vreemd 2004/7
Koester het talent
Interview met Harry Heyink
Harry Heyink is beeldend kunstenaar en is bezig met de ontwikkeling van een Europese academie ‘the European Exchange Academy Beelitz-Heilstatten’ in Duitsland.

‘Buiten mijn werk als beeldend kunstenaar houd ik mij steeds meer bezig met het organiseren van manifestaties, tentoonstellingen en het opbouwen van de academie. Ik haal er een grote voldoening uit: dat je met mensen werkt die je met vallen en opstaan tot resultaat ziet komen. De grootste uitdaging is dat je het resultaat ziet van jouw gedachte. En mijn gedachte is, dat je confrontatie onderwijs in een isolement heel goed kunt toepassen. Ik vind het interessant om me te omgeven met vakgenoten, die worstelen met de vraag: hoe kan ik mijn stellingname communicatief maken? Hoe kan ik bij het publiek de grijze hersencellen in beweging brengen? Dat is voor mij interessant. Daar draait het bij mij om. Ik vind het prettig om er dingen bij te leren of om andere opinies te horen. Het brengt me heel veel, anders dan wanneer ik m’n eigen werk maak.

Al zo’n twaalf tot dertien jaar geleden ging ik altijd een paar weken op reis naar het buitenland met een groep studenten van de Rietveld Academie, om het isolement op te zoeken. In Nederland is het een te kostbare zaak om dat te realiseren. Acht jaar geldeden kreeg ik in Slowakije de beschikking over een stadskasteeltje in het plaatsje Krenitza, een middeleeuws stadje gelegen aan de uitlopers van de Karpaten. Daar heb ik een programma ontwikkeld. Een conceptplan dat ik in de loop der jaren heb proberen te perfectioneren en dat heeft geresulteerd in de ‘Europese Uitwisselingsacademie’. Dat is niet zomaar gegaan, want omdat je met jonge mensen werkt - en ik maak ook wel eens fouten natuurlijk - heb je daar tijd en ervaring voor nodig. Je kunt niet van de ene op de andere dag een academie beginnen. Mijn ervaring als kunstenaar, mijn levenservaring, maar zeker ook mijn leservaring op de Rietveld Academieen op verschillende academies en universiteiten in Amerika(waar ik nog steeds les geef), neem je mee naar zo’n instituut, dat je aan het opbouwen bent.

Voorgeschiedenis
Een jaar of wat geleden heb ik in opdracht van Simon den Hartog voor de Rietveld academie, die 75 jaar bestond, het ‘Park voor de Toekomst’ georganiseerd. Dat was een groot symposium op het Westergasfabriekterrein met achthonderd studenten uit de hele wereld. Ik ben een jaar bezig geweest om dat te organiseren. Dat is een groot project geweest en aan de hand daarvan werd ik vanuit Duitsland gevraagd om in het land Brandenburg iets met een kunstacademie te doen. Het land Brandenburg -Duitsland is een federale staat - ligt rondom het eiland Berlijn, dat nog altijd een stadstaat is met een eigen regering. Brandenburg heeft geen eigen kunstacademies, zoals Berlijn, maar wil die wel graag hebben. Ze hebben een heel beroemde filmacademie die in Potsdam zit en ook zogenaamde Fachhochschulen, die qua opleiding tussen een leraren en een grafische opleiding inzitten. Je leert er zelfs nog verf maken op de oude manier. Niks mis mee. In Potsdam heb ik drie jaar geleden een conceptplan geschreven voor zo’n academie. Daar heb ik eerst met een paar mensen aan gewerkt, die nu niet meer aan het project meedoen. Van het ministerie van onderwijs en cultuur en van de burgemeester van Beelitz heb ik een pand toegewezen gekregen. Ik werk daar samen met Gherd Ohligsla-ger. Hij is in Beelitz zoiets als een stadssecretaris, de hoogste ambtenaar van een gemeente en de machtigste man in de hiërarchie. Ik werk met hem samen aan dit project.

Beelitz-Heilstatten
Het mij toegewezen pand ligt in het voormalig Sperrgebied van de voormalige t.b.c. klinieken Beelitz-Heilstatten, dat wil zeggen dat je er niet in en uitkon zonder eerst in quarantaine te zijn geweest. Men begon aan het eind van de 19e eeuw met het bouwen van deze klinieken rond Berlijn, waarvan die in Beelitz-Heilstatten verreweg de grootste was. Een selfsupporting gebied met een eigen energiecentrale en landerijen om het eigen voedsel te verbouwen. Er zijn hele grote panden gebouwd, een soort mastodonten en ik overdrijf niet. Ook werd een station gebouwd en een spoorlijn aangelegd. Er werden bossen geplant van een speciale samenstelling om de perfecte zuurstof te krijgen. Sinds 1993 staat het gebied op een paar gebouwen na leeg. Tijdens de oorlog is een gebouw gebombardeerd en in de ruïne staan nog steeds bedden met van die stalen frames. De bomen zijn er doorheen gegroeid. Dat ziet er fantastisch uit. Studenten kunnen het soms ook helemaal niet vinden, het is een soort oerwoud geworden. Het gebied is groter dan de binnenstad van Amsterdam. Je loopt je de pleuris, om het zo maar eens te zeggen.

Confrontatie
Ik werk met docenten en studenten die van verschillende academies komen, zoals de Metropolytain University of Leeds,de St. Lucas academie uit Brussel,de Rietveld Academie, de HKU uit Utrecht, Academie Weisensee uit Berlijn en de UKD, Universitat der Deutsche Kunst. Dat is de opzet. Ook worden mensen van de Fachhochschule uit Brandenburg daarin opgenomen. Ze komen allemaal voor een bepaalde periode bij elkaar. Zowel docenten als studenten zijn intern en wonen in een hotel, dat daarvoor ter beschikking is gesteld en waarvan het personeel in deze periode afwezig is. Het intern zijn is een belangrijke factor. Het is confrontatie-onderwijs dat ik daar hanteer. De studenten worden continue geconfronteerd met hun eigen zwakheden, tekortkomingen en hun kwaliteiten. Je merkt dat de studenten vanuit hun verschillende culturen daar anders op reageren. Als ze daar niet in zijn opgevoed, hebben ze er problemen mee. Het is een pure school van ‘s ochtends negen tot ‘s avonds vijf of zes uur. maar eigenlijk vierentwintig uur per dag. Vluchten is dus niet mogelijk. Je kunt het voor veel studenten en ook afgestudeerden een beetje beschouwen als de laatste kans om zich af te vragen: ‘wil ik wel kunstenaar zijn; ben ik dat wel?’
Van elk instituut zijn twee docenten er de hele periode: het vaste korps. Daarnaast zijn er nog veertien gastdocenten, die niks weten van de problematiek van de totstandkoming van een werk en die heel direct kritiek kunnen geven zonder aanzien des persoon. De boze buitenwereld komt even binnen. De vaste docenten zijn voor alle studenten beschikbaar. Die komen hierdoor andere opvattingen en andere manieren van werken tegen, ook qua tempo. Het is een gigantische, vreemde mengelmoes van culturen en je ziet binnen de kortste keren kleine clubjes ontstaan. Dat mengt snel. Er vormt zich weer een klein maatschappijtje.

Programma
Ieder jaar stel ik een programma op, dat wordt samengesteld door de docenten van de verschillende instituten, waar ik contact mee heb. De mensen worden meer dan een jaar van te voren uitgenodigd om hier aan mee te doen. Dat programma is een onderdeel van de Uitwisselingsacademie. Doordat de docenten van verschillende instituten komen, hebben ze andere filosofieën over kunst en het onderwijs. Dus ik leer er elk jaar nog wat bij betreffende de verschillende opinies en meningen. Ik kies echt niet alleen wat ik in mijn eigen straatje tegen kom; ik kies ook voor mensen, die absoluut anders denken over onderwijs, om te kijken wat dat extra brengt. De docenten die ik meeneem zijn van verschillende disciplines. Zo is er altijd wel iemand bij die iets met performance en theater doet, iemand die zich gespecialiseerd heeft in nieuwe mediatechnieken of een docent die met geluid bezig is of met land-art. Er wordt ook in veel verschillende disciplines gewerkt. Veel met video en computer, maar ook beelden van beton tot en met dingen die van veertjes zijn gemaakt. Brons wordt er ook gegoten, want ik heb in de buurt een kleine bronsgieterij, een particulier die meewerkt. Er zit een steenfabriek in de omgeving, die mee wil werken met keramiek. De gemeenschappen in de buurt werken heel graag mee, omdat ze ook wel weten dat het voor hen zeer aantrekkelijk zou zijn als die Europese academie daar inderdaad blijft staan.
We hebben verschillende opdrachten in het programma, die als kleine gymnastiekoefeningen werken voor de eerste twee weken. Er is een rooster gemaakt wanneer het een en ander is en er is een bepaalde snelheid van werken:’s ochtends de opdracht, ‘s avonds de reflectie. Sommige opdrachten lopen over een langere periode. Na een bepaalde periode gaat de student bezig met zijn eigen opdracht, wat dan resulteert in een eindwerk. Aan het onderwijs zit ook een publiekstentoonstelling vast, waarin het eindwerk is te zien. Ik wil niet overdrijven, maar vorig jaar hadden we op de opening tussen de vijf en zevenhonderd mensen en tijdens de week, die de tentoonstelling duurt, kwam er ook nog eens zo’n zelfde aantal kijken.
Het publiek is zeer geïnteresseerd. Ze hebben veertig jaar onder het communisme geleefd, zonder enige vorm van vrije meningsuiting en ze zien dan een groep Europeanen bij elkaar komen, vreemdelingen die even in hun omgeving zijn, met wie ze graag willen communiceren. Je ziet nog de oprechte behoefte van de bezoeker om te willen weten: waarom willen die mensen dat zo graag uiten? Is die vrijheid oprecht die er getoond wordt? Want ik heb het er vaak over met studenten; dat je vrijheid op verschillende manieren kunt interpreteren, maar dat er maar één vorm van vrijheid is in de beeldende kunst en dat is, dat je die vrijheid op de een of andere manier begrenst. En in die begrenzing die jezelf gemaakt hebt, zoek je je vrijheid, anders wordt het een vrijblijvendheid. En dan zie je ze ook hun begrenzing zoeken en daar erg goed in worden. Ik probeer de mensen aan het denken te zetten. Zo hebben we dit jaar als thema landschapskunst in relatie met geëngageerdheid. Er is net als ieder jaar een theorieprogramma: Utopia en een van de onderdelen daarvan is de geëngageerde kunst. Ik heb zelf op het ogenblik nogal kritiek op de geëngageerde kunst, waar iedereen de mond van vol heeft. De oprechtheid kan ik niet altijd vinden. Daar wil ik het met mijn theoriedocenten over hebben dit jaar: wat oprechtheid is en wat niet. En of een kunstenaar enige inbreng heeft als kunstenaar in de samenleving, om bepaalde problematiek aan de kaak te stellen of om stelling te nemen. Want ik geloof zeker dat kunst een stellingname is. Technische kennis is belangrijk, maar belangrijker vind ik toch de filosofische gedachte, de stellingname, de intensiteit waar mee gewerkt wordt. Heb je de geen durf om stelling te nemen of heb je niet de intellectuele bagage; dan wordt het dus niks.

Europa
Het concept dat ik ontwikkeld heb, is ook weer te gebruiken door anderen. Ik heb contact met een Turkse mevrouw, die in de buurt van Ankara een voormalige middelbare school tot haar beschikking heeft gekregen, en nu ook bezig is om mijn concept toe te passen. De Turken willen hier volgend jaar ook heel graag meedoen. Ook ben ik in contact met Portugal en vanuit Finland is er grote vraag. Al met al is het groeiende. Het is een grote Europese gedachte. Het heeft veel met politiek te maken, met geld en met doorzettingsvermogen; ik weet nog niet hoever ik daarmee kom en of het me gaat lukken. Maar ik ben wel een van de weinigen in Europa die op dit moment een instituut heeft, waar studenten uit verschillende landen bij elkaar komen. De Rietveld heeft ook veel studenten van verschillende nationaliteiten, maar is nog steeds een Nederlandse school met Nederlands onderwijs. Ik probeer nu juist een Europese school te hebben en doordat mijn docenten uit verschillende landen komen, krijg je die vervlechting van identiteiten. Men ziet er hier toekomst in. Alleen, hoe moeten ze dat inbouwen in hun begroting? Daarin sta ik aan de zijkant. Mijn taak hierin is het schrijven van heel veel rapporten om de mensen voor te lichten. Ik zit natuurlijk niet voor niets in Beelitz-Heilstatten. Het is voor mij ook een uitdaging om met beleidsmakers, subsidiegevers en sponsors te overleggen.

Plato
Er zijn studenten die zeggen, als ze weggaan, dat ze in die korte tijd meer aandacht, meer kritiek en reflectie hebben gekregen , dan in de jaren dat ze naar de gewone academie zijn geweest. Dat ligt niet aan de wil van docenten en studenten, maar dat ligt aan een overheid, die daar geen mogelijkheden voor biedt. Als het Nederlands kunstonderwijs zo doorgaat, geloof ik niet dat het nog lang bestaat. Het lijkt een soort technische opleiding te worden, waar het individu niet gekoesterd wordt en ik vind dat als je een talent hebt, dan moet je dat talent ook koesteren. Op de academies zag je dat een paar jaar geleden nog wel gebeuren. Ik vind ook dat de docent meer een coach is, die in de gaten moet hebben wat bij een student meespeelt, zoals emoties, karakter, gedachten enzovoort. Sommige dingen moet je koesteren, om zo iemand zijn talent te kunnen laten ontplooien. Het verborgen talent, daar gaat het om, dat moet de student zelf ontdekken en daar kan de coach bij helpen. Hij kan niet voorschrijven wat dat is. Hij kan dat ook niet direct benoemen, maar hij kan wel helpen. Het is een zakelijke overeenkomst, maar desalniettemin bestaat er een vorm van vriendschap. Het is een ideale gedachte. Die gedachte komt ook een beetje voort uit de Plato-gedachte van de Utopische academie. Dat je een omsloten tuin hebt en in die tuin staan mooie grote bomen. Daar lopen studenten en docenten rond, die in alle rust in dialoog gaan met elkaar in de schaduw van zo’n boom. Die gedachte heb ik in deze tijd proberen te zetten en ik heb het ook mee laten werken in mijn gedachtegoed en mijn concept van de Europese Uitwisselingsaca-demie. Het is er ook mogelijk, hoewel de tijd daar te kort voor is. Ik zou graag van die academie een tienmaandelijkse post-academische opleiding willen maken. Die kant wil ik op. Maar dat is een dermate grote investering, die kan ik niet meer overzien. Dat is niet mijn taak maar die van het ministerie van onderwijs in Brandenburg. Dat zou het mooiste zijn, dat je ergens in Europa nog een moment hebt, dat je die koestering van dat talent hebt.’

Marianne Vollmer
< back