religie 2006/14

Moderne kunst: een omstreden collectie

In 1985 schildert Paul Klemann een man, op de rug gezien, in het portaal van een kerk. De man is naakt en heeft het daar duidelijk moeilijk mee. Hij probeert te bedekken wat er te bedekken valt, hij schaamt zich voor zijn naaktheid en twijfelt of hij wel de drempel van de kerk zal overschrijden. Twijfel aan het geloof en misschien ook wel aan het onderwerp. Mag dit geschilderd worden?

In het midden van de jaren tachtig was het schilderen van religieuze onderwerpen in Nederland zeer ongewoon en niet van gevaar ontbloot. In de kringen van de kunst was religie verdacht en zo ongeveer de grootste zonde die een kunstenaar kon begaan, was het werken in dienst van de kerk. Dat stond min of meer gelijk aan het tekenen van een eigen artistiek doodvonnis. Nu viel het met dat werken voor de kerk ‘gelukkig’ wel mee. De Kerk gaf nauwelijks opdrachten. Begin jaren zestig was er een abrupt einde gekomen aan het eeuwenlange mecenaat van de rooms-katholieke kerk. De bouw van nieuwe kerken stagneerde, aan de behoefte was ruimschoots voldaan en de secularisatie deed zich steeds sterker gevoelen. De kerken begonnen leeg te lopen.
Voor kunstenaars als Jan Dijker, Marius de Leeuw, Gérard Princée, Niel Steenber!gen, Albert Troost en Frans Verhaak, in de jaren vijftig nog goed voor talloze monumentale wandschilderingen, glas-in-lood vensters en sculpturen, bood de Kerk geen onderdak meer. Bovendien nam in de jaren zestig een aanzienlijk deel van de geestelijkheid en het kerkvolk radicaal afstand van ‘Het Rijke Roomse Leven’ met al zijn uiterlijke kenmerken. De liturgie werd sober, aan de zoete heiligen was geen behoefte meer. Menig gipsen beeld belandde op de schroothoop.
Glazenier Jacques Frenken trok zich het lot van deze beelden aan, verzamelde de resten en assembleerde ze tot pop-artachtige beelden. In de vaste opstelling van het museum staat één van zijn werken: een gipsen piëta, waar Frenken 365 spijkers in heeft geslagen. Een kritiek op de Kerk die haar erfgoed verkwanselde, maar tevens een nieuw beeld van smarten. In die tijd werd dat echter niet door iedereen onderkend. Frenken werd voor blasfemist uitgemaakt, sommigen zagen in hem zelfs een antichrist. In een tijdbestek van niet meer dan tien jaar waren kunst en kerk mijlenver uit elkaar gegroeid.

In 1987 acht het Museum voor Religieuze Kunst te Uden de tijd rijp voor een inventarisatie. Wat is er in de tussen liggende jaren gebeurd? En bestaat het nog wel, religieuze kunst? Uit de catalogus die bij deze tentoonstelling verscheen, Religieuze Kunst na 1952 in Noord-Brabant, blijkt dat de wonden nog niet geheeld zijn. Het taalgebruik is opvallend omzichtig, uitspraken worden geschuwd, het blijft bij voorzichtig gefluister. De angst om een deelnemer als religieus kunstenaar te stigmatiseren is bijna tastbaar. Maar voor het bestuur en directie van het museum is het signaal toch duidelijk genoeg. Een groot aantal werken uit de jaren vijftig wordt met steun van het toenmalige departement voor cultuur, WVC, verworven, net als een sculptuur van Henk Visch uit 1986: twee wielen waartussen een corpus (lichaam) van Christus dreigt te worden vermorzeld.
De mysterieuze titel lijkt de kijker een spiegel voor te houden: How beautiful this must appear to him who understands it. Onder dit gesternte wordt de collectie moderne religieuze kunst geboren en nog altijd is Uden het enige instituut in Nederland dat moderne religieuze kunst verzamelt.
Sindsdien is er echter wel veel veranderd. De religie is langzaam aan uit de verdomhoek! gekropen. Jongere generaties kunstenaars, die gevrijwaard zijn gebleven van de ballast van de jaren zestig, hebben zich aangediend. Maar de oude banden tussen kunst en kerk zijn niet hersteld. De rooms-katholieke kerk heeft haar mecenaat, uitzonderingen daargelaten, (nog?) niet hernomen, de initiatieven liggen nu meer aan protestantse kant. In het licht van de historie is dat een gedenkwaardige ontwikkeling, want de meeste protestantse kerkgemeenschappen in Nederland, en zeker de calvinisten, waren tot voor kort ‘beeldvijandig’.

De belangstelling van protestantse zijde uit zich vooral in de organisatie van tijdelijke tentoonstellingen in hun kerkgebouwen en verwante instellingen. Het geeft blijk van een toenemende interesse voor religieuze kunst, maar heeft niet of nauwelijks gevolgen voor het karakter en de inhoud van deze kunst. Opdrachten blijven immers schaars. De religieuze kunst die vandaag de dag het licht ziet, gaat praktisch geheel buiten de kerken om. De kunst is zowel gemaakt als bedacht door individuen. Het werk doet verslag van de persoonlijke beleving van de maker, is gekleurd, vaak moeilijk verstaanbaar en alleen daarom al omstreden.
Net als de meeste hedendaagse kunst overigens. Een van de eerste jonge kunstenaars die het taboe rond de religieuze kunst doorbrak was Marc Mulders. Zijn doeken tonen de sporen van het gevecht met de taaie, nat-in-nat opgebrachte verf, en zijn letterlijk loodzwaar. De onderwerpen doen daar nauwelijks voor onder. Getordeerde bloemstillevens, gevilde konijnen, piëta’s, doornen kronen en kruisigingen. Het is de dood die het leven markeert en tekening geeft, maar het is de natuur die steeds weer opbloeit. Mulders schildert afwisselend de klacht en de bloem die uit de aarde opstijgen.
Mulders verbeeldt het aardse, Gijs Frieling het bovenaardse, het mysterie. Hij schildert niet alleen de kruisdood, maar ook het lege graf en de opstanding. Of een engel. Onzichtbaar, zonder uiterlijk en toch wil Frieling er een vorm voor vinden. Frieling heeft daar geen pasklare antwoorden voor. Bij ieder onderwerp moet hij opnieuw op zoek en het resultaat beschouwt hij als niet meer dan voorstellen. Toch zijn z’n doeken herkenbaar aan de in eitempera opgebrachte verflagen die aan de werken een helderheid en lichtheid meegeven, gelijk een verschijning.
Een verschijning lijkt op komst in de terracotta sculptuur Zonder titel (Madonna-beeld op een haspel) van Guido Geelen, al is Maria op een zeer bijzondere wijze aanwezig.
Drie, opeengestapelde en gedraaide Madonnabeelden vormen de buitenkant van het beeld dat van binnen door een fel schijnende lamp wordt verlicht. Het werk doet denken aan een Lourdes-grot, het licht en de haspel verbeelden de energie en de kracht die van Maria naar de gelovigen uitgaat. Het beeld kan ook anders geïnterpreteerd worden en niet alleen gelezen worden als een boodschap van Maria, maar ook aan de Moeder Gods en wellicht aan de vrouw in het algemeen. Het licht schijnt immers niet alleen naar buiten, maar ook naar binnen. Een verwijzing naar de Annunciatie, de aankondiging van haar zwangerschap, van de vrucht, het leven dat zij zal dragen.
De verschillen in benadering en stijl van deze drie kunstenaars laten zien hoe moeilijk het is om de collectie moderne kunst te categoriseren. Bij ieder werk past een verhaal, of zelfs meerdere verhalen, want al onze pogingen om de werken te verklaren ten spijt, blijven het niet meer dan interpretaties. Formeel kunnen er wel enige verbanden worden gelegd. Vanwege de situering van het Museum en de subsidie van de provincie Noord-Brabant lag aanvankelijk het accent op werk van Brabantse kunstenaars. Van de Tilburgers Paul van Dongen, Marc Mulders, Reinoud van Vught en Guido Geelen, de Eindhovenaren Pieter Stoop en Henk Visch, de Bosschenaar Jacques Frenken, de Haarense Jes van der Bijl tot de meer met de rurale omgeving verbonden Johan Claassen (Gemert) en Leon Adriaans (Hel!mond/Den Bosch). Tot de niet-Brabanders binnen de collectie behoren ondermeer Natasja Kensmil, Rinke Nijburg, Gijs Frieling, Janpeter Muilwijk, Hans Wilschut en Constant. De collectie bevat een aantal grote fotoseries. De serie van Guus Bekooy dateert uit 1961. Het is een voor zijn tijd revolutionaire reportage over het contemplatieve leven van de zusters clarissen van Megen. Van Marrie Bot zijn de spraakmakende series Miserere (grote bedevaarten in Europa) en Een Laatste Groet (over rouwrituelen in Nederland) in hun geheel aanwezig; van Bertien van Maanen haar aandeel aan het project Dienstmaagd des Heeren (over vrouwen in de katholieke kerk).
De collectie dekt niet alles wat er op het gebied van religieuze kunst in Nederland en de ons omringende landen wordt gemaakt. Daarvoor zijn de middelen ontoereikend en daarvoor staat de religie sinds enige jaren te sterk in de belangstelling van de kunstenaars. Niet omdat de kunstenaars nu opeens zoveel meer gelovig zijn geworden dan de doorsnee Nederlander of Vlaming, wel omdat zij een meer dan gemiddeld oog hebben ontwikkeld voor de beelden van smart en hoop, voor de mythen en verhalen, voor het aardse en het mysterie die door de religies in het algemeen, en door christenen bij ons in het bijzonder, zijn voortgebracht.

Wouter Prins
www.museumvoorreligieuzekunst.nl  

Wouter Prins is medewerker van het Museum voor Religieuze Kunst in Uden.
Een aangepaste versie van dit artikel verscheen eerder in de MRK museumkrant 1998.

beeld 1: Jacques Frenken, Target 1966, collectie Museum voor Religieuze Kunst Uden
beeld 2: Marc Mulders, Grond in Christus, 1989, collectie Museum voor Religieuze Kunst Uden
beeld 3: Madonna op haspel, Guido Geelen 1996, collectie Museum voor Religieuze Kunst Uden

< back