|
Alles is al gezegd
Interview met Rob van Koningsbruggen
In de jaren zeventig werd Rob van Koningsbruggen (1948) bekend met zijn geschoven schilderijen. In de jaren tachtig begon hij met de kleurcirkel en de vermenging van de kleuren met de kwast. Hij had grote exposities in het Stedelijk Museum van Amsterdam (1977), het Boymans van Beuningen (1987) en een grote overzichtstentoonstelling in het Gemeentemuseum van Den Haag (2002). Recentelijk was zijn werk te zien bij galerie Tanya Rumpff (2006) in Haarlem.
Ach ja... Arti, je dacht zeker ik zal eens een ex-sociëteitslid interviewen. Heel lang geleden zei ik eens tegen mevrouw Welman, dat het jammer was dat Arti nooit op zondag open was. Toen zei ze: nee, dat doen we niet, want dan komen er alleen maar van die rare, eenzame mensen. Arti had 150 jaar geleden een voortrekkersrol, hè? Daar kwam toen geen vernieuwing op en toen op een gegeven moment het kubisme kwam, is dat gewoon niet opgepakt bij Arti. Arti is gewoon een curiositeit en laat dat maar zo blijven ook. Alleen moeten er hondjes in kunnen, dan word ik weer lid. Je kon er mooi biljarten en je had toendertijd voor acht gulden een dagmaaltijd. Nee, ik heb er een mooie tijd gehad, voor de sociale contacten. Ik was 26, 27 jaar en vond het heel interessant want daar zaten kunstenaars van 60, 70, 80 jaar (ik ben nu zelf van die leeftijd). En het was zo vreemd, die hadden het altijd over hun academietijd. Van voor de oorlog waarschijnlijk. Waarom doen ze dat? dacht ik dan. Artsen doen dat toch ook niet. Toen heb ik me voorgenomen om dat bij het ouder worden niet zelf ook te gaan doen (daar ben ik nu mee bezig). Want waarom deden ze dat? Was het nostalgie, was het heimwee? Ik denk dat het meer te maken had met het feit, dat ze helemaal niks snapten van de conceptuele kunst en noem maar op van die tijd.
Landschap
Dit is mijn ‘broedplaats’ (lacht - MV). Nog wel. Er komt een dijk voor m’n huis. Hoe hoog die wordt weten ze nog niet. Ze zijn er al vier jaar mee bezig. Er komt een meer. Daar waar je die schapen ziet lopen, komt water. Daarlangs willen ze huizen bouwen. Ik vraag me vaak af waarom ik hier ben gaan zitten en niet in Amsterdam ben gebleven. Daar ben ik nog niet helemaal uit. Kijk, alles wat je in Amsterdam ziet, is door mensen gemaakt, hier niet. En ja, die natuur... de natuurlijkheid. Ik heb die natuurlijkheid nodig. Een huis blijft een huis, een boom verandert. Misschien is dat het. In de stad is alles statisch. De wegen, de huizen blijven hetzelfde en hier: de bomen en alles verandert steeds. Dat wil ik in m’n schilderijen ook. In de stad voel ik me gevangen.
Ik ben een landschappelijk schilder. Geen mensen. Als je door musea loopt, merk je dat je voor bepaalde schilderijen valt. Zo zag ik destijds een schilderij van Jan van Gooyen. De eenvoud. Als ik in de 17e eeuw zou hebben geleefd, had ik - denk ik - als Jan van Gooyen geschilderd. Niet als Rembrandt. Geen portretten. Bij een mens is alles altijd in een bepaalde verhouding. Dat vind ik zo vervelend. Een landschap heeft vrijheid. Je kan het in wel 100 kleuren schilderen, je kan de horizon op z’n kop zetten of diagonaal, maar het blijft een landschap. Het blijft iets landschappelijks houden. Je handschrift is ook belangrijk, hoe je het schildert. Je moet wel oppassen als je hier buiten woont, dat je niet impressionistisch gaat kijken. Dat is een
valkuil waar heel veel mensen in lopen. Ik schilder er doorheen. Als je impressionistisch gaat schilderen dan houdt het op.
Ik ben geen 24-uurs kunstenaar, zoals sommige mensen en weet niet hoe lang ik aan mijn schilderijen denk. Het werken gaat langzaam, moeizaam. Het broeit lang. Ik weet ook heel lang niet wat ik moet doen. Ik ga zitten, soms zie ik helemaal niks, maar ik blijf kijken. Vanuit m’n ooghoeken of heel bewust. Ik speel met m’n hond of ik kijk naar buiten, loop weer eens weg, loop terug. Ergens in je achterhoofd blijft het zitten. Dan doe ik wat en na een paar dagen zie ik dat het niet goed is en begint het weer van voren af aan. Ik zet dingen ook een tijd weg. Soms laat ik het een half jaar rusten als ik er niet uit kom. Als je ze dan weer te voorschijn haalt, zie je ineens weer een heel nieuw ding. Dan kan ik weer verder. Appel zei een paar jaar geleden: ‘Ik kijk mijn schilderijen af’. Ik vroeg mij af wat hij daarmee bedoelde. Dat heeft me toen wel even aan het denken gezet, want een schilderij is nooit af. Dat had hij mooi gezegd op z’n ouwe dag. Een schilderij afkijken: je moet het op tijd kunnen loslaten. Ik maak dia’s van mijn schilderijen en dan ga ik er op door. Als je na een paar jaar die dia’s terugziet, denk je: waarom heb ik dat niet zo gelaten? Maar dat heeft ook iedereen.
Toeval
Ik kan je m’n atelier wel even laten zien, maar ik ben nog met dingen bezig en het leidt ontzettend af als je mensen iets laat zien waar je nog mee bezig bent. Of ze zeggen: mooi blauw, terwijl je dat toch beïnvloedt. Raar is dat hè? Het is allemaal nog zo open. Maar ja, dat is allemaal al bekend. Mijn werk is anders geworden dan in de tijd van de geschoven schilderijen. Het is hetzelfde, maar dan 180 graden andersom. Daar bedoel ik mee dat ik een andere methode ben gaan toepassen. Er gebeuren voor mij dezelfde dingen in, namelijk de dingen die je niet in de hand hebt. Je moet geen compositie maken, het moet ontstaan. Het weghalen, het laten staan... je hebt het niet in de hand hoe je schildert, wat er gebeurt. Dat vind ik belangrijk. Destijds bij die gebreide werken was dat ook zo. Eigenlijk waren dat driedimensionale tekeningen die ik vertaalde naar een breiwerk. Door bijvoorbeeld het vallen van een steek, ontstond er een vorm die je niet van te voren zou kunnen bedenken. Ik probeer het denken uit te schakelen. Jawel. Bij het schilderen denk je niet; je denkt van tevoren. Als je gaat schilderen is het denken voorbij, laat je je hand gaan. Ik zag destijds een reproductie op A4-formaat van een heel groot rood-geel-blauw schilderij dat ik had gemaakt, waar hele zwarte stukken in zaten. Die zaten ook in het schilderij, maar dat zag ik pas op dat kleine formaat. Ik dacht: hè, dat geel, rood en blauw geeft zwart. Dat is iets dat men al langer wist, maar ik wist dat nog niet. Dat ben ik toen met de kwast gaan doen. Daar kon ik toen heel wat schilderijen over maken. Sinds een half jaar gebruik ik de kleur bruin, die ik tot die tijd in Amsterdam had laten liggen. Allerlei bruinen: ombers, okers en hoe ze allemaal heten. Nee, het heeft niets te maken met wat er voor m’n deur gebeurt. Kleuren hebben voor mij geen emotionele lading, nog niet. Dat kan nog komen (lacht - MV) op m’n ouwe dag, als ik nog ouwer ben. Zoals verf een gebruiksvoorwerp is, is kleur dat ook. Geen doel op zich. Je wilt er wat anders mee, maar wat dat nou precies is, dat weet je toch niet. Daar kom je niet achter. Dat hoef ik ook niet te weten. Ik ben nieuwsgierig, maar als je gaat onderzoeken, zoek je bewijsbare resultaten. Bij mij gaat het er niet om, om iets te bewijzen. Je laat een schilderij zien.
Kunstwereld
Die uitspraak van Schoonhoven van: ‘wat kan mij het schelen’. Ja, die vind ik nog altijd goed, want ik heb gemerkt dat als je heel erg je best gaat doen, dan werkt het niet. Ik houd niet van je best doen. Mensen vinden dat provocerend, maar als je je best doet, krijg je dat hele rationele en daar kan ik niks mee. Vroeger was ik wel dwars. Nu minder, nu ik ouder word. Nou ja, ik weet het niet. Ik wou me niet aan mensen binden of conformeren; niet met ze meepraten. Omdat je ruimte nodig hebt. Ik wilde bepaalde mensen ook een beetje provoceren, tarten om te kijken of ze daar doorheen keken. Ze moesten gewoon m’n werk goed vinden en niet iets kopen, omdat ik zo aardig zou zijn. Als ik zei: het is een boerenlul, dan had die man daar doorheen moeten kunnen zien en toch mijn werk moeten kopen. Dikwijls gebeurde dat dan niet. Je moet toch wel een beetje stroopsmeren, dan kom je verder.
Je werk wordt duurder, je komt in grotere kringen....Nee, nee, ik denk niet dat het nodig is om aardig te zijn tegen de mensen. Ik doe wel eens m’n best. Ik heb Gijs van Tuyl nog geen handje gegeven. Daarom heb ik hem natuurlijk ook nog niet gezien op m’n atelier. Ik had hem een hand moeten geven. Daar gaat zoveel tijd in zitten. Laat hij maar een tentoonstelling met me maken, maar ik ga niet naar hem toe. Ontmoeten is ook veel moeilijker als je hier buiten woont. Je bent toch een uur reizen van Amsterdam en dat voel je ook. Ik kan toch het beste opschieten met mensen die iets met kunst doen, helaas. Anders moet je het gaan uitleggen en dat kan dikwijls niet. Met sommige verzamelaars heb je wel een bepaald contact. Ja, verzamelaars, op een gegeven moment zijn ze vol van je en dan gaan ze naar de volgende. Veel verzamelaars zijn geïnteresseerd in jonge kunstenaars. Zodra je niet meer jong bent, kom je ook in een ander circuit terecht: het gesettelde circuit. Vroeger in 1972, toen ik bij Riekje Swart zat, waren m’n schilderijen heel goedkoop. Waar die schilderijen nu zijn, houd ik niet zo bij. Sommigen verkopen ze bij Sotheby’s of bij Christy’s. Dan wordt er winst gemaakt. Daar kunnen ze dan weer jonge kunst mee kopen. Ik heb me er wel eens ontzettend druk over gemaakt. In de tijd dat ik bij Swart zat (mijn eerste galerie was Orez in Den Haag waar ook Schoonhoven bij zat), was ik 28 of 29 jaar, heel jong dus. Toen kreeg je de Jonge Italianen en de Jonge Wilde Duitsers en wilde ze mij niet meer exposeren. Zij had totaal geen interesse meer in die abstracte kunst. Met vrachtladingen kwamen de Jonge Fransen hier naartoe. Een beetje de waan van de dag was het. Misschien wordt het wel steeds erger. ‘Jonge Kunstenaars’ is ook een begrip geworden.
Buitenland
Ik verkoop heel weinig in het buitenland. Je moet zelf op reis gaan; je moet het zelf doen. Je denkt: ze komen wel naar me toe. Maar dat is niet gebeurd; hebben ze nooit gedaan. Dat moet je ook doen voor je 30e, denk ik. Nu kan het niet meer, nu ben ik een ouwe lul en daar hebben ze geen interesse meer in. De mensen die het wel is gelukt, zijn allemaal op jonge leeftijd weggegaan. Ik houd niet van reizen, anders had ik het misschien gedaan. Ik mocht een half jaar in New York zitten in zo’n loft maar ik durfde niet; zo helemaal in je eentje.
Toen de jonge kunstenaars kwamen, kwam ik bij van Krimpen (daar heb ik een jaar of wat gezeten) en die zei: ik kijk wel uit om met je naar het buitenland te gaan, dan ben ik je kwijt. Hij heeft het met sommige kunstenaars wel gedaan hoor, maar dat was niet zo’n succes. Ik weet ook niet wat er was gebeurd als ik wel mijn best had gedaan om in het buitenland te exposeren. Hier in Nederland heb je niet meer nodig dan één goede galerie (ik zit nu bij Tanya Rumpff) en dan in het buitenland een of twee. Maar ja, probeer dat maar eens vol te schilderen. Dan moet je ook een behoorlijke productie hebben. Dan zie je bij veel mensen de kwaliteit achteruit gaan. Dat is ook allemaal al gezegd.
Marianne Vollmer |