|
vreemd 2004/7
|
| lEurope a differentes vitesses |
| Dit artikel is de vertaalde en bekorte versie van de lezing die Magda Carneci hield tijdens de Continental Breakfast conferentie, die in maart 2004 in Warschau is gehouden. Tineke Reijnders was een van de genodigden, zij attendeerde de redactie van De Nieuwe op deze tekst. Continental Breakfast is een dynamisch Centraal- en Oost-Europees netwerk van curators en critici en ook de paraplu waaronder uiteenlopende debatten en tentoonstellingen plaatsvinden. Op 10 september opende in Belgrado, Servië, de door Anda Rottenberg samengestelde groepstentoonstelling Continental Breakfast. Ook valt binnenkort een performancefestival te verwachten in Tallin, Estland. Voor meer informatie: bezoek www.continentalbreakfast.org Dr. Magda Carneci is dichter, kunstcritica en kunsthistorica, organiseerde tal van tentoonstellingen en schreef behalve essayistische bijdragen aan tijdschriften en catalogi, onder andere de boeken: Arts of the 1980s in Eastern Europe. Texts on Postmodernism (Boekarest 1999, in het Engels) en Romeense Beeldende kunst in Roemenië 1945-1989 (Boekarest, 2000, in het Roemeens). Magda Carneci is bestuursvoorzitter van het Internationaal Centrum voor Hedendaagse Kunst in Boekarest, Roemenië en professor aan het Nationaal Instituut voor Oosterse talen en beschavingen in Parijs. Momenteel werkt zij aan de eerste Balkan Biënnale Cosmopolis, die over enkele maanden gehouden wordt in het Staatsmuseum van Hedendaagse Kunst in Thessalonici (gesubsidieerd door de Culturele Olympiade). |
Het Europa in verschillende snelheden is een goede metafoor voor de zeer complexe machinerie die ons continent blijkt te zijn. Zeker nu het poogt nieuwe leden op te nemen en tegelijk een welomschreven, herkenbare vorm te behouden. De metafoor dekt een veelheid aan politieke, economische, democratische, historische en psychologische verschillen en koestert tegelijk het idee van eenheid in verscheidenheid - de sleutel van het Europese bouwwerk. Vijftien jaar na de val van de muur en de revoluties van 1989, bestaat er tussen Oost- en West-Europa nog steeds een historische en culturele kloof. Zelfs binnen de Oost-Europese landen komen verschillen in Europese potentie aan het licht; noem alleen al het contrast tussen de centrale en de zuidoostelijke landen. Ook binnen een enkel land bestaan lokale discrepanties van uiteenlopende historische oorsprong. Wil er sprake zijn van succesvolle integratie van de centrale, oostelijke en zuidoostelijke regios in het grote Europese geheel, dan moeten deze verschillen begrepen worden en ervaren in hun problematische, maar ook verrijkende aspecten, in hun dramatische, maar ook in hun positieve dimensies. Tweede wereldHoewel de snelheidsverschillen tussen de subregios nogal opvallend zijn, is het belangrijker om te focussen op het overeenkomstige in de problemen van deze landen. Hoewel ze sinds eeuwen Europees zijn, moeten ze zich nu, na een communistisch intermezzo van een halve eeuw, voegen binnen de structuren van de EU. Ik gebruik Oost-Europa als een algemeen label. In dit opzicht zou de kunst een onthullend medium kunnen zijn. De frequentie van tentoonstellingen, curatorteksten, kritische besprekingen en theoretische essays vanuit Oost-Europa kan een hele reeks vragen en suggesties opleveren ten aanzien van de kwestie van de verschillende snelheden. Ik ga hier even voorbij aan de dramatische, zelfs catastrofale visies op deze EU- toenadering, zoals ze in tal van studies onderzocht zijn. Oost-Europa kan beschouwd worden als het eerste deel van de wereld waar westerse modellen zijn binnengebracht of als ready-mades zijn opgelegd, teneinde hele samenlevingen te moderniseren die daar niet op voorbereid waren (Hugh Seton-Watson 1). Daarom vormen de Oost-Europese problemen een paradigma voor de (post)koloniale problemen zoals die zich in de laatste vijftig jaar in Afrika, Azië en Latijns Amerika hebben ontwikkeld. Daar zijn vergelijkbare culturele adaptatieproblemen aan de westerse ideologie van modernisering en van hedendaagse globalisering aan de dag getreden. Na beschouwd te zijn als de eerste derde wereld van het westers universum, kan de positie van tweede wereld betrokken worden op de EU-integratie, maar ook op de interne evolutie van de betrokken landen. Complex erfgoed Deze evolutie mag dan wel versneld zijn in de laatste vijftien jaar; er heerst nog steeds een ingewikkelde mix van premoderne, moderne en postmoderne beschavingslagen, terwijl deze landen tegelijk, als een organisch en historisch deel van het Europese continent, diep vervuld zijn van Europese waarden en idealen. Het gemis aan balans heet een nadeel in termen van technologische ontwikkeling, democratische regels, individueel welzijn of het functioneren van de sociale machine. Maar je kunt die permanente spanning ook positief duiden, omdat er ook voordelen aan zitten. Misschien minder zichtbare, maar niettemin geldige, zoals ik aan het eind van deze tekst probeer te bewijzen. Het zeer complexe erfgoed van de Oost-Europese culturen bestaat uit meer componenten dan dat van het westen. In Roemenië bijvoorbeeld heeft de zogenaamde major / canonical cultuur gedurende de laatste honderdvijftig jaar moeten integreren in verscheidene, ongelijksoortige strata, zoals de archaïsch-rurale beschaving, de orthodoxe post-Byzantijnse traditie en de (post)moderne invloed. Alledrie tegenwoordig actief en productief, en tegelijk heel moeilijk om met elkaar te laten harmoniëren onder de eisen van een materiële en sociale democratie. In andere Balkanlanden is de situatie niet anders. Bovendien hebben Oost-Europese culturen zich ook met de recente erfenis van de communistische jaren moeten verstaan, zoals de verarmde levensomstandigheden, de bevroren gemeenschapsmentaliteit, en zelfs het aanzien van personen of artefacten, die de kitsch van de totalitaire staat nog door en door aankleeft. Die recente erfenis, waarvan de leiders, lobbygroepen en het publiek nog altijd in alle sociale lagen aanwezig zijn, kan niet zomaar in de afvalbak van de geschiedenis worden weggedaan? KlemDe culturele productie werd aan de ene kant beïnvloed door de verwerping van de staatscontrole, de privatisering en de internationale input. Aan de andere kant werden tegenovergestelde reacties gevoed door nationalistische tendensen, religieuze fundamentalismen en door de opkomst van allerhande claims van minderheden, die hun microculturen overal voor het nu vrije voetlicht brachten. Waar het westen een organische groei kende van de nationale culturen, moeten de Oost-Europese landen al deze uiteenlopende en soms contrasterende parameters met elkaar in evenwicht proberen te brengen. En dat soms zelfs in een versneld tempo, zonder echte economische, juridische of politieke middelen voor een taak, die zonder internationale steun haast onmogelijk is. Men ziet zich voor de taak gesteld om zich met dezelfde snelheid zowel tot het verleden te verhouden als tot de toekomst, dus tegelijk met de culturele erfenis (vernietigd, verduisterd, vervalst tijdens de totalitaire regimes) èn met de uitdagingen van de mogelijke toekomst (het westerse model), terwijl men noodgedwongen klem zit in de uitermate complexe tegenwoordige tijd. Intussen ontwikkelt het bewonderde westerse model zich zo snel, dat de culturele representaties van het oosten er inadequaat en verouderd van worden, ofwel opnieuw niet-gelijktijdig en vertraagd. Esthetische snelheid Hetzelfde nadeel zie je op het intellectuele vlak en op dat van de kunstmarkt, waar culturele producten getekend lijken door cultureel provincialisme en esthetische achterlijkheid. Aan de ene kant heeft de intellectuele herinterpretatie in postcommunistisch Europa nog niet goed kunnen plaatsvinden, omdat dit verhinderd wordt door de oude/nieuwe elites (de vroegere communisten) en ook vanwege de snelheid van de EU-integratie, met daarbij de druk van de globalisering. Aan de andere kant wordt het lokale kunstplatform ontwricht door nieuwe, esthetische modes en door de pogingen van een kleine elite om lokale kunstenaars mee te laten draaien in het internationale circuit. Zo ontstaan nieuwe spanningen tussen de aanhangers van het vroegere, modernistische discours en de jonge voorvechters van alternatieve benaderingen, die sporen met de internationale ontwikkeling van de wereldkunst. Hier zien we een verschil in esthetische snelheid, dat aanleiding zou kunnen zijn voor een reeks artistieke en kunstkritische vragen. De algemeen negatieve perceptie van de Oost-Europese kunst zou daardoor genuanceerd kunnen worden en traumas, vooroordelen, angsten, minderwaardigheidscomplexen en gebrek aan hoop zouden teniet gedaan kunnen worden. Retro-avantgarde Deze problematiek kwam aan het licht na verscheidene belangrijke tentoonstellingen zoals: Beyond Belief (Chicago, 1996); After the Wall (Stockholm, 1999); de vier edities van de Manifesta; en in de exposities van de laatste jaren gewijd aan de Balkan, zoals: In search of Balkania (Graz, 2002), Blood and Honey(Vienna, 2003), In the Gorges of the Balkans (Kassel, 2003), Cosmopolis (Thessalonica, 2004). De kunstproductie uit de communistische tijd was een complexe mix van de - lokaal vertaalde - formele verworvenheden van de vroege, historische avantgarde; een mengsel van herinneringen uit de socialistisch-realistische periode met modernistische en neo-avantgarde elementen, en met andere traditionele bronnen als folklore en religie. Deze potpourri werd de derde avantgarde of retro-avantgarde genoemd (door Peter Weibel in 1992, naar de Laibach groep uit Slovenië in 1983 2). Het is zonder twijfel een eigenaardige bijdrage van communistisch Oost-Europa aan het modernistische discours van de twintigste eeuw. Direct na 1989 werd deze hele artistieke productie volledig afgedankt door de puristische, essentialistische modernisme- ideologie van het westen, met zijn individualistische, gedecontextualiseerde en ahistorische voorwaarden. Het Oost-Europese artistieke universum zou maar een corrupte versie vertegenwoordigen en een bastaardimitiatie zijn van het westerse modernisme uit dezelfde tijd. Zo werd een hele lading Oost-Europese cultuur ondergewaardeerd en uitgezonderd van het bovennationale kunstverkeer. Onzuivere oorsprong Anderzijds viel het moment, waarop Oost-Europa zich openstelde voor de internationale scène in 1990, samen met de intrede van de westerse wereld in het tijdvak van globalisering en multiculturalisme. Dit bracht een belangrijke verschuiving teweeg in het algemene esthetische kader van de hedendaagse kunst, die zich met hulp van postmoderne theorieën (culturele, homo-, postkoloniale studies) oriënteerde op een globale trans-esthetica. Deze nieuwe wereldesthetica die nog steeds aan het ontluiken is, geeft opnieuw voorrang aan de mengcultuur, de onzuivere referenties, de gemixte bronnen; dat wil zeggen de her-contextualisering van het kunstwerk. Ondertussen blijft een semiotische onpersoonlijkheid van de formele structuren, alle van westers modernistische oorsprong, onaangetast. Met andere woorden: om zich aan verschillende geografische en culturele contexten aan te passen, benadrukt de globale kunst, die door de internationale biënnales en kunsttijdschriften wordt gepromoot, opnieuw een zekere notie van inhoud (of: context als inhoud), meestal opgevat in zijn specifieke, exotische of etnografische dimensies. In dat opzicht zit de nieuwe golf van kunstenaars en curatoren uit Oost-Europa in de val van het jongste snelheidsverschil. Terwijl ze zich proberen te bevrijden van de vorige retro-avantgarde of het academisch modernisme, en een bovennationale strategie adopteren om deel uit te kunnen maken van internationale netwerken, moeten ze zich nu weer met het gecontextualiseerde discours verstaan. Geen simpel proces, daarom proberen ze een derde weg te bewandelen, door heel creatief de etnisch/exotische verwachtingen te combineren met de esthetische codes van het westen en toch de Europese waardigheid te behouden. Zo gaat de her-etnisering van het nationale (Slavoj Zizek in Multiculturalism or the Cultural Logic of Multinational Capitalism 3) gelijk op met de her-contextualisering van de kunst op het moment dat de suprematie van de modernistische ideologie, afkomstig van het westerse burgerlijke universalisme op zijn eind loopt. Hiermee zijn we weer terug bij de retro-avantgarde van voor 1989. Doordat men zich bewust bleef van de historische wortels en de sociale ervaring van moderniteit, zag deze retro-avantgarde er voor het westen provinciaals uit. Nu zijn we in staat ons te realiseren, dat het een zienswijze uit de koude oorlog was en dat deze binnen de nieuwe, geglobaliseerde condities in zekere zin de toekomst van het westen zou kunnen vertegenwoordigen (Boris Groys 4). In die zin dat de westerse kunst doordat het discours wegens multiculturalisme onzuiver wordt, en vanwege een soort van omgekeerd proces van zelfkolonisatie wel terug moet komen op zijn onzuivere oorsprong, die voornamelijk in Oost-Europa ligt. Daar waren historische, politieke, sociale en zelfs spirituele ingrediënten van kapitaal belang binnen het modernistisch idioom. Zoals sommige analisten beweren, zorgt de huidige positie van het westen, die door de globale menging van culturen perifeer wordt en door het stapelen van tegengestelde visuele tradities, dat er niets meer in voorraad ligt voor Europa en het westen dan alleen de Balkan (Roger Conover). In een wereld waar stabiele, monolithische culturen uitzonderingen gaan worden, zou het visuele en spirituele Balkanisme tussen de Scylla van de monotone globalisatie en de Charybdis van lokale genoegzaamheid, een mogelijk model zijn voor vruchtbare reflectie. Natuurlijk reservoir Je kunt je afvragen of het snelheidsverschil tegenwoordig niet in positieve zin benaderd kan worden, als een waardevolle bron van teruggewonnen zaken. Te denken valt aan: het belang van geschiedenis en de nauwere band met de traditie; herinnering als een fundament voor identiteit; de coëxistentie van verschillende tijden; de vitale band met folklore en godsdienst; de neiging tot spiritualiteit; een harmonieuzere relatie van de mens met de natuur en de aarde, met tijd, dood en eeuwigheid. Geïntegreerd in de universele ordeningsprincipes, die door de globale trans-esthetica worden opgelegd, zouden er nieuwe vormen van organische creativiteit uit geboren kunnen worden, aangepast aan lokale behoeften. Natuurlijk zijn deze waarden niet alleen voor Oost-Europa specifiek. Vanwege hun nabijheid tot de westerse kern van Europa echter, zouden de Oost-Europese culturen kunnen worden opgevat als natuurlijke reservoirs van zekere waarden en van manieren om de wereld, de ander en de gemeenschap te begrijpen, allemaal waarden die zich in het westen in de gevarenzone bevinden. Los van het snelheidsverschil zou de relatie tussen West- en Oost-Europa opgevat kunnen worden als een fair trade in termen van vindingrijkheid en creativiteit. n 1 Hugh Seton-Watson, The East European Revolution, New York, Praeger, 1961. 2 Catalogus The Arteast Collection, Moderna Galerija, Ljubljana, 2000. 3 Reflections comes to an end: the Future belongs to the arts, Felix Meritis Papers 4, The Felix Meritis Foundation, Amsterdam, 1994. 4 Penser lEurope comme communauté, Paris, Esprit, supplément-octobre, 2003. Magda Carneci vertaling: Tineke Reijnders |
| < back |