territorium 2006 /12
Het postmoderne paradijs
Even geloof je het: de vioolspelende Orpheus tussen de wilde dieren onder de boom is een authentiek Romeins mozaïek van minstens tweeduizend jaar oud. Een zaal verder realiseer ik me, dat de afgebeelde viool in die vorm hooguit vijfhonderd jaar oud kan zijn en loop ik terug naar de entreehal van de Villa Borghese om nogmaals te kijken. Dan blijkt pas: het is niet eens een mozaïek, maar een mozaïekachtige muurschildering uit 1608 door de schilder Provenzale met de titel ‘Scipione Borghese als Orpheus’. Een ongemakkelijke irritatie is het gevolg, als blijkt dat de eerste indruk totaal afwijkt van de realiteit. Wat beoogde Scipio Borghese, de kardinaal en de neef van paus Paulus de V, om zich zo te laten afbeelden?
Villa Borghese te Rome is, na jarenlange restauratie, sinds 1999 weer open voor publiek en opnieuw vergapen drommen mensen - in tijdssloten van slechts twintig minuten - zich aan de prachtige verzameling beelden van Bernini en Canova en nog vele andere beroemdheden uit de 16e en 17e eeuw. Al deze werken staan of hangen in grote woonvertrekken midden tussen beelden van veel oudere datum. De vele kamers zijn voorzien van mozaïekvloeren uit niet te traceren tijden, marmeren zuilen en met bladgoud of met Romeinse bloemmotieven omlijste plafondschilderingen.
Enkele beelden zijn oorspronkelijk Grieks (ongeveer vijfentwintighonderd jaar oud), de meeste zijn echter Romeinse kopieën van Griekse originelen al dan niet met 17e eeuwse aanvullingen. De schilderijen gaan hoofdzakelijk over christelijke thema’s en doen ogenschijnlijk niet mee in het gespeelde spel, maar het verdere interieur lijkt op die van een keizer uit de hoogtijdagen van het Antieke Rome.
Scipio’s dagelijkse omgang met dit paleis is moeilijk voorstelbaar. Maar De kamer van de Heersers toont waarnaar hij verlangde. Het bureau van de kardinaal staat midden in de langgerekte kamer met daaromheen, langs de muren opgesteld op marmeren sokkels, de gebeeldhouwde portretten van alle Romeinse keizers. Julius Ceasar en Marcus Aurelius zijn direct herkenbaar, maar de meesten ken ik niet. De verklarende kaartjes ontbreken en daarom aanschouw ik de complete verzameling keizers vol bewondering vanuit het idee van de ware collectioneur. En ook hier is bedrog in het spel: een groot deel betreft goedgelijkende, in opdracht gemaakte 17e eeuwse portretten van Romeinse keizers. Origineel en kopie staan op gelijke voet en zelfs voor een toenmalige bezoeker moet het moeilijk zijn geweest om onderscheid te maken. Op dit principe lijkt de hele Villa Borghese te zijn gebaseerd.
Sloop
Camillo Borghese, de Paus Paulus V en de oom van Scipio, restaureerde Romeinse bouwwerken en initieerde veel nieuwe, pretentieuze stedenbouwkundige projecten met als doel de oude glorie van het antieke Rome nieuw leven in te blazen. Voor de Villa Borghese en het grote park eromheen, met de mix van eigentijdse en antieke beelden, waterpartijen en trappen, stond het villapark van keizer Hadrianus, even buiten Rome, model. Op zich is de gezochte aansluiting met een oudere cultuur niet bijzonder en dat geldt ook hier, maar de radicale wijze waarop dat hier gebeurt, is wel uitzonderlijk. De bijzondere schilderijenverzameling van Scipio Borghese en latere generaties volgt nauwgezet de toenmalige actualiteit en wijkt daarom niet af van de vele vergelijkbare topcollecties in Italië. Het territorium, waarin de verzameling zich bevindt, is merkwaardiger: Scipio dichtte zich de rol toe van een Romeinse keizer en schafte zichzelf een entourage aan die vergelijkbaar is met die van keizer Hadrianus.
Tussen 115 en 133 na Christus ontwikkelde keizer Hadrianus zijn buitenverblijf twintig kilometer van Rome tot een grote stad van hondertwintig hectare waarin ongeveer twintigduizend mensen woonden en werkten, enkel en alleen ten behoeve van Hadrianus zelf. Het wonderschone landgoed bevatte rijk gedecoreerde tempels, theaters, debatzalen, een ziekenhuis, vijvers, baden en zelfs een warenhuis van drie etages. Hadrianus was zelf een grote bewonderaar van de Griekse en Egyptische cultuur en waar nodig overschreed hij zonder schroom de ongemakkelijke grens tussen navolging en kopiëren. Zoals gebruikelijk in de copypastecultuur van de Romeinen, werd de verzameling originele Griekse en Egyptische beelden flink aangevuld met Romeinse kopieën en waren de vele gebouwen zelf ook aangepaste kopieën van grote Griekse en Egyptische voorbeelden.
Zelfs nu als ruïne, is dit landgoed een toonbeeld van elegantie en evenwicht, laat staan in de tijd van Borghese. Eeuwenlang was dit landgoed de plek voor gratis kostbare bouwmaterialen en in de tijd van Borghese was er nog steeds genoeg voorhanden. Met verve heeft Borghese het hele terrein van zijn geliefde Hadrianus definitief gesloopt en vele mozaïekvloeren, grote stukken marmer en complete beelden zijn hergebruikt en vermengd met 17e eeuwse invullingen van zijn Hadrianusfantasieën. De vermenging werd zo radicaal gepleegd, dat er geen sprake is van reconstructie maar van een wedergeboorte van de Romeinse copypastementaliteit in uitvergrote vorm.
De Egyptische kamer
Zoals Hadrianus zijn Egypte-hobby toonde in de aankleding van een aantal vijvers en tempels, zo deed Scipio Borghese dat ook. En aangezien Hadrianus geen moeite had met een allegaartje van Egyptische en Griekse originelen en Romeinse kopieën, had Scipio dat ook niet. De vierkante kamer in zijn huidige vorm is van latere datum, net zoals de plafondschilderingen met Egyptische thema’s en de geschilderde hiërogliefen, maar het herbergt nog steeds een groot deel van Scipio’s collectie. Op de vloer zijn Antiek-Romeins mozaïeken met Romeinse taferelen in Egyptische stijl aangebracht afkomstig uit Villa Hadrianus. Maar er zijn ook niet van echt te onderscheiden 17e eeuwse varianten (daar mag je wel op lopen!). Alle 18e en 19e eeuwse ingrepen in deze kamer zijn eenvoudig te herkennen door de duidelijke tijdgebonden stijlopvatting. De vier Rosso marmeren sfinxen boven de massieve deuren zijn duidelijk onderdeel van de 18e eeuwse aankleding. Twee granieten sfinxen bewaken op zwarte sokkels de toegangsdeuren. Eén daarvan is een antieke Romeinse kopie naar Egyptisch voorbeeld, de andere een exact gelijkende 17e eeuwse kopie. Als bezoeker geloof je in eerste instantie, dat deze beelden oorspronkelijk en minstens drieduizend jaar oud zijn. Waarschijnlijk is hier geen enkel oorspronkelijk Egyptisch werk aanwezig, maar voor Borghese was een Romeinse kopie net zo origineel. Immers, het ging niet om Egypte, het draaide om de imitatie van Hadrianus.
Midden in de kamer staat een Sater op een Dolfijn op een bewerkte voet. Het grote beeld is vermoedelijk een kopie uit het jaar 100 van een werk van Lysippus (400 VC). Echter het hoofd van de Sater is in exact gelijkende stijl vijftienhonderd jaar later toegevoegd. Ontraceerbaar; gelukkig is de catalogus er nog. In wezen is het hier een kunsthistorische puree waarin drieduizend jaar aan opvattingen door een blender zijn gehaald. Desondanks oogt het voor de kijker toch als een geloofwaardig geheel. Vreemd is dat de aanwezige beelden van Bernini en Canova zich afzijdig houden van deze chaos en onlosmakelijk een eigen kwaliteit vertonen ondanks dat ze op een zelfde Grieks mythologische inhoud gebaseerd zijn.
Postmodern
Toch is er in Villa Borghese geen sprake van diefstal en vervalsing. De toeëigening van de Romeinse cultuur is gedaan vanuit het idee van het vrije gebruik van een letterlijk en figuurlijk braakliggend terrein. Ook typerend is dat de grote bewondering niet heeft geleid tot een trouwe reconstructie van het verleden, maar tot een veel agressievere manier: hergebruik zonder de bron te respecteren. Hergebruik van het verleden gaat ook sneller dan het ontwikkelen van een nieuwe eigen taal, zeker als op het onderscheid tussen kopie en origineel geen taboe rust. Het verlangen om Rome zijn oude glorie terug te geven, was niet enkel een spel. De stad Florence had een vergelijkbaar streven en lag voor op schema. De economische en politieke turbulentie in de Italiaanse regio was groot en dit alles veroorzaakte een sterke motivatie om zichzelf cultureel te herdefiniëren. Dit is vergelijkbaar met onze huidige mondiale situatie, waarin globale economische processen onze identiteit lijken aan te tasten. Het snelle postmoderne denken is nog steeds het antwoord hierop.
Vanuit hedendaags perspectief lijkt de Villa Borghese op een postmodern kunstwerk. Het postmodernisme kenmerkt zich door het prijsgeven van de waarden: vernieuwing en oorspronkelijkheid. Het vrije gebruik van alles wat cultureel voorhanden ligt, het brutale hergebruik van oudere vormen en de vermenging en de relativering van opvattingen zijn typisch postmodern en zijn volop in Villa Borghese terug te vinden. Deze vrije toeëigening gaat verder dan alleen het voortzetten van of het voortborduren op. Het gelijkstellen van de oudere bron met een kopie, het opheffen van de hiërarchie hiertussen en de schaamteloosheid waarmee dat gebeurt, maken van Borghese en ook Hadrianus eigenlijk pré-postmodernisten.
Het postmoderne paradijs
In het recent verschenen boekje Dictators Homes van Peter York tonen verschillende foto’s de interieurs van de meest beruchte dictators uit de vorige eeuw. De Chinese tuinen van Mobutu, de Barok van Marcos of de Neorenaissance van Milosevic hebben één ding met elkaar gemeen: de aanwezigheid van kopieën die doen denken aan grote voorbeelden. Echter het mist de vereiste verbeeldingskracht en de fantasie. Het zijn uiterst povere, kwaliteitsarme, vaak groteske varianten op Villa Borghese.
Het maakt duidelijk dat Borghese in zijn visuele statement veel verder wilde gaan dan alle mededogenloze dictators van de vorige eeuw bij elkaar, en zich een echte droom of een paradijs heeft willen verschaffen waarin één ding duidelijk was: ‘ik ben mijn eigen centrum en ik eigen me alles toe’. De omringende wereld was als een grote supermarkt, waarin hij vrij kon shoppen. Herkomst, waarheid en oorspronkelijkheid zijn bij hem waarden die zich gewillig plooien naar de wensen van het individu. Doordat Borghese zichzelf als absoluut ervoer, werd de omringende (artistieke) wereld voor hem relatief.
Las Vegas, waarin vrijwel de gehele Europese en Egyptische architectuurgeschiedenis wordt nagebootst in copypastesnelheid, komt het dichtst bij Villa Borghese, maar het heeft niet de wil om de dienst uit te maken. Het huis van Frick in New York, met daarin de beroemde schilderijencollectie, past meer in deze traditie. Een echte nazaat van Borghese is Saatchi. In hem huist het klassiek Romeinse verlangen om het culturele centrum van de wereld te zijn. In zijn (flexibele) verzameling, getoond onder de titel van Triumph of Painting in de grote classicistische hal aan de Thames, triomfeert de wil - als een echte Borghese- om cultureel de dienst uit te maken.
Al deze voorbeelden zijn postmoderne territoria in de vorm van persoonlijk vormgegeven paradijzen. Dat wil zeggen: de ultieme uiting of presentatie van het ego. Een echte postmodernist is volledig egocentristisch. Hoe groter zijn economische positie des te egocentrischer hij durft te zijn. In oude tijden was het recht op het postmoderne paradijs slechts voorbehouden aan de zeer rijken en machtigen. En dat is nog steeds zo. Maar het verschil met vroeger is dat ieder zich nu een goedkopere en weinig opzienbare variant hiervan kan aanschaffen. Vandaar dat heel af en toe en ergens in de verte Ikea mij doet denken aan Villa Borghese: het eigen interieur als centrum van de wereld. Vergezocht maar het is er in ieder geval even druk.