt nemen, doen zij dit vaak omwille van een idee, filosofie
of thema, dat in het boek wordt verwoord. Bij McCarthy lijkt het ook om
beelden te gaan. Zijn werk heeft theatrale aspecten en de personages die
hij opvoert, lijken op hoofdpersonen in een verhaal. Een wezenlijker en
algemener overeenkomst is de stem. McCarthy lijkt met zijn werk tegemoet
te komen aan de veelheid die in goede romans aan de orde is. Er is een
stem die denkt, ervaart en is, een stem die tragische themas fluistert
over onvermogen, woede, verlangen, leven en dood. McCarthy gebruikt behalve
het lichaam ook datgene dat in je kop gebeurt. Brain Box Dream Box, de
titel zegt het al: Het lichaam is ook een doos waarin indrukken en beelden
samenkomen die de grenzen van het fysieke overstijgen en een relatie met
de buitenwereld aangaan.
De manier waarop hij als beeldend kunstenaar ruimte schept voor deze stem
is bijzonder. Hij concentreert zich aanvankelijk vooral op een vraagstelling
die abstract en beeldend, niet verhalend en figuratief is. Lange tijd
denkt McCarthy na over de discrepantie tussen het object en de ervaring
ervan door het subject. Zoals Dan Cameron het kort en krachtig in
zijn catalogustekst formuleert 6. Eva Meyer-Hermann werkt de relatie verder
uit. Zij wijst op McCarthys minimalistische periode en legt de nadruk
op Death H, 1968-75, dat als sleutelwerk gaat fungeren. In zijn minimalistische
werken onderzoekt McCarthy de verhouding tussen kunstwerk en publiek.
De minimalisten waartoe ondermeer Robert Ryman en Dan Flavin behoorden,
hielden zich intensief bezig met de vraag hoe een kunstwerk, dat in een
ruimte wordt geplaatst door de toeschouwer wordt ervaren. McCarthy stelt
dezelfde vraag en ontwerpt o.a. een aantal strakke geometrische sculpturen.
Bij Death H gaat het om de H van human in een driedimensionale uitvoering,
met gapende zwarte openingen waar de vier poten eindigen. Er ligt een
lege huls die de suggestie wekt, en daarmee verlaat hij de abstractie
van zijn tijdgenoten, dat hij gevuld kan zijn: Brain Box Dream Box.
Wanneer je vanuit deze wetenschap naar de tekeningen en de expositie kijkt,
zie je dat de werken waarin het Brain Box Dream Box idee wordt benadrukt,
als een rode draad door zijn oeuvre lopen. Je hebt de neiging om zijn
obsessie voor het lichaam, zoals dat in de performances naar voren komt,
eraan te koppelen. Mosterd, ketchup, verf, eenzaamheid, lust, gedachten.
Het is op dit niveau, dat ik een parallel ervaar met het werk van Elfriede
Jelinek. Jelinek doet in haar schrijven iets wat omgekeerd evenredig is
aan wat McCarthy doet. Zij beschrijft in Lust het bestaan
van een menselijke aanwezigheid en gebruikt een taal die aan de pornografie
(reclame en macht) is ontleend 7. Jelinek schrijft van buitenaf.
Nergens staat het IK-woord, soms spreekt een alwetende verteller in wij-vorm.
Ook zij roept daarmee een beeld op van het lichaam als een huls, dat uitsluitend
uit openingen bestaat. Wat volgt is een pompend soppen, lebberen, schuren
en uiteenrijten. Zo nu en dan wordt door deze beschrijvingen van buitenaf
iets navoelbaar van wat zich in dat lichaam bevindt, alsof je bij vlagen
doordringt tot de kern van het individu. Je schrikt en bent ontroerd,
omdat er werkelijk iets is, wat daarna weer verloren gaat in de voortgang
van de gebeurtenissen. De methode die Jelinek en McCarthy gebruiken heeft
iets te maken met het klassieke gegeven, dat een holte als een omkering
van een (massieve) vorm kan worden beschouwd. Bij deze formulering heb
ik een fragment uit een documentaire over Sarah Lucas voor ogen. Terwijl
de interviewer spreekt en de camera loopt, knutselt zij aan een pik gemaakt
van luciferhoutjes. Een kut is niets. Het is een holte, die vorm krijgt
door te tonen wat erin past. Dan gaat de pyrosculptuur in vlammen op.
Unknown Quantity, een self fulfilling prophecy
Deze omgekeerde methode om door te dringen tot de kern van een individu
(of tot de individuele beleving) is belangrijk, omwille van de macht en
de invloed, die wij inmiddels aan massamedia toekennen. Het is duidelijk
dat de wereld veranderd. We spreken van globalisatie. Massamedia, nieuwe
media verspreiden woord en beeld. Er wordt veel moeite gedaan om de nieuwe
verhoudingen te beschrijven. Paul Virillio spreekt over Unknown Quantities
(onbekende hoeveelheden) over versnelling en an accident of accidents
in een poging om de relatie tussen massamedia, technologische ontwikkelingen,
politiek en mens te beschrijven 8. Anna Tilroe verwijst in het Het
blinkende stof o.a. naar The experience economy een
boek van Joseph Pine en James H. Gilmore 9. Zij laten zien hoe de mens
steeds meer op evenementen en ervaringen uit is. Hoewel het om zeer uiteenlopende
teksten en visies gaat, komen zij op één punt overeen; zij
zien de mens als ondergeschikt aan maatschappelijke processen. De nadruk
die in veel teksten op het hedonisme van de tegenwoordige
mens wordt gelegd, lijkt de afhankelijkheid van het individu van de maatschappij
te bevestigen. Er ontstaat een grote twijfel over de autonomie van het
individu, dat laat zich immers eerder door driften en behoeften leiden
dan door rationele gedachten. Maar als de autonomie van het individu wordt
aangetast, wordt het denken als invloedrijke activiteit in zeker opzicht
tot een onmogelijkheid. Ieder weerwoord lijkt zinloos, ons
bestaan lijkt aangetast. Zo werkt deze gedachtegang als een selffulfilling
prophecy.
Wanneer je het oeuvre van McCarthy en Jelinek hier tegenover zet. Zie
je op de eerste plaats overeenkomsten. De droeve invloed van economische
macht en media wordt bevestigd. McCarthys Pirate Project, geïnspireerd
door de Disney attractie Pirates of the Caribbean, kan in het verlengde
van ideeën over de evenementmaatschappij worden beschreven. Jelineks
tirades tegen machtswellustige mannen, kunnen zonder moeite als >
een moedeloos verweer tegen de postmoderne werkelijkheid worden beschouwd.
Maar het werk van beide kunstenaars bevat ook aanwijzingen voor het tegendeel.
Zij onderschrijven de beschouwingen maar er is sprake van een kritisch
moment, een breuk.
McCarthy en Jelinek beschrijven een individualisme dat onder druk navoelbaar
wordt. Zij ervaren het lichaam als een huls. Dat levert een tragisch beeld
op, dat aan isolatie en onmacht refereert, tegelijkertijd bevestigen zij
in hun obsessieve benadering het voordeel en de noodzaak van deze isolatie.
Zij bewijzen met hun kunst dat het individu bestaat. Hoewel het individu
waarschijnlijk nooit in staat zal zijn het mediabombardement te ordenen,
en haar autonomie in hoge mate schijn is, blijft de stem. Je krijgt een
vermoeden van de samenhang én de discrepantie tussen individu en
maatschappij. Een vermoeden van het samengaan van logos (het rationele
denken) en hedonisme. Er is geen sprake meer van een onderbewustzijn in
de klassieke freudiaanse opvatting van het begrip, maar van een nieuw
bewustzijn dat weerstand biedt. Zij ontwikkelen beide een humaan concept,
als antwoord op de buitenwereld. Zij formuleren een weerwoord.
Picadilly Circus
Ik loop wel drie keer heen en terug naar de performance, niet alleen ben
ik voor het eerst volledig overtuigd van de manier waarop een installatie
technisch in elkaar zit. Ik ben onder de indruk: kleuren blijven hangen,
het blauw het roze. De idiote scheidingswand: Geen rationele analyse:
maar een vorm van zelfbesef, waardoor onder het geweld ook mijn bestaan
bevestigd blijft. Of het goed gaat met de Nederlandse musea en de kunsten
weet ik niet, vind ik de vraag wel relevant? Meer goede kunst, meer visie
en lef, en minder plaatsgebonden economisch belang. Kunst is wellicht
niet internationaal als in wereldkunst, of wereldtaal, maar mag ook niet
lokaal en plaatsgebonden zijn. Kunst is grenzeloos, zo grenzeloos als
de indrukken die een individu kan opnemen, en de beelden die hij of zij
kan dromen.
Vlak na 11 september verzinnen mijn
kind en ik een verhaaltje voor het slapen gaan. We brengen een vakantie
door aan het Balaton-meer in Hongarije. Aan de overkant van het water
ligt het mondaine uitgangscentrum en als we s avonds buiten zitten,
kijken we naar de laserstralen die door de discotheken tegen de heldere
hemel worden geprojecteerd. Het is zo helder, dat wij voortdurend satellieten
voorbij zien gaan.
Mijn kind verzint de personages, en ik vertel over SuperDikkie, de vette
oom van Dikkie Dik die zijn tegenstanders verslaat door ze te verpletteren
onder zijn gewicht. (Als je je ogen een beetje dichtknijpt, lijkt hij
misschien wel op Theo van Gogh.) Zijn opponent is PappaBin(Laden) die
rondreist in een ruimteschip. Zijn mannen hebben het vermogen om, terwijl
zij ondersteboven aan het luchtschip hangen, stenen te slingeren met hun
baard. Na enkele heftige aanvaringen met SuperMini, de vrouw van SuperDikkie
(een heldin die uit mijn koker komt), vlucht de kolossale kat het huis
uit. Hij raakt,op aanwijzingen van mijn kind, bevriend met PappaBin. De
slotscène vindt plaats in de discotheek die SuperDikkie exploiteert.
PappaBin verbergt er zijn ruimteschip, zijn mannen mogen er slapen.Onder
de enorme kerstboom worden ze vreselijk dronken.
Saskia Monshouwer
|