pre Passee 2006/13

Waar zijn we hier?

Vanuit de ruimte, met Google Earth, kost het enige moeite om in te zoomen op het Rokin. Immers, Google Earth start altijd met het beeld van Noord-Amerika. Tot ca 500 ft is Arti nog scherp te zien, dichterbij verbrokkelt het in pixels. Het glazen dak van de tentoonstellingszalen is nog net duidelijk zichtbaar, maar de tentoonstelling binnen in de zaal niet. Niet te bevroeden is dat binnen in dit gebouw een reis van honderdzevenenzestig jaar door de tijd mogelijk is.

‘... dat ik gedurende vijf achtereenvolgende avonden van 18.00 - 20.30 uur heb rondgekeken hoe de verhouding lag tussen etende kunstenaarsleden en kunstlievende leden. Het bleek dat er twee avonden waren met elke keer één kunstenaarslid, één avond zonder en twee avonden met welgeteld twee kunstenaarsleden.’ (Willem Schaefer in Arti Krant mei 2006)
‘Te veel vreemde mensen? Willem Schaefers zorg over de ‘opmars’ van kunstlievende leden die niet allemaal zichtbaar te maken hebben met de kunsten kan worden gedeeld. Anderzijds: ook mannen met glimmende dassen en dames die er uitzien als advocaten of makelaars zijn niet alleen al op grond van hun uiterlijk te veroordelen als mensen die buiten werktijd beter in de kroeg kunnen zitten. Ga ook met hen in gesprek! Een probleem van het sociëteitsleven is inderdaad dat mensen buiten hun eigen kring niet genoeg met elkaar in aanraking komen…’ Aldus Hendrik Kapteins antwoord op de brief van Willem Schaefer in diezelfde Artikrant.

Beneden in de sociëteit, of gezien de discussie in de Artikrant: in het restaurant heerst de 19e eeuw. Niet alleen het voorname en donkere interieur, gevuld met klassiek-figuratieve schilderijen en het vooroorlogse ameublement, suggereert een ver verleden. De beschaafd introverte sfeer op een doorsnee maandagavond doet denken aan een landerige bridgedrive op een luxe lijnboot naar Batavia. Verwacht hier geen opgewonden geschreeuw van een wereldberoemd genie, zoals Jackson Pollock dat deed in een club in Greenwich Village, of de residentie van een wereldberoemde filosofische beweging onder leiding van een figuur als Sartre. Welke artistieke revoluties zijn er ooit in de sociëteit van Arti gestart? Is er wel eens een roemrucht manifest aan de bar geformuleerd, dat vijftig jaar later heeft geleid tot een proefschrift aan een vermaarde faculteit of een grote overzichtstentoonstelling?
Of iets bescheidener: welke feiten hebben zich hier voorgedaan, die in een canon van de Nederlandse cultuurgeschiedenis thuis horen? Breitner, Josef, Israels? Goed, dat is meer dan honderd jaar geleden. Echter, De Stijl of Cobra, de twee echte internationale wapenfeiten van deels Nederlandse origine, zijn grotendeels aan Arti voorbijgegaan. Logisch, dat is de turbulente twintigste eeuw en die moet beneden nog beginnen. Er heerst hier een vredige en een beetje gezapige sfeer, veilig afgesloten van het meeslepende, gevaarlijke kosmopolitische bestaan dat thuishoort in een wereldstad. De gevoerde discussies zijn slechts van huishoudelijke en persoonlijke aard.
Het debat hier gaat nooit over een kunstbeschouwelijk principe, een geniaal en verguisd kunstwerk of de doodverklaring van de Moderne Kunst. De briefwisseling tussen de heren Schaefer en Kaptein in de Artikrant is daar een illustratie van. Ik weet niet of er op deze plek veel over kunst gepraat wordt. In de oude verslagen, in de grote kast in de bestuurskamer, zijn weinig artistieke disputen over de turbulente vorige eeuw te vinden.
Is dit erg? Of is dat juist de bijzondere kwaliteit? Overal heerst de tegenwoordige tijd al en misschien is Arti wel die ongeroerde oester die een kostbare honderdzevenenzestig jaar oude parel in zich draagt. Maar los van de discussie over de prijzen van het eten en herkenbaarheid van de leden, is het een boeiende vraag waarom hedendaagse kunstenaars zich juist hier zouden willen ophouden.

Op de achterzijde van diezelfde Artikrant uit mei 2006 staat bij de beschrijving van de tentoonstelling Espaces Relationnels: ‘…en bewijzen dat Arti, met zijn 19e eeuwse zalen alle kunst aankan die er heden ten dage wordt gemaakt’

‘Boven’
Vanuit de sociëteit voert de majesteitelijke trap naar de mooiste tentoonstellingszalen van Amsterdam. De sociëteitbezoeker stijgt als het ware op en belandt abrupt in een totaal andere wereld: de kunst van nu met haar kenmerkende multidisciplinaire diversiteit, concepten, sensaties en grensoverschrijdende experimenten.
De ontwikkeling van het tentoonstellingsprogramma van Arti loopt vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw parallel met de ontwikkelingen, die elders ook hebben plaatsgevonden. De eventuele stoffigheid en de dynamiek hier zijn vergelijkbaar met veel andere vergelijkbare tentoonstellingsplekken in Nederland. Het nu meestal thematische georiënteerde tentoonstellingsbeleid van Arti onderscheidt zich niet specifiek op een bepaald vakgebied of artistiek standpunt. Het heeft niet de mogelijkheden van een museum, maar het volgt wel op afstand de gemiddelde praktijk van een kleinschalig museum voor actuele kunst. Grote internationale namen ontbreken, maar het circuit van de wat nationaal georiënteerde kunstenaars zijn ook hier vaak te zien. Er heerst de uitdrukkelijke wens om de multidisciplinaire actualiteit te tonen en aansluiting te zoeken met initiatieven van buiten Arti. Of dat altijd lukt, is de vraag, maar de ambitie is er wel.
De werkwijze is curatorgericht en daardoor is het werk van de kunstenaarsleden beperkt zichtbaar. Uitzonderingen hierop zijn de jaarlijkse ledensalon en de nieuwe ledententoonstelling. Een enkele keer is een tentoonstelling spraakmakend, maar de meeste vinden plaats in de luwte. Kortom: de bovenstaande kenmerken zijn die van een echte middenmoter. Aan de andere kant: het is echt Nederlands. Op dit moment is er in Nederland geen enkele culturele instelling, museum of initiatief, dat boven het maaiveld uitkomt of uit wil komen. Het Arti-tentoonstellingsbeleid past in dit opzicht, net als elke andere culturele instelling, goed in het Nederlandse artistieke klimaat.

‘Boven’en ‘beneden’
Het getoonde werk op de tentoonstellingen in de bovenzalen, heeft - naar mijn weten - de laatste decennia nooit de sociëteit beneden gehaald. Dat was oorspronkelijk, zeker de eerste honderd jaar, niet zo. Er moet een moment zijn geweest dat deze scheiding is ontstaan. Uit het Artiboek ‘Een vereniging van ernstige kunstenaars 1839-1989’ is op te merken dat er tot en met de jaren zeventig van de vorige eeuw geen duidelijk onderscheid was tussen ‘boven’ en ‘beneden’. Immers de Breitner is eerst boven tentoongesteld en is toen op een bepaald moment een etage gezakt. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden te vinden. In de sociëteit hangen werken van gezichtbepalende leden van Arti tot een bepaalde tijd. Nieuwere werken zijn permanent afwezig.
Er hangen ook geen werken van oudere moderne meesters, terwijl sommigen wel lid waren. De klassiek-figuratieve 19e eeuwse schilderkunst heerst nu nog steeds in de sociëteit en in het Artiboek is duidelijk zichtbaar dat dit tot diep in de jaren zeventig ook op bestuursniveau zo was. Goede, vakbekwame klassieke schilders, zoals Theo Kurpershoek (voorzitter), waren tot halverwege jaren zeventig als prominente Artileden actief in het bestuur. De tentoonstellingslijst laat tot ongeveer die tijd eenzelfde beeld zien: veel klassiek-figuratief werkende kunstenaars stelden ten toon. Tot die tijd was er nog sprake van een hechte eenheid tussen boven en beneden. Het was daarom geen probleem om werken van ‘boven’ naar ‘beneden’ te halen. Het leverde geen stijlbreuk met het aanwezige interieur op.

Schizofreen
Op een bepaald moment is het tentoonstellingsbeleid gewijzigd en is de eenheid tussen ‘boven’ en ‘beneden’ verbroken. In de integraal opgenomen tentoonstellingslijst in het Artiboek is dat moment herkenbaar. Ik denk dat ‘Beyond Performance’, in 1989 samengesteld door Franck Gribling, het keerpunt is geweest. (Mogelijk ligt dit moment eerder, maar dat heb ik uit de beschrijvingen niet kunnen opmaken). Tot die tijd overheersten virtuoze pasteltekeningen, gedegen grafiek, klassieke schilderijen en bronzen beelden. En gezien de thema’s en kunstenaarsnamen waren er veel landschappen, dieren, interieurs, mensen en stadgezichten te zien. Deze klassiek-figuratieve kunst met haar kenmerkende vakbekwame losse toets is ‘boven’ totaal verdwenen, ‘beneden’ houdt deze nog onverkort stand. Arti is in wezen vanaf om-
streeks 1989 artistiek schizofreen geworden en heeft toen twee artistieke persoonlijkheden gekregen, die volstrekt onafhankelijk van elkaar functioneren en die elkaar bijna lijken uit te sluiten. Al ruim twintig jaar volgt het tentoonstellingsbeleid nadrukkelijk de actualiteit en wil zich het liefst scherp met de buitenwereld verhouden. De readymades zo van de straat, verontrustende video’s, shockerende foto’s, met dierlijke drift gemaakte tekeningen, enorme getimmerde installaties, alles ‘wat mijn kleine broertje van drie ook kan’; de kunstwereld, de echte buitenwereld is in alle gedaanten de bovenverdieping binnen gedenderd en zal daar ook niet meer uit weggaan.
De sociëteit beneden is in alles tegengesteld hieraan. De buitenwereld is daar ver weg. De schilderijen bevestigen het gevoel van eigenwaarde: iedereen die hier komt stelt wat voor. Hier vind je geen vervreemding, geen verwarring, geen shockerend lawaai of grove beeldende extremiteiten, geen afval dat voor kunst door kan gaan, geen opzettelijk onhandige vormgeving, geen opruiende manifestaties van 20e eeuwse radicaliteit, maar louter vertoon van ouderwets vakmanschap. Het heeft de uitstraling van rijkdom, rust en orde, die hoort bij een echte, ouderwetse, besloten eliteclub.
Deze tweedeling heeft zich zelfs vertaald in drukwerk: De Nieuwe voor ‘boven’ en de Artikrant voor ‘beneden’. Het meest unieke is dat de beide persoonlijkheden in relatieve harmonie samenleven. De spanningen blijven binnen het aanvaardbare. De aanwezige strijdpunten zijn ondanks de schizofrenie nog steeds nauwelijks een ruzie waard. De vraag blijft: waar komen de kunstlievende leden en de kunstenaars op af? Zou het zo zijn dat de kunstenaars voor ‘boven’ lid worden en de kunstlievenden voor’ beneden’? En dat de discussie tussen deze beide ledengroepen hiermee verklaard is?
Ik geloof het niet. Hoeveel kunstenaars staren op een regenachtige donderdagavond niet wat voor zich uit in de wetenschap dat de Breitner daar eeuwig blijft hangen, met op de achtergrond het altijd geruststellende getik van de biljartballen?

Frank Lisser

Beeld: Arti

< back