|
Over boeddhistische devotie
Untitled, een fotoreeks van Meiya Lin De lichtval is in elke foto anders. Vlekken zonlicht maken witte gaten in de vloer. Ze wisselen van vorm en worden in andere foto’s opgeslokt door schaduw of invallende duisternis. Dan zijn het de donkere vlekken die wisselen van vorm en op hun beurt worden weggehapt door lamplicht. Temidden van dat binnenspoelende en wegebbende licht staan onbeïnvloedbaar, als bakens in de verglijdende tijd, twee voeten op de tegelvloer. De repeterende aandacht voor de voeten in deze fotoreeks wekt haast vanzelf gevoelens van toewijding op. En van concentratie en van aandacht. Alleen wie de zwarte mantel herkent als het kledingstuk van de boeddhist die als leek gerechtigd is om thuis een tempel te hebben, zal de summiere uitsnede in de foto’s van Meiya Lin kunnen lezen als een oefening in boeddhistische devotie.
Het is de oma van Meiya Lin, van wie we de voeten zien. Meiya’s oma is een boeddhiste met een speciale missie. Haar offerandes en tekststudies overstijgen het particuliere. Ze mediteert, brandt de wierook, offert en leest hardop de teksten, precies zoals de monnik dat doet in de openbare tempel.
Op de foto zien we van het altaar of de tempel niets, noch van de zeven of acht Boed-dha’s die zich daarin bevinden, en ook is er niks zichtbaar van de mooie bloemen, het voedsel of de dranken die het object van de offerande’s zijn. Evenmin worden we van oma’s handelingen of van de boeken iets gewaar. Wat we wel zien, de voeten, is precies het beeld dat zich onuitwisbaar in Meiya’s herinnering heeft vastgezet sinds ze als kind van vijf, zes jaar een tijdlang bij haar grootouders woonde.
Dagvullend
Een paar jaar geleden kwam Meiya vanuit Amsterdam haar oma in Xiamen (Zuidoost-China) weer opzoeken. Ze wilde dat herinneringsbeeld, dat beeld gezien vanuit het perspectief van een kind, fotograferen. Gedurende één volle dag, van ‘s ochtends tot ‘s avonds, maakte ze haar opnamen en selecteerde daaruit een vijftiental voor deze reeks. Dat oma het boeddhisme bijzonder was toegewijd en veel tijd besteedde aan het lezen van de teksten was haar wel duidelijk. Maar dat het zo’n intensieve, dagvullende taak was, daarvan had Meiya eigenlijk geen idee. Zeven maal per dag oefent oma zich in de lessen van Boeddha en spant ze zich in om vorderingen te maken op de weg naar verlichting. Opgeteld duren die dagelijkse momenten van devotie vaak wel zeven of acht uur. Meiya Lin heeft die opperste concentratie op een minimale, open, maar insisterende wijze tot uitdrukking gebracht.
Toen Meiya een tijdje alleen bij haar grootouders woonde, waren haar ouders bezig een bedrijf op te zetten. Overdag, wanneer haar opa naar zijn werk was, was Meiya alleen met oma, die volop gericht was op het devote gebeuren voor de Boeddha’s. Aanvankelijk was het huis vol familie geweest. De volwassen zoons (de dochters gingen bij hun schoonfamilie wonen) bleven met hun vrouwen en kleine kinderen eerst bij de ouders wonen, alvorens ze in staat waren zich zelfstandig te vestigen. Terwijl de neefjes en nichtjes met de volwassenen geleidelijk wegtrokken, bleef Meiya, tot het moment waarop ze intern naar de sportschool ging, bij haar grootmoeder achter. Alleen heeft ze zich nooit gevoeld, ook al kreeg ze weinig aandacht. Het was er vredig, ze kon volop haar gang gaan met tekenen, knippen en eigen spelletjes, er heerste een stimulerende atmosfeer vergeleken met de kleuterschool waar de kinderen continu opdrachten moesten uitvoeren tussen huilende kinderen en mopperende leidsters.
Fleurige tegels
Paradoxaal genoeg beslaat het onderwerp waar deze foto’s om draaien - de boeddhiste in haar huistempel - maar een klein deel van het beeldvlak. Verreweg het meest in het oog springend is de tegelvloer met de gestileerde bloemen. Het is een traditionele vloer, zoals die in vele varianten voorkwam in Chinese huizen. Meiya herinnert zich uit haar jeugd geen andere vloeren dan deze, alle vriendinnetjes hadden thuis zo’n vloer, in uiteenlopende kleuren en patronen. Maar sinds een jaar of tien zijn veel oude Chinese huizen afgebroken en vervangen door appartementgebouwen. Die bieden modern comfort met moderne vloeren, in de meeste gevallen zijn dat vloeren van hout, net als in Europa. De productie van de fleurige tegels is om die reden gestopt, de fabrieken zijn gesloten.
Ook Meiya’s oma hangt verhuizing uit haar woning boven het hoofd. Het plan voor nieuwbouw ligt al klaar, het wachten is op het rondkomen van de financiering, waarvoor de projectontwikkelaars nog partners zoeken. Zo valt Meiya’s terugblik op momenten uit haar jeugd samen met een reflectie op de sociale context van China. Waarmee niet gezegd is dat haar fotoreeks binnen de algemeen in China gevoerde discussie getrokken zou moeten worden omtrent de overhaaste afbraak van de oudbouw. Daarvoor zijn de foto’s te intiem en te devoot. Ongetwijfeld is het ook een te platte gedachte om in de weerkaatsing van het felle zonlicht op de tegelvloer een metafoor te zien van het boeddhistische streven naar verlichting. Veeleer refereert het accent op de wisselende lichtval aan de lessen op het Art College van Xiamen, waar professor Qin Jian zijn schilderlessen articuleerde met het concept van de verglijdende tijd. Zijn studenten werkten in opdracht aan reeksen en schilderden, net als ooit Monet, eenzelfde beeld onder wisselende atmosferische omstandigheden.
Toch is de neiging groot om in de warme kleuren van de vloertegels het bemoedigende karakter van het boeddhisme weerspiegeld te willen zien. Het beeld van Boeddha herinnert de volgeling eraan om binnen zichzelf te streven naar vrede en liefde. Zijn gezicht glimlacht zonder het gebaar van de glimlach te maken, we lezen in zijn stille gelaat de intieme belofte waarin medelijden zowel als medevreugde resoneert. Zijn afbeelding (Peter Sloterdijk spreekt van ‘nirvanisch icoon’) inspireert de mediterenden tot een wereldverzaking die open staat voor de wereld. Boeddha is geen god, hij wordt niet vereerd, maar dankgezegd en gerespecteerd vanwege de lessen waarmee hij de mensen helpt om hun verantwoordelijkheid te nemen in het lange proces van inzicht, van verlossing uit het lijden en van onthechting.
De Boeddha, of liever de verschillende gedaanten van Boeddha, blijven hier buiten het kader. De blote voeten echter vertellen iets over de juiste instelling. Doordat ze ongeschoeid zijn en direct op de vloer geplant staan, kan de energie vrij en ononderbroken circuleren van het hoofd van de boeddhiste naar de tenen en terug. Het is niet zo dat alle leken-nonnen altijd met blote voeten mediteren of bidden; er bestaan speciale schoenen voor de dienst. Maar Meiya’s oma verkiest dat wel, mogelijk onder invloed van het subtropische klimaat.
Alles doordringende jeugd
In het Chinese Boeddhisme, dat tot de noordelijke variant wordt gerekend van de oorspronkelijk uit India verbreide leer, mogen leken de positie van de monnik of non innemen. De monniken dragen gele gewaden en de leken zwarte. Tweemaal per maand, op de eerste en de vijftiende dag van de boeddhistische kalender verzamelen de leken zich samen met de monniken en andere boeddhisten in de openbare tempel. Die vult zich dan met heftige geluiden, kleuren en vuur, en ook met hartelijkheid. De gevorderde leken moedigen de mensen aan en helpen hen bij het beoefenen van de methoden zoals die door Boeddha zijn uitgedragen, de verlichte voormalige prins die de leer in de zesde eeuw voor onze jaartelling heeft opgesteld. Daarmee helpt hij de mensen om zich te bevrijden van het lijden dat het leven nu eenmaal aankleeft. Het is zelfs mogelijk uit de cyclus van wedergeboorten te ontsnappen en de hoogste staat van verlichting te bereiken: het nirvana. Deze staat van geest moet in dit leven worden gerealiseerd. De boeddhist spant zich in om het wereldlijke ik te overwinnen, teneinde ruimte te maken voor een diepere, authentiekere manier van bestaan. De leidraad voor verlichting is het Achtvoudige Pad dat verlossing van het lijden zal brengen en bestaat uit deugdzame leefregels als: het kiezen van de juiste woorden (geen leugens, laster of ruwe taal), het juiste handelen (geen geweld tegen mensen en dieren, niet stelen of genieten ten koste van anderen), de juiste aandacht (alert zijn voor het hier en nu).
Zoals het beeld van Boeddha de mensen eraan herinnert om vrede en liefde in jezelf te ontwikkelen, zo herinnert de wierook aan de allesdoordringende invloed van de deugd. Wanneer Meiya’s oma wierook aansteekt, zorgt ze ervoor, door nieuwe aan te steken wanneer de eerste dooft, dat die blijft branden zo lang ze mediteert en uit de boeddhistische teksten leest. De bloemen die ze offert herinneren aan de vergankelijkheid. Ook het voedsel en de dranken worden met respect en betekenis opgeladen. De vrucht is, wanneer je hem opeet, niet meer gewoon een vrucht, maar een voorwerp met een lading. Soms, vertelt Meiya, voelde dat wel eens als een belasting.
Zoals dat in de meeste tempels het geval is, en zeker in de tempels bij mensen thuis, herbergt ook die van Meiya’s grootmoeder een lokale Boeddha. In dit geval is het een Boeddha met een vrouwelijk voorkomen, die van betekenis is voor de bescherming van vissers en anderen die op zee werken rond het eiland Xiamen.
Het schijnt dat bijna een op de tien Chinezen aanhanger is van de boeddhistische leer. Er zijn prachtige oude tempels in China; iedere toerist heeft er wel een paar bezocht. Het spreekt vanzelf dat roerganger Mao geen liefhebber was van de concurrerende Boeddha; tijdens zijn ‘culturele revolutie’ (1966-1976) vonden de diensten in het geheim plaats. Toch bleven de tempels op enkele uitzonderingen na intact. Tegenwoordig heeft de regering zeggenschap in de organisatie. Aan bestaande tempels wordt niet getornd, maar het oprichten van nieuwe is niet iets wat wordt aangemoedigd. De tolerantie ten opzichte van het boeddhisme geldt overigens niet voor het christendom. Wat echt onverzoenlijk staat tegenover het boeddhisme is natuurlijk het kapitalisme. De grote gretigheid waarmee de hedendaagse Chinees zich met mode, design en luxeartikelen omringt, zal het streven naar immateriële wijsheid in grote lijnen doen verbleken. In het centrum van Xiamen staat een hedendaags flatgebouw waarvan een hooggelegen terras een traditioneel tempeltje draagt. Wie denkt dat dit een van elders gered heiligdom is, vergist zich. Het is gewoon een folly, een decoratief element uit de oude doos dat is opgetrokken in opdracht van de bewoner van het naastgelegen penthouse. Die demonstreert meer zijn rijkdom dan zijn streven naar het moment van ultieme verlichting waarop men het ego los kan laten en de werkelijkheid zien in haar onvervulde volheid.
Karaokebar
Zelf is Meiya Lin ook boeddhist. Maar net als anderen van haar generatie kent ze de leerregels meer uit overlevering, in haar geval van haar oma, dan uit zelfstudie. Ze leest geen boeddhistische teksten, iets wat haar ouders wel regelmatig doen. Uit haar attitude als kunstenaar spreekt echter onomwonden haar respectvolle omgang met mensen en dingen. In haar werk geeft ze in navolging van Boeddha, blijk van ontvankelijkheid voor alles wat ze tegenover zich vindt. Het toedelen van voorspoed zoals dat in de tempel gebeurt, komt in Meiya’s werk terug als een existentiële zoektocht naar een betere bestemming. Met name haar meest recente werk, dat zijn première beleefde tijdens de open dagen van de Rijksakademie, is daar een voorbeeld van. De installatie Waiting for Evaporation is gebaseerd op een videoregistratie van werkzoekenden in China. Ze komen uit de provincie naar de grote stad en, gekleed als werknemers in een modern bedrijf, bieden zij zich aan voor werk. Maar vaak spreken ze alleen maar dialect en missen ze een opleiding. Meiya Lin presenteert hen op minimale wijze, zwevend in de ruimte en los van iedere context. Daartegenover vormen de meisjes van de karaokebar een opzettelijk exuberante tegenhanger, al vermag die uiterlijke gezelligheid niet verhullen dat hun positie allerminst gunstig afsteekt ten opzichte van de werkzoekenden.
Het eerste werk waarmee Meiya Lin internationale aandacht heeft verworven, duurt maar een minuut. In zestig seconden ontvouwt Breather een benauwend traject langs hoge gebouwen, enge passages en grauwe vlakten. Nu en dan belooft een spleet vol zonlicht het ogenblik van herademing en perspectief waar je als toeschouwer inmiddels heftig naar verlangt. Meiya Lin gaf de dagelijkse wandeling van haar ouderlijk huis naar het Art College in Xiamen, waar ze studeerde, in 2003 een abstracte, unheimliche draai. Ze registreerde het traject met de videocamera, maar kantelde deze zo nu en dan, zodat wanden pleinen werden en de oriëntatie grotendeels teloor ging.
Zo zijn het vaak de eigen ervaringen die ten grondslag liggen aan haar projecten. Door een vrije, niet-directieve en gereduceerde behandeling van het beeldmateriaal valt het ook derden, minder ingevoerd in de Chinese cultuur, niet zwaar om er betekenis in te herkennen. Al is het maar vanwege de verassende uitsnede in Untitled, het efficiënte gebruik van fotografie of de ruimte voor mysterie. Eenmaal in de ban van de visuele voorzet zal de gevorderde kijker beslist verder speuren naar wat er buiten beeld passeert.
Tineke Reijnders |