pre Passee 2006/13

Malaparte, een huis zoals ik

In ons collectieve geheugen zien we nog steeds prins Claus: hoe hij bij de een of andere gelegenheid met een mooi gebaar zijn stropdas afdoet en weggooit.
Een sterke stropdasherinnering heb ik aan Roberto Payer, Italiaans directeur van het Hilton en kunstliefhebber. Ik was ooit uitgenodigd om in zijn restaurant Roberto te komen eten onder het genot van operagezang. Al snel bleek dat we dezelfde voorliefde voor de Italiaanse kookkunstenaar hadden: Marinetti. We maakten een afspraak om in de bar van het Hilton koppen met spijkers te slaan. Helaas, als kookkunstenaar zou ik het Volkskrantpubliek trekken, terwijl het Telegraafpubliek op Roberto’s activiteiten af kwam. Exit. Nog wel napraten. Roberto zag dat ik onder mijn leren bloes een zwart nethemd droeg en vroeg wat ik daaronder aan had. Naakt. En jij Roberto, elegante Italiaanse man met de mooiste stropdassen van de stad? Ooh Fredie. Iedere ochtend doe ik een mooie schone stropdas om. Verder niets. Naakt sta ik zo voor de spiegel en dan kleed ik me pas aan. Wat past er bij die stropdas?

Dit verhaal vertelde ik aan twee Zwitserse kunstverzamelaars die bij me op bezoek waren. Ze wisten er ook een. Of ik Malaparte kende? Nee. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Malaparte een Italiaans oorlogscorrespondent en hij kreeg voor de oorlog al een aanvaring met Mussolini. Hij had in de krant geschreven dat Mussolini zo’n slechte smaak had wat de keuze van zijn stropdassen betrof. Mussolini las het en riep Malaparte op het matje. In de werkvertrekken van Mussolini kreeg Malaparte een uitbrander en mocht daarna weer gaan. Bij het weggaan draaide Malaparte zich nog een keer om en vroeg of Mussolini speciaal voor deze dag zijn lelijkste stropdas had omgedaan.

Politieke nar
Daarna vertelden de twee Zwitsers mij dat Malaparte een paar respectabele romans heeft geschreven en zich in zijn leven van fascist tot communist bekeerde. Van hem wilde ik meer weten. Curzio Malaparte was half Duitser, half Italiaan en heette eigenlijk Erich Suckert. Zijn Duitse vader was naar Italië gekomen om er een textielfabriek op te zetten. Het pseudoniem bedacht Curzio na het zien van een pamflet met de titel: ‘I Malaparte e i Bonaparte’. Als fascistisch jochie trok hij al jong als soldaat tijdens de Eerste Wereld -oorlog ten strijde met tienduizend andere Italiaanse soldaten. Behalve Malaparte kwam er bijna niemand terug. Hij heeft zijn leven lang last gehad van beschadigde longen door een gifgasaanval.
Daarna floreerde hij als journalist en ook steeds meer als anti-oorlogscorrespondent. Daarmee maakte hij geen vrienden. Met zijn teksten ging hij nogal eens over de schreef - hij werd ontslagen, vertrok naar Parijs en in 1931 verschenen daar van zijn hand teksten die een bepaalde persoon heel boos maakten. Volgens Malaparte was Hitler een pappig en hoogmoedig Oostenrijker, met in werkelijkheid een vrouwelijk karakter, vreselijk jaloers; één lange scheldkanonnade met als slotopmerking: Hitler is de dictator, de vrouw die Duitsland verdient. Toen Malaparte twee jaar later naar Italië terugkeerde werd hij in elkaar geslagen en in de gevangenis gesmeten. Zijn hoofd hoefde er niet af, zoals in die tijd het hoofd van onze Marinus van der Lubbe wel moest rollen. Mussolini die hem had laten straffen, stak daar een stokje voor. Hij mocht die politieke nar wel.

Kaputt
Nog tijdens de oorlog in 1943 verschijnt ‘Kaputt’, een roman. Het boek maakt moedeloos als je bedenkt, hoe vaak er in het Westen is geroepen dat we het niet wisten. Zowel van de goede als de foute kant. Zijn teksten vliegen via Zweden de wereld rond, maar over de gruweldaden in het getto van Warschau, pogroms in Roemenië, smeerlapperijen van Himmler wordt wel gelezen, maar het wordt niet waargenomen. Alles heeft hij opgeschreven. Prozaïsch en doorspekt met veel cultuur. Hij blijft tegen Duitsers, foute Roemenen en Finnen glimlachen, hij blijft bij ze om het allemaal te kunnen zien en te beschrijven.
‘Kaputt’ begint met kleine gruweldaden en verschrikkingen. Malaparte mag in de winter mee met een Duitse patrouille en ziet onderweg in de bossen mannen staan, die de weg wijzen. Levende wegwijzers. De Duitsers grinniken om zijn opmerking en laten een van de wegwijzende mannen van wat dichterbij zien. Een al dan niet doodgeschoten en daarna bevroren Rus die met een arm de richting wijst, grappig toch. Malaparte grinnikt voor de vorm mee, zoals hij de hele roman door blijft lachen en ondertussen pogingen doet onder het oog van de Duitsers de slachtoffers te helpen.
In Finland komt hij langs een meer vol steigerende paarden, een momentopname die maar niet voorbij gaat. Een grote groep cavaleriepaarden is in de bossen op hol geslagen, nadat er een bosbrand is uitgebroken. Ze draven richting een meer en storten zich massaal in het water. De brand nadert en het wordt nacht. De paarden steigeren angstig in het ondiepe water, ze willen weg, maar kunnen niet en bevriezen bij een invallende vorst die snel daalt naar bijna veertig graden onder nul. Daarna is bijna een half jaar, diep in de bossen van Finland de momentopname, zoals beschreven door Malaparte, te zien. Dan verandert het meer weer in een waterplas vol stinkende paardenkadavers.
Langzaam rukt het echte leed op. Maar eerst wordt er nog zalm gegeten met Duitse officieren. De opgediende zalm wordt minutieus beschreven: hoe door de zilveren glans van de huid het zachte, roze vlees van de vis een beetje zichtbaar is. Wegdromend bij die warme, roze zalmkleur, vraagt hij zich af of de Russen er niet beter aan zouden doen een roze, nationale vlag te nemen. Dat zou de wereldvrede ten goede komen! In het getto van Warschau mag hij als Italiaanse oorlogscorrespondent rondlopen, ziet tussen Duitse soldaten, jonge en oude Joodse mannen afgevoerd worden. Op zijn vraag waarom de afgevoerde mannen bij vijftien graden onder nul naakt over straat lopen, krijgt hij als antwoord dat ze zichzelf uitkleden en de kleren aan de achtergeblevenen afgeven. Zij hebben ze toch niet meer nodig. Malaparte begint te filosoferen en kan niet tot een andere slotsom komen dan dat de Duitsers zo wreed zijn, omdat ze bang zijn. Vooral heel erg bang voor andere bevolkingsgroepen, die nog banger voor hen zijn.

Angst
Angst. Waar heb ik dat eerder gelezen? Schopenhauer was ook een bang mens, bezeten door allerlei angsten. Vanuit zijn woning in Frankfurt zag hij ooit arbeiders die bang waren hun werk te verliezen en protesterend over een brug liepen, recht aan zijn woning voorbij. Hij herkende de arbeiders en heeft ze met naam en toenaam bij de politie verraden. Heel bekend werd Schoft Schopenhauer met de uitspraak, dat hij angst had voor de momenten waarop hij geen angst zou hebben. Malaparte is net als Schopenhauer een toeschouwer, maar hij verraadt ze niet en met hen lijkt het wel of ik beide kanten bedoel. Mag dat wel? Malaparte probeert hoe onzinnig het mag lijken beide kanten aan het woord te laten. En hoewel het boek als roman is geschreven, mag je wel zeggen dat het hem zijn nek heeft gekost. Hoe kun je in vredesnaam in zo’n verschrikkelijke oorlog geen partij kiezen en wil je beide kanten laten zien? Waarschijnlijk liep hij met een utopistische gedachte rond van de objectieve oorlogscorrespondent, een kameleon.
Kort na de oorlog kreeg hij het nog zwaar te verduren. Een overloper van rechts naar links. Samen met zijn hondje Febo trok hij zich terug op het eiland Capri. Hij had van een boer een stuk kale rots gekocht en zei dat hij daar konijntjes ging fokken. In werkelijkheid liet hij er een woning neerzetten ‘Casa Come Me’: een huis zoals ik, en van een schoonheid zoals ik zelden een huis heb gezien. In zijn testament stond dat na zijn dood het huis geschonken moest worden aan het volk van China. En zo geschiedde in 1957. De huidige bewoner is een Duitser en heeft het huis omgedoopt in Casa Malaparte. Hij is de beheerder van de nalatenschap van de beroemde Duitse kunstenaar George Grosz. De bal is rond.

Fredi Beckmans

Kaputt, Curzio Malaparte,
De Arbeiderspers, Amsterdam 2005,
isbn 9029538287

Beeld: Casa Come Me

< back