territorium 2006 /12

 

Radicale beeldtaal. Kwestie van wennen...
Over Pierre Bernard

• Op dit moment woedt de discussie over de gewraakte Deense cartoons over de werelddelen. Er zijn doden te betreuren. De Deense cartoonisten hebben een territorium betreden waar zij zich blijkbaar niet op hadden mogen begeven.
• Nauwelijks twee maanden geleden: jongeren in Frankrijk zien voor zichzelf geen plek in de toekomst. Zij vinden elkaar in hun onmacht - en op straat. Rellen, brandjes en vele gewonden zijn het gevolg.
• Zojuist vernam ik dat de Erasmusprijs 2006 is toegekend aan de linkse, politiek geëngageerde Franse graficus Pierre Bernard. Het grafisch werk van Bernard (1942) en van het grafisch collectief Grapus waarvan hij deel uitmaakte, is eens omschreven als ‘visueel vandalisme’.

Wat hebben deze berichten met elkaar te maken? Oppervlakkig gezien weinig, in de diepte alles. Hier geldt dat ze mij bezig houden, dat ze elkaar in tijd kort opvolgen en dat het geen abstracte problematiek is. Dan nog: een Erasmusprijswinnaar die iedere gedachte aan een territorium verwerpt, verdient hier aandacht.

De ontwerpgroep Grapus – mede opgericht door Bernard in 1970 - wilde het leven veranderen door middel van twee dingen: grafisch werk en politieke actie. De jonge ontwerpers waren actief in de communistische partij en betrokken bij de studentenrevolte in mei 1968. Ze hekelden met hun werk de sociale ongelijkheid en werkloosheid, en uitten hun zorg over het onderwijs voor de aankomenden generaties. Affiches waren daarbij het communicatiemiddel bij uitstek, die hingen gewoon op straat, het domein van iedereen.
Hun beeldtaal, een combinatie van collage en graffiti, sloot daarbij aan. Er werd gebruik gemaakt van een ogenschijnlijk warrige lay-out, van handgeschreven teksten, kinderlijke krabbels, en - uit geldgebrek gedwongen om eenvoudige drukprocédés te gebruiken - primaire kleuren. Grapus was kritisch, ook of juist naar haar opdrachtgevers toe: opdrachten werden uit hun verband getrokken, een kwalijke seksuele grap werd toegevoegd of een paar taboes overtreden. Snoeihard soms, agressief, provocerend - maar voor iedereen te begrijpen want recht naar het hart. De affiches van Grapus waren de iconen van die tijd.

Deze radicale, democratische grafiek kreeg in de jaren tachtig een nieuwe inbedding: de beeldtaal van Grapus bleek ineens voor overheden een geschikt middel om de moderne democratie uit te dragen. Om burgers mondig en betrokken te maken. Opdrachten kwamen nu niet alleen meer van radicale of ontevreden partijleden, maar ook van stadsbesturen, van musea en zelfs van het ministerie van Cultuur.
Grapus bevond zich niet langer in de oppositie. En ze raakte de kluts kwijt. Bij een opdracht van het Louvre bleek dat Bernard, meer dan de andere leden van Grapus, bereid was mee te groeien met de nieuwe opdrachtgevers. Bernard redeneerde dat het Louvre eigendom is van het hele Franse volk, en niet alleen van een culturele elite. En daarom zou grafische communicatie, ingezet bij culturele instellingen, kunnen bijdragen aan sociale verandering. Deze soepelheid van Bernard betekende het einde van Grapus.
Bernard zette de nieuwe koers door en richtte in 1991 samen met de Nederlanders Fokke Draaijer en Dirk Debage de groep Atelier de Création Graphique op. Deze ontwerpgroep bestaat nog altijd. Ze maken publicaties, bewegwijzering, logo’s en huisstijlen. De belangrijkste opdrachtgever vanaf 2001 is het Centre Pompidou.

Daarom krijgt een graficus met wortels in een radicale, tegendraadse werkwijze nu deze beschaafde Erasmusprijs. De selectiecommissie van de prijs, die de nadruk legt op ‘tolerantie, culturele veelvormigheid en ondogmatisch, kritisch denken’, heeft in Bernard een cultureel voorbeeld gevonden. Bernard hanteert een beeldtaal die door iedereen te begrijpen is en niemand buitensluit. Op de website van de Erasmusprijs staat het als volgt: ‘Bernard krijgt de prijs omdat hij zich met zijn grafisch werk hoofdzakelijk richt op het publieke domein, en wel op alle sectoren daarvan: communicatie tussen overheden en burgers; communicatie in de publieke sfeer; gebruik van en oriëntatie in de fysieke ruimte van stad en platteland; presentatie en representatie van actuele culturele producties en het culturele erfgoed.’

De Erasmusprijstoekenning 2006 staat natuurlijk helemaal los van de discussie over de gewraakte Deense cartoons. Toch is het bitter dat beide beeldverhalen nu tegelijkertijd in de kranten te lezen zijn. De een wordt ervoor beloond, de ander wordt met de dood bedreigd. Het werk van Grapus kwam voort uit vrijheid, het trotseerde taboes, maakte gebruik van spot en zelfspot, hanteerde radicale en kritische beeldtaal. Blijkbaar kon dat allemaal; niemand voelde zich in zijn territorium bedreigd. Dat deze beeldtaal, doorgezet door Bernard, zelfs ging functioneren als brug tussen overheden en burgers, zat niet in de grondgedachte van Grapus – je boet daarmee toch aan vrijheid in. Maar Bernard schijnt niets van zijn radicale democratische uitgangspunten te hebben ingeleverd, en dat neem ik graag aan. De Erasmusprijs zegt het keurig: ‘Bernard wil met beeld binnen de officieel, institutionele taal ruimte scheppen voor de sociale taal waarin iedereen kan meepraten.’ Toch hoop ik nog eens te vernemen hoe Pierre Bernard zich opstelt in de heikele cartoondiscussie in een land als Frankrijk dat vijf miljoen moslims en een boel boze jongeren telt. n

De Erasmusprijs wordt jaarlijks uitgereikt aan een persoon die binnen het kader van de culturele tradities van Europa een buitengewoon belangrijke bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk gebied. De prijs bestaat uit een geldbedrag van e150.000. De prijsuitreiking vindt plaats op 24 november 2006.

Monica Aerden

beeld: Affiche ‘d’appel à la lutte contre la pauvreté et la précarité’, 2005 (oproep voor de strijd tegen armoede en onzekerheid)

< back