territorium 2006 /12
Op ontdekkingsreis in de virtuele werkelijkheid
Over het werk van Boris Irmscher
Onder antropologen, onderzoekers van de cultuur bij uitstek, wordt inmiddels gepleit voor een biologische interpretatie van het functioneren van culturen. Dit is geen terugkeer naar een kwalijk sociaal Darwinisme, of stellingname in het nurture/nature debat, maar een direct gevolg van veel interessante studies over de sociale aspecten van dierengemeenschappen, waaronder die van
mensapen. Wanneer je accepteert dat ook de mens een dier is, is het mogelijk om menselijke oplossingen en problemen vanuit een biologische noodzaak en ontwikkelingsvoortgang te begrijpen. Deze omslag in het denken heeft subtiele gevolgen, waarvan enkele direct van toepassing zijn op het begrip territorium.
Je kunt een territorium omschrijven als een willekeurig gebied dat door een enkel dier of groep als eigen wordt ervaren. Je zet wat geursporen af en de ander weet dat het gebied van jou is. Maar naarmate de sociale structuur van een groep dieren complexer is, wordt ook het begrip territorium complexer. Die complexiteit ontwikkelt zich, zoals uit de apenonderzoeken blijkt, niet in algemene zin (rechtlijnig) maar specifiek, gericht op de soort. Bij gorilla’s functioneert het anders dan bij chimpansees of bij bonobo’s. Hoe complex territoriumdrift kan zijn, blijkt uit het gedrag van chimpansees, die, zoals inmiddels bekend is, roofovervallen plegen en oorlogen kennen (wat in contrast blijkt te staan met de bonobo’s die veel vreedzamer zijn). Wanneer je vervolgens kijkt naar de territoriumdrift en het sociale leven van de menselijke soort, besef je dat oorlog en vrede even oud zijn als vrouwenhandel en ‘het oudste beroep van de wereld’.
Naast antropologen die mens en cultuur vanuit de biologie willen begrijpen, staan degenen die cultuur vanuit de taal en een symbolische orde willen begrijpen. Mochten mensen dieren zijn, dan bezitten zij wel een heel bijzondere eigenschap. Zij beheren een symbolisch universum, gebruiken taal en tekens. Ik ga er voor het gemak vanuit dat de denkers uit beide richtingen elkaar in eerste aanzet zouden kunnen respecteren. Dat wil zeggen: degene die de symbolische orde laten prevaleren, hoeven niet noodzakelijkerwijs te ontkennen dat mensen dieren zijn en omgekeerd, degenen die de nadruk leggen op de biologie kunnen zonder moeite accepteren dat het bijzonder is, dat mensen taal hanteren. Rest de vraag waar en waarom het biologische gedrag het door symboolgebruik gekenmerkte gedrag kruist. Met andere woorden: wat is de oorsprong (cultuurhistorisch/ filosofisch) en wat de functie (in biologische/ evolutionistische zin) van symbolisch gedrag.
Deze vraag wordt niet voor het eerst gesteld, integendeel. Het is één van de grote vragen die aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw vaak beantwoord werd met een verwijzing naar grottekeningen uit de prehistorie, waaronder die van Lasceaux. Vele antropologen, archeologen en filosofen vroegen zich af hoe de eerste tekeningen in de ontwikkelingsgeschiedenis van mens en cultuur zouden kunnen passen. Aan deze vraag wil ik een overweging toevoegen, ingegeven door een werk van Boris Irmscher, een jonge Duitse schilder die in Keulen woont en werkt. Het vermogen om tekens te zetten, kan namelijk op fantasievolle wijze aan het begrip territoriumdrift verbonden worden. In die samenhang is het niet ondenkbaar dat ons vermogen om tekens te zetten, het snijpunt van biologische en (ver)beeldende of (ver)talende vermogens markeert.
Playground
In 2005 schilderde Irmscher een serie schilderijen met als titel Playground. Op deze werken zijn merkwaardige, zwevende steden, flarden van huizen en straten te zien, die in een geïsoleerde ruimte hangen. De achtergrond is zwaarblauw of -grijs, een hemel zonder eind of begin. Zo nu en dan is ook een schijnbaar ‘natuurlijk’ element aanwezig, zoals een boomstronk of een flard van groen, maar de stronk zou ook een lantaarnpaal of flarden elektriciteitsdraad kunnen zijn. Kortom het geheel is illusionistisch en doet ‘onnatuurlijk’ aan. Irmscher haalt zijn inspiratie dan ook uit computergames en probeert de beelden die hij in de virtuele ruimtes van deze spelen aantreft, een nieuw realiteitsgehalte te verlenen.
Het lijkt een enorme stap van de apen, via de prehistorie naar computergames en virtuele werkelijkheden. Toch zijn er overeenkomsten tussen wat Irmscher ontdekt en doet, en wat de holbewoners wellicht hebben gedaan. Beiden, kunstenaar en holenmens, betreden een onbekend terrein en zetten een teken aan de wand, gefascineerd door een wereld die zowel als reëel en tastbaar, als virtueel en niet begaanbaar wordt ervaren. Een virtuele werkelijkheid bestaat niet ‘echt’, maar waarom ervaren wij haar als echt? Zo echt dat wij menen, dat wij ons in deze ruimte bewegen en gedragen kunnen? Met andere woorden: hoe is onze relatie tot die (niet bestaande) ruimte? Het bewegen in die ruimte is één ding, de zintuigen worden geprikkeld en ‘bedrogen’. Maar waarom ‘geloven’ wij in deze ruimte, beleven we spelplezier en spreken wij over een werkelijkheid? Ik geloof niet in virtuele werkelijkheden, omdat zij door mensen gemaakt, geconstrueerd zijn, maar gelet op menselijk gedrag, moet ik toegeven dat zij waarschijnlijk toch bestaan – en onderwerp kunnen zijn van schilderijen.
Wanneer je de schilderijen van Irmscher bekijkt, wordt het geloof in een virtuele werkelijkheid zowel bewezen als ondergraven. Hij schildert merkwaardige fantasiewerelden, die ons bekend én vreemd voorkomen. Je kunt ze als echt en als onecht beschouwen. Dat ze onecht zijn (en ons bekend voorkomen) is in eerste instantie vanzelfsprekend. Irmscher ontleent zijn beelden aan bestaande games. Hij schildert gecreëerde situaties, die bepaald worden door regels die een ander heeft opgesteld en beelden (grafics) die we (her)kennen: Playgrounds. Dat is een voortgang die een lichte irritatie wekt. Het is vreemd dat hij motieven destilleert uit een product dat door anderen - technici en creatievellingen - ontworpen werd. Vreemd, omdat we er toch nog vaak vanuit gaan, dat de kunst haar thema’s direct aan de werkelijkheid ontleend (aan wat echt is). Zonder iets aan de creativiteit van de spelontwerpers af te willen doen, prevaleren in deze virtuele wereld tamelijk platte en botte creatieve concepten en clichés – het streven om een getekende wereld steeds echter te laten lijken, is daar een exponent van. Toch zijn de werken ook echt. Zij hebben een eigen bestaansrecht.
Surreëel/Fantasy
Even afgezien van het gegeven, dat het in de hedendaagse kunst helemaal niet ongebruikelijk is om motieven uit bestaand en vormgegeven beeldmateriaal te ontwikkelen - videokunstenaars gebruiken footage (beelden uit bestaande films), schilders schilderen Mickey Mouse en smurfen - zijn het échte schilderijen, omdat Irmscher in een traditie werkt. Ze zijn echt, omdat het gaat om verf op doek, en omdat hij gebruik maakt van beeldelementen die aan eerder gemaakte schilderijen refereren. Hij hanteert clichés die aan een specifieke beeldopvatting refereren. Zo speelt de lichtval in zijn werk een merkwaardige rol. Het licht in het schilderij lijkt het beeld niet te verruimen, zoals zonlicht en wolken dit op klassieke landschapsschilderijen doen, maar juist te beperken. Het effect is een beetje beangstigend, claustrofobisch. Er is geen horizon waarachter we nieuwe werelden kunnen vermoeden, geen wind, maar een onpeilbare atmosfeer, die de stedelijke en natuurlijke fragmenten als een deken omringt en vasthoudt.
Die manier van schilderen voert terug naar iets wat wij kennen, namelijk het surrealisme. De landschappen van Salvador Dali worden gekenmerkt door een verzengend zonlicht, dat met nadruk op de verwrongen schaduwen hetzelfde effect oproept. Hoewel Irmschers’ werk eerder aan dat van Carel Willinck herinnert, wiens onweersverlichte straten aanleiding gaven tot strakke schaduwen. Deze kunstmatige lichtval werd tot een van de grootste clichés van de moderne wereld. Via de verbeelding van een vermeend onderbewustzijn, bereikte zij al snel de wereld van de Fantasy, en vervolgens de wereld van de spellen.
Als je het werk van Irmscher vergelijkt met het surrealisme en de wereld van de Fantasy kan je twee kanten op. Je kunt eenvoudig concluderen dat deze stijl een populaire status heeft bereikt. De ontwerpers van spellen en het volk zijn er dol op. Van de Verkadeposters van Jophra tot de schaduwverbeelding van de hardrockcultuur en de Gothics; halfduistere imaginaire werelden zijn uitermate populair. Maar je kunt je ook afvragen of de virtuele wereld wellicht een surreële wereld is. Met andere woorden: heeft de virtuele wereld van de spellen wellicht fundamentele kenmerken met andere surreële werelden gemeen? Het onderbewuste was een binnenwereld, een schaduwwereld, zoals er in de loop der eeuwen vele hebben bestaan in diverse maten en vormen, van bovenwereld tot onderwereld, gevuld met mythologische helden. Het is een van de bijzondere menselijke eigenschappen dat zij het vermogen hebben om zich naast het bestaan van de eerste echte wereld, het bestaan van een tweede schaduwwereld voor te stellen. Even menselijk als het omgekeerde: het beroep wat mensen doen op wat echt en waar is. Buiten het territorium, het afgebakende reële terrein van de eigen groep, vermoeden zij doorlopend het bestaan van andere territoria, onbekende terreinen en gebieden. Het is een gegeven dat deze gebieden, hoewel de grenzen onbepaald zijn, niet grenzeloos kunnen zijn. Niet grenzeloos als de echte wereld met zon en licht en vrijheid, maar besloten en duister.
Op een hoger abstractieniveau, niet afhankelijke van cultuurbepaalde, aan de beeldende kunst ontleende vormen, zou je kunnen zeggen: in een schaduwwereld (= een virtuele wereld, een product van ons voorstellingsvermogen) bestaan er regels die zich spiegelen aan de regels van onze eerste werkelijkheid. Niet zomaar in de vorm van projecties, maar omdat wij als dieren, apen, als geen ander weten dat wij zonder deze regels niet bestaan. In alle eenzaamheid op echt nieuw terrein heerst chaos. En in die chaos vermoeden wij onmiddellijk het bestaan van een ander. Het gaat in dit geval niet om die ene ander die een ander territorium bezit, maar degenen die altijd en overal met ons zijn; de onzen, zonder wie ons gedrag volkomen nutteloos zou zijn. Ook dit is geen nieuwe gedachte: imaginaire werelden zijn antropomorf en spiegelen de eigen groep of cultuur. En het is een gedachte die ook in de eerste werkelijkheid doel treft. In Het Verlies van Eldorado beschrijft V.S. Naipaul de manier waarop de eerste Spanjaarden in Zuid Amerika absurde rituelen uitvoerden. In volstrekte eenzaamheid en ongezien, plantten zij vlaggen in de wildernis, hielden zij toespraken voor zichzelf en sloten contracten af, om ook op deze werkelijkheid iets van de eigen groep/cultuur te projecteren.
Waar ik al zigzaggend naar toe wil, is dat mensen zich altijd gedragen. Thuis in de groep op het eigen territorium en in den vreemde; reëel en virtueel. Dat gedrag is in de kern van de zaak altijd ethisch, doordrongen van rudimentaire normen en waarden die gangbaar zijn in de eigen groep.
Don’t Hurt me, Lasceaux
In dit spel vol wentelende werkelijkheden kan een moment worden aangegeven dat reëel is. Er ligt een uitspraak over de relatie kunst/taal en territorium in besloten. Dan denk ik aan het zetten van een teken, een daad die door Irmscher in een tweetal video’s Don’t Hurt me en Lasceaux uit 2005 herhaald wordt. In de filmpjes herken je de gamer en de kunstenaar. Alle games verlopen naar regels die van te voren bepaald zijn, de bewegingsruimte van de speler is beperkt, door wat de ontwerpers in het spel hebben gestopt en de computer kan (bergen informatie en opdrachten teruggebracht tot een taal van nullen en enen). Soms verstoppen de makers grapjes, of breken slimmeriken in, dan kan je door middel van codes (cheets) de regels verbreken. In een recent spel is het mogelijk de meisjes in onderbroek te zien, een beloning voor uren achter de machine. Irmscher heeft echter gezocht naar mogelijkheden om toepassingen te vinden in het spel, die onbedoeld zijn en ontdekte dat hij soms op muren met wapens en werktuigen tekeningen maken kon.
In het ene filmpje hakt hij met een koevoet de woorden ‘Don’t hurt me’. In een muur. Hij wordt van achteren beschoten, het bloed spat om hem heen, en moet dus snel te werk gaan, anders is hij al zijn levens kwijt. In het tweede filmpje herhaalt hij deze handeling, nu tekent hij een van de stieren van Lasceaux op de muur. Daarmee heeft hij hoe dan ook wat terrein van de makers gewonnen, en in zeker opzicht ook een territorium afgebakend. Hij doet in zeker opzicht holenmensen na. Voor hen was de tekening en het teken, hoogst waarschijnlijk een moment om met de bovenwereld of voorouders in contact te treden. Het teken bemiddelt en opent een poort. Ook Irmscher bemiddelt tussen de echte en de virtuele wereld. Hij ontsnapt aan de regels van de ontwerpers en vestigt zijn eigen wereld, die van de kunstenaar midden in het spel.
Je kunt de filmpjes op een eenvoudige manier duiden. Dan uit Irmscher op zijn manier kritiek op de gewelddadige inhoud van de spellen en wellicht op de verslavend commerciële, maatschappelijke invloed ervan. Maar omdat hij de beelden ook in zijn schilderijen verwerkt, denk ik dat zijn fascinatie verder gaat en dat hij wellicht over de verhouding van de werkelijkheid en de virtuele werkelijkheden nadenkt. Want het zetten van een teken in een spel, vooral wanneer het de stieren van Lasceaux betreft is uiteindelijke een daad met verstrekkende betekenissen. Hij gaat terug naar de oorsprong van het tekenen, naar de oorsprong van symbolische handelingen en gedrag.
In relatie tot territoriumdrift en het betreden van nieuwe, onbekende gebieden, zou je kunnen zeggen dat symbolische gedrag (taal) niet zomaar een werktuig is om onderling contact te onderhouden (tijdens de jacht, of het verzamelen van voedsel), niet zomaar een daad is om een eigen gebied afbakenen en te veroveren op een ander (een soort pis-sproeien maar dan anders), maar ook bemiddelt in de angst voor het onderscheid tussen onze wereld en die andere. Omdat mensen een complexe sociale structuur kennen, is hun begrip van territoria complex. Het besef dat buiten ons eigen terrein andere gebieden bestaan, is altijd aanwezig, letterlijk en virtueel. Gebieden die soms uit noodzaak, soms door toeval, soms uit nieuwsgierigheid betreden kunnen worden. Wij kunnen niet zonder de groep functioneren, dus moeten we een teken plaatsen om er te zijn, een geurspoor alleen is niet voldoende. De mens zet een teken, een ethische daad, het begin van een sociale orde. Hij onttrekt zich aan de regels die wellicht in dat gebied gelden en introduceert zijn eigen regels, mensen (ver)talen en (be)tekenen. Het wonder van deze handeling is, dat mensen zich daarmee manifesteren, maar ook beschrijven en een voorstelling uit kunnen drukken. Zo zijn zij tegelijkertijd in staat om met de ander in contact te treden.