pre Passee 2006/13

Coq au Mondrian

Op 12 mei 2006 werd in Winterswijk een beeld voor Piet Mondriaan onthuld. Het eerste standbeeld in de wereld voor Piet Mondriaan. Het werd gemaakt door Albert Dedden* en Paul Keizer. Joop Joosten, biograaf van Piet Mondriaan en oud-Winterswijker Fredie Beckmans hielden ter ere van de onthulling een feestelijke toespraak. Deze tekst is een bewerkte versie van de voordracht uitgesproken op 12 mei 2006 door Fredie Beckmans.

Piet Mondriaan en Fredie Beckmans. Kan dat wel? Twee zulke grote kunstenaars uit één dorp? Ik kan jullie geruststellen: er is verschil. Ik hoor sommigen al hardop denken: en Gerrit Komrij dan? Vergeet niet dat al sinds de oudheid de Schilderkunst boven de Schrijfkunst staat. Gerrit komt ook alle eer toe maar we gaan het nu over twee Winterswijkse schilderjongens hebben.

Stelt u zich eens voor. Piet Mondriaan leefde in Winterswijk, maakte veel tekeningen van boom met kerk en vertrok naar Amsterdam om daar te gaan studeren aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten en werd later lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae. Zelf ben ik ook in Winterswijk begonnen met tekeningen en schilderijen te maken van de Bataafse molen. Precies dezelfde plek als waar Gerrit Komrij aan de Jachthuisweg in de mist een koe ‘boe’ hoorde roepen en om die reden dichter is geworden. De Bataafse molen aan de Jachthuisweg was mijn model. Daarna ben ook ik vertrokken uit Winterswijk om in Amsterdam te gaan studeren aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten en werd later ook lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae.

Mondriaan en ik hebben ook nog mee gedaan aan de koninklijke subsidie voor de vrije schilderkunst. Al vijfentwintig jaar drink ik sindsdien zo af en toe een biertje op het paleis. De koningin blijft de gelauwerden maar uitnodigen. Helaas heeft Piet de prijs niet gehad, maar hij is er toch gekomen. Het allergrootste verschil tussen Piet Mondriaan en mij is, dat je zijn tekeningen nog wel kunt kopen maar niet betalen. Mijn tekeningen zijn, nu nog, voor een zacht prijsje te koop.

Heeft Piet Mondriaan met zijn zo bekende abstracte schilderijen de schilderkunst ten einde geschilderd? Piet was een hele strenge schilder en duldde geen schuine lijnen, terwijl ik langs de schuine lijnen alsmaar afglijd. De meeste doeken met Bataafse Molen heb ik overgeschilderd. Pas nog was er een grootse reünie van de scholengemeenschap Driemark in Winterswijk met een expositie van oud-leerlingen in het plaatselijke museum Freriks. En of ik daar tussen zat? Nee hoor, ze kennen me niet meer. Maar zo erg is het allemaal niet. Op die dag was ik ook uitgenodigd door Hare Majesteit de koningin, helemaal in den Haag vanwege haar vijfentwintigjarig regeringsjubileum; ze is erg kunstlievend.

Laten we alvast iets over Piet onthullen. Je moet weten dat ik ben opgegroeid in een lerarenwoning aan de Plataanlaan. Daar staan voormalige lerarenwoningen, en ze hoorden bij een christelijke school. Piets vader was op zo’n school de baas. In een van die woningen leefde ik. En Piet kwam daar vaak om met de andere onderwijzerskinderen in de bosjes te spelen. Het zijn dezelfde bosjes als waar ik met mijn buurmeisjes doktertje heb gespeeld. Grasspriet ging dan als thermometer tussen de blote billen van het buurmeisje en Piet stond in zulk soort situaties vaak toe te kijken. Hier zijn we bij een heikel punt, iedereen wil altijd maar weten of Piet nou Ho, He of Bi was. Ik denk dat hij een echte kijkkunstenaar was, zoiets als wat je tegenwoordig vo-yeur of televisiekijker zou noemen. Mocht er ooit een Beckmanspad in Winterswijk komen dan kruist die daar in de bosjes het Piet Mondriaanpad en aan de voorkant van de lerarenwoning kruist het met het Gerrit Komrijpad.

Je moet namelijk weten dat aan de overkant van waar ik woonde, opa Komrij met zijn vrouw woonde. Een man van in de tachtig zwaar getatoeëerd op zijn beide armen. Toen de Plataanlaan een keer opengebroken was om er nieuwe rioleringsbuizen te leggen, is opa Komrij, die een oom van Gerrit was, in de diepte gevallen. Ik heb hem er uit getrokken. Onlangs heb ik dat Gerrit gezegd die langs die plek altijd naar school ‘O’ liep. Gerrit zei: ‘Had hem toch laten liggen, iedere dag als ik van de Iepenstraat naar school liep, schold hij me uit voor nietsnut.’

Geweldig dat het Gerrit Komrijpad, het Piet Mondriaanpad en wellicht ooit het Beckmanspad, dat er nog niet is, elkaar daar in de Plataanlaan zullen kruisen. Ik kan nu verklappen waar in Winterswijk ik het in de bosjes heb gedaan, honderd meter bij het standbeeld ter ere van Piet Mondriaan vandaan en dat die bosjes in het plantsoen zich ook kruisen met het Komrij- en Mondriaan-pad. Maar Winterswijkers weten zelf wel waar die bosjes zijn en aan buitenstaanders moet zoiets niet verraden worden. Dan komen ze de lokale Winterswijker bij zijn jeugdige exercities bestuderen en valt er weinig eer aan het grote kunstenaarschap van Piet Mondriaan te behalen. De gemiddelde Mondriaantoerist zal dan direct aan het standbeeld voorbij, de bewuste bosjes induiken.

Als ik in Amsterdam vertel dat ik uit Winterswijk kom, noem ik vaak het beroemde rijtje. Piet Mondriaan, Max Euwe en Gerrit Komrij. De laatste tijd ook steeds vaker Piet Gerbrandy. Mijn vriendin die uit Weert komt, komt gelukkig niet verder dan Gerard Reve en Johnny Hoes.

In het begin van mijn kunstenaarscarrière heb ik mij in Mondriaan verdiept, zoals ik me ook in de kunst van mijn verre achteroom de kunstschilder Max Beckmann heb verdiept. Daarna pas, met heel veel bagage, sla je een eigen weg in. Mondriaan heeft zich ook, door middel van studie en Winterswijk als plaatje, verdiept in de kunst van iets naschilderen. Het is hem op wonderbaarlijke wijze gelukt de schilderkunst intellectueel te benaderen. Niet meer als schilder fotograaf willen zijn. Een mooi voorbeeld daarvan is dat de kunst van het naschilderen stopt bij Breittner. Hij was een grootmeester in het naschilderen van foto’s, wat heel duidelijk is, als je zijn schilderijen bekijkt en ziet dat bovenkanten van huizen die niet op de foto staan, ook niet op het schilderij staan. Als een persoon half op de foto staat heeft Breittner die persoon half geschilderd.
Mondriaan antwoordt met zijn abstracte schilderkunst. Een kunst waar op dat moment enorm behoefte aan is. De schilderkunst zijn plek te laten houden naast de fotografie. Mijn ontdekking van Mondriaan als een geniaal schilder toen ik ongeveer achttien was, is van eenzelfde orde als toen ik enorm genoot als kind terwijl ik met lego speelde. Allemaal vierkante rode en witte blokjes. Kinderen van tegenwoordig kun je die beleving niet meer meegeven. Schuine blokjes, wielenz, spoilers, takelhaken en draken. Hoe moet een kleuter ooit diezelfde beleving voelen. Het gaat hier om de ware essentie van een geometrische beleving, maar ook om de essentie van spelen teruggebracht tot de puurste vorm. Mondriaan en lego overlapten voor mij het gevoel dat spelen en kunst in eenzelfde soort vakje passen.
Bij mijn achter-achteroom Max Beckmann voel je een expressieve storm over het land jagen. Hij schilderde grote mythologische voorstellingen met een zware politieke lading en tegelijk cabaretesk. Grof, Nietzsche, Wagneriaans. Terwijl Mondriaan meer een Immanuel Kant is. Een strenge filosoof van de rede. Kant zei ook dat kijken en luisteren objectieve waarnemingen zijn. Ruiken en proeven zijn subjectieve waarnemingen. Als ik een pot pindakaas laat zien, dan zegt iedereen: pindakaas. Als ik die pindakaas laat proeven, zegt de een lekker en de ander vies. Als ik dit schema van Kant over een schilderij van Mondriaan leg, gebeurt er iets wonderbaarlijks. Dan blijkt kijken ineens een subjectieve waarneming. Hoe streng Mondriaan ook heeft geschilderd en dat je dat moet beleven, toch zal de een zeggen mooi en de ander lelijk. Die poging van Mondriaan mag dan, hoe goed hij ook zijn best heeft gedaan, als mislukt beschouwd worden. We zien een schilderij, daar is iedereen het over eens, maar meer ook niet. De gemiddelde kijker zal er niets in zien, de geoefende kijker zal het ‘meestal’ kunnen waarderen. Na hem mag iedere schilder opnieuw proberen de stelling van Kant te bewijzen. Echter in mijn opinie is de poging van Mondriaan er een, die de stelling het dichtst heeft genaderd. Wat je ziet is Waar! Wat je ervan vindt, mag jezelf weten.

Of Piet Mondriaan van pindakaas hield, weet ik niet. Het is wel bekend dat zijn lievelingseten in Parijs Coq au Vin was. En ook dat hij het een paar keer heeft besteld, terwijl hij met Picasso in een bistro zat. Iedereen kent wel de door Alice Toklas bedachte Sole Picasso (tong Picasso). Het is een visgerecht met allerlei gekleurde sauzen en gekleurde vruchten. Restaurants hebben er in de loop van de tijd een wel heel bijzondere invulling aan gegeven, door vooral fruit uit blik over de vis uit te storten. Picasso kunnen we daar niet meer mee redden, maar Mondriaan verdient ook een gerecht. Daarom bij deze een door mij bedacht recept:

Coq au Mondrian
Een haantje door de slager of poelier in vieren laten hakken en in een marinade van witte wijn, gehakte ui en wortel, laurier, tijm en zout een dag laten staan. De volgende dag de stukken vlees droogdeppen en in boter braden. Het marinadevocht met ingrediënten inkoken (laurierblad er uit) en wat room erbij. Serveren met rijst. Op zwarte borden.

Fredi Beckmans

Noot: de in het stuk voorkomende Albert Dedden en Gerrit Komrij zijn ook lid van Arti, net als Jan Cremer, die zegt dat er bewijzen zijn dat Piet Mondriaan niet in Amersfoort, maar in Hengelo is geboren.

Beeld 1: Diederick van Kleef, ‘Gerrit Komrij’
Beeld 2: Monument Mondriaan, foto Albert Dedden

< back