vreemd 2004/7
Fremdkörper
Het vreemde als noodzakelijke katalysator van de cultuur

De gedachte dat een jong kunstenaar het beste ver van huis gedijt, is niet nieuw. Talloos zijn de voorbeelden van kunstenaars die pas in de vreemde erkenning vonden. In de volksmond worden profeten niet in eigen land geëerd. Het ongewone wordt gemakkelijker buiten zijn oorspronkelijke context gewaardeerd. Kunstenaars zijn gelukzoekers bij uitstek. Zij delen de zin voor avontuur met andere niet honkvaste randfiguren.

Niet voor niets werden in de negentiende eeuw kunstenaars als ‘bohémiens’ beschouwd, één pot nat met rondtrekkende zigeuners en zwervers; vrijgevochten figuren die de burger schrik aanjagen. Sinds de Romantiek heeft de outsider bovendien een bijzondere functie in de westerse cultuur als degene, die conventies weet te doorbreken en een andere kijk heeft en geeft op de gebruikelijke gang van zaken. Hij wordt erkend als ferment in de samenleving. Colin Wilson heeft aan dat type kunstenaar in de jaren vijftig van de vorige eeuw een bekende studie gewijd. In de moderne kunst is de internationaal opererende avantgardist er een verschijningsvorm van.

Vruchtbare migratie
Elke vreemdeling is zo’n buitenstaander die het ongewone vertegenwoordigt. Voor een kunstenaar is die rol aantrekkelijk, omdat een vreemde omgeving een vrijheid garandeert die thuis ‘bij moeders pappot’ niet zo vanzelfsprekend is. De geschiedenis van de moderne kunst levert voorbeelden te over van de vruchtbare migratie van het buitengewone. In Frankrijk werd in de eerste helft van de twintigste eeuw de zogenaamde ‘Ecole de Paris’ beheerst door immigranten: Picasso voorop. Modigliani, Soutine, allemaal vreemdelingen. Ook Mondriaan en Theo van Doesburg vonden in Parijs hun werkterrein.
In de Tweede Wereldoorlog nam New York de fakkel van Parijs over, dankzij de immigratie van de voor Hitler gevluchte avantgardisten, Breton en zijn Surrealistische aanhang, Moholy Nagy en de Bauhaus-adepten, maar ook Mondriaan, die er de kroon op zijn werk zette met de Broadway Boogy Woogy. In Duitsland was het dankzij Hitler de dood in de pot, juist omdat de Nazi’s vreemde smetten trachtten te elimineren. De kunst van vreemdelingen en outsiders was daar ‘entartet’ verklaard. De leus ‘eigen volk eerst’ leidde tot algehele stagnatie. Ook Nederland raakte in de crisistijd van de jaren dertig in een isolement. Buitenlandse vluchtelingen vonden er maar met moeite een onderkomen. De spruitjeslucht overheerste.
De jonge kunstenaars die na de tweede wereldoorlog frisse lucht nodig hadden, vonden die in eerste instantie in Parijs. Appel, Cor-neille, Bogart en vele anderen zochten er hun heil. Het was de stad waar sinds Rimbaud - ook zo’n outsider - de verbeelding meer kansen had en in mei 1968 zelfs even aan de macht leek te kunnen komen. In de jaren zestig openden zich overal nieuwe perspectieven. Een hele hippiegeneratie kwam in beweging en trok als eigentijdse nomaden de wereld rond, als ludieke figuranten van het New Babylon, dat door Constant geschetst werd. Zij voelden zich wereldburgers, al waren zij in zekere zin eerder voorlopers van het hedendaagse massatoerisme.

Nederland
Kunstenaars profiteerden van de toegenomen mobiliteit. Zij zochten hun weg naar plekken, die gunstig waren voor hun creativiteit. Nederland, Amsterdam in het bijzonder, werd in de jaren zestig een trekpleister voor de nieuwe nomaden. Avontuurlijke vreemdelingen, op zoek naar verruiming van hun geest, waren er welkom en voelden er zich snel thuis. Onder hen waren veel kunstenaars uit alle windstreken, die gebruik maakten van de gunstige voorzieningen. Een gunstig effect van deze import van talent was dat de spreekwoordelijke Hollandse nuchterheid, de ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ mentaliteit, een heilzaam tegenwicht kreeg.
Van het bonte gezelschap vreemdelingen dat hier neerstreek; IJslanders, Zuid-Ameri-kanen, Israeliërs en wat al niet meer, gingen bijzondere impulsen uit. Zo introduceerden IJslanders als de gebroeders Gudmundson en Hrein Fridfinson een poëtische inhoud in de beeldende kunst, die tot dan toe in de Nederlandse kunst ongebruikelijk was. Zuid-Amerikanen als Michel Cardena, Raoul Marroquin en Ulises Carrion kenmerkten zich door een speelse Latijnse geest, de Israeliër Joseph Semah door zijn Bijbelse taligheid.
Dankzij al deze ‘vreemdelingen’ ontstonden in Amsterdam een aantal plekken waar een bijzondere energie van uitging.
In 1972 werd het ‘In-out centre’ aan de Reguliersgracht een trefcentrum, waar de genoemde IJslanders, Zuid-Amerikanen en andere buitenlanders, als Nikolaus Urban uit Hongarije, Michael Gibbs en John Liggins uit Engeland, Michael Druks uit Israël, zich konden manifesteren, samen met gelijkgestemde Nederlandse kunstenaars als Hetty Huisman, Pieter Laurens Mol en Gerrit Jan de Rook. In 1975 richtte Ulisses Carrion zich in ‘Other Books and So’ geheel op het kunstenaarsboek als grensoverschrijdend communicatiemiddel. In de jaren daarna was Joseph Semah aktief in ‘Makkom’ aan de Haarlemmerdijk. Hij organiseerde er samenwerkingsverbanden zoals het vier seizoenen durende Holos project, een mengeling van theorie en praktijk, waar kunstenaars van verschillende achtergrond bij betrokken waren.
Naast Amsterdam trok ook Maastricht vanaf 1972 veel jonge buitenlandse kunstenaars aan, die een plaats vonden op de Jan van Eyckacademie. De Agorastudio was er actief, met het tijdschrift Fandangos als spreekbuis. In die tijd ontstond de traditie om buitenlands talent aan te trekken naar de ateliers van de hogere vervolgopleidingen van het Nederlandse kunstonderwijs.

Global village
Dankzij de voortschrijdende informaticarevolutie, is de door Marshal McLuhan aangekondigde komst van de ‘global village’ een feit geworden. In eerste instantie was die artistieke globalisering het privilege van de westerse jeugd, in de ban van de Amerikaanse droom. Pas recentelijk eisen allochtonen van niet westerse origine de aandacht op, vaak in frontale botsing met de Amerikaanse hegemonie. De grote internationale kunstmanifestaties staan de laatste tijd in het teken van die nieuwe mondiale oriëntatie op kunstenaars, die zich ontwikkelen buiten het door het Westen gedomineerde kunstcircuit.
Wat die nieuwe inbreng aan vreemd bloed zal opleveren moet nog blijken. Conservatieve nationalistische tendensen zijn virulent aanwezig. Er dreigen weer stammenoorlogen. Vreemdelingenangst wordt na 9-11 overal aangewakkerd. Ondertussen is de technologische globalisering niet te stoppen. De kunstenaars trekken zich gelukkig weinig aan van de door de politiek aangewakkerde xenofobie. Zowel in literatuur als in beeldende kunst leveren allochtonen een steeds belangrijker bijdrage. Dat is al een tijd het geval in Engeland, met zijn commonwealthtraditie. Ook in Nederland doen kunstenaars van diverse herkomst van zich spreken. Het culturele klimaat is er nog steeds gunstig voor inbreng van elders, hoewel de politieke grenzen zich beginnen te sluiten voor ingezetenen van buiten Europa. Het is te hopen dat de
pluriformiteit van de verbeelding niet in het gedrang komt onder invloed van populistische politici, die opnieuw de ‘ het eigen volk eerst’ ideologie propageren.
Het absorberend vermogen is een graadmeter voor de vitaliteit van de cultuur. Een cultuur, die niet in staat is om zich permanent het vreemde eigen te maken, is gedoemd te verstarren.

Franck Gribling
< back