|
De hoogste hartstocht steeds opnieuw
Religie is een netwerk van verhalen en beelden die verwijzen naar iets daarbuiten: de idee van het goede. Het is enthousiasme en het geloof in de mogelijkheid om mens onder de mensen te kunnen zijn in de steeds verschuivende werkelijkheid, vol ontreddering en eenzaamheid. Of we wel of niet geloven in wat, volgens Nietzsche, het fossiel uit de kinderjaren van de rationaliteit wordt genoemd: in kunstwerken kunnen we nog steeds het andere in zijn conditie van vrijheid ontmoeten, een mogelijke aanwezigheid van het transcendente, een actualiseren van de hoop en een aanmoediging van een onafhankelijk denken.
Er bestaan veel historische, sacrale beeldende kunstwerken die nooit oud worden, nooit voorbij zijn, en waar we een primaire, voor-rationele, ‘voortalige’ wereld van kleuren en vormen zien, die direct kan worden ervaren en ons doen geloven. Een zinsbegoocheling, die ons wegrukt uit de alledaagse banaliteit en verwarring. Het esthetische, religieuze beeld is altijd door orde en harmonie uit op het idee van het goede. Het ontroert ons zoals de Mattheus Passion, of de kruisafname van Fra Angelico, of de piëta Rondanini van Michelangelo. Het troost ons, zoals Bernini’s engel bij de extase van Teresa of Giotto’s Scrovegni-kapel in Padua. Het grijpt ons aan in de zwarte schilderijen van Goya of de nacht van Max Beckmann.
Elke uitdrukking komt van een verborgen innerlijke gloed.
Christelijkheid is innerlijkheid. Een idee van het goede. De dood voorbij. Een luisterend geloven en je kan het zien. Als we er naar luisteren of kijken is het waar. Afgezonderd van wat er in de wereld gebeurt, weten de kunstwerken dat je niet de enige bent die naar ze kijkt. De aarde was woest en ledig en duisternis lag op de vloed, maar wij kijken samen naar de kunstwerken. In hun schoonheid voelen we ons geborgen. Ze vertrouwen ons die anderen toe.
Gemeenschap
Religieuze kunstwerken willen de mensen helpen, zoals we de kinderen helpen bij het zetten van stappen. En eenmaal oud geworden en met de tijden ook veranderd, weten we bijna niet meer wat we nodig hebben.Totdat we weer opnieuw ontdekken wat Wallace Stevens zegt in een gedicht: ‘De dood is de moeder van de schoonheid’. Zonder een besef van de dood, van een daadwerkelijke, definitieve verandering en een definitief verlies, zou er geen kennis van het leven en geen kunst zijn. We hebben de kunst om niet aan de waarheid ten gronde te gaan, en de kunst is zelf een soort dood, zij het in dienst van het enige leven dat er is.
Alles wat ons getoond wordt, is ook binnen in ons. In kunstwerken is iets aanwezig dat ons op het spoor brengt van de enkeling. Verborgen, voordien vaak onopgemerkte, onaangeboorde mogelijkheden van articulatie. Het gaat om een waarachtig opnemen in tegenstelling tot het consumeren. Wat ons e-thisch verbindt, leeft nu nog in beelden van individuen verder. ‘In het beeld hebben wij gemeenschap,’ zei H. Visch.
Het zit in die onvervreemdbare uiting van betrokkenheid van de kunstenaar. En kijkend naar ieder werk ontstaat een ervaring die ons met de ‘actualiteit’ verbindt.
De idee van het goede
Actualiteit is datgene wat wij als actueel ervaren en noemen. Datgene waarin wij actief zijn. Iedere duistere gebeurtenis van ellende, angst en ontzetting probeert onze eigen activiteit te verlammen. De met bloed doordrenkte aarde van de politiek vraagt om enthousiaste tegenkrachten. De oppervlakkige media en de reclame verlammen ons in de opeenstapeling van louter lege berichten. Wij consumeren zonder een actuele verbinding te voelen. Zonder een idee over hoe we steeds dichter het ideaal van een eeuwige vrede kunnen naderen. Zonder idee over hoe nog te handelen. Kunstwerken spreken ons op een verassende wijze aan. Op een wijze die tot een andere dimensie behoort dan datgene wat verschijnt.
Het gaat om iets dat niet van de orde is van het beeld of de weergave. Het kan ook niet tot thema gemaakt worden. Er zijn geen woorden voor. Het wordt echter in elk tot-thema-maken en in ieder woord verondersteld, omdat het thematiseren en het spreken altijd ook een aanspreken en aangesproken worden zijn. Het valt ‘buiten’ het domein van de kunst en de literatuur, en ook van de filosofie, maar het heeft plaats in elke vorm van kunst en filosofie. Plato had er een naam voor, de idee van het goede, de goedheid, die volgens hem van een andere orde is dan het zijn.
De goede wil
Bij de idee van het goede hoort de vraag: ‘Wat moet ik doen?’ We handelen uit achting voor de zedenwet, op grond van een ‘goede wil’. De categorische imperatief van Kant zegt ons te handelen op grond van een goede wil, en (derhalve) een handelen waarvan het uitgangspunt aan alle mensen kan worden opgedragen. Hij bedoelt: de waarheid spreken, de eigen natuurlijke talenten aanwenden in de samenleving, weldadig zijn naar behoeftige mensen toe enz...
Het begrip goed’ heeft iets dubbelzinnigs. Is iets pas goed omdat wij het verlangen, of behoren wij iets te verlangen omdat het goed is? Kant kiest voor het laatste. Maar wij moeten ons het Goede niet voorstellen als een (begerenswaardig) object of een ding. Kant zegt: mijn wil, die gericht is op de zedenwet (de categorische imperatief ), wordt tot ‘bewegingsoorzaak’ ofwel motief van mijn handeling. Anders gezegd: mijn handelen wordt niet meer veroorzaakt door mijn lustbeleving, maar mijn morele handeling wordt enkel ‘veroorzaakt’ door de zedenwet die mijn rede opstelt. Ze stoelt niet op een of ander verlangen, maar alleen op de wil om goed te doen en om in overeenstemming met die redelijke zedenwet te handelen. Goedheid is dan: een eigenschap van de met de zedenwet in overeenstemming gebrachte wil, gericht op het veroorzaken van een handeling in de wereld.
Verwerkelijking
Er zijn heel wat kunstwerken waarin we de alertheid gedenken of getuigen van de bereidheid tot goede handelingen of de melancholie of zelfs scepsis over de afwezigheid daarvan. Omtrent de goede handelingen is sprake van een wonderlijke gelijktijdigheid: een gelijktijdigheid van de goede wil met een absolute ‘instantie’ (het GOEDE) die er altijd al aan vooraf ging, maar die de goede wil nodig heeft om zich te ‘verwerkelijken’. Is er zo niet ook een ‘instantie’ (de Schoonheid) die er altijd al aan vooraf ging en die de kunstenaar met een geordend inroepen van zijn intuïtie soms even aanraakt in een werk, en waardoor wij toeschouwers dan die metafysische glimp kunnen ontwaren? Als uitdrukking van de unieke toont het kunstwerk ons iets dat niet louter met zichzelf samenvalt, ofwel er is meer dan wat zich te zien geeft.
Kunstwerken zijn bezielde, verlijflijkte dingen en in staat tot expressie. In hun spel van vormen, in hun eigen ‘geheime’ taal, waarvan geen syntaxis of semantiek vastligt, zijn ze polyvalent en suggestief, nooit definitief. Ze hebben het vermogen om ons uit onze eenzelvigheid weg te halen.
Kars Persoon
www.karspersoon.nl
|