|
De beeldbewaarplaats
‘The collection of the Emanuel Hoffmann Foundation is not open to the general public; the Schaulager building is open only during exhibitions. There are no guided tours on offer for the Emanuel Hoffmann Foundation collection or on the architecture of the Schaulager.
The public will have access to the exhibition rooms during the comming exhibition as from May 2006.
Deze tekst staat op de spaarzame website van Das Schaulager in Münchenstein vlakbij Basel. Het betreft hier geen verouderd museum in crisis, dat het maar niet lukt om een nieuw gebouw te krijgen, of een ijdele bankinstelling met een eigen dure kunstcollectie. Het is een volwaardige instelling in een gloednieuw gebouw, dat een wereldberoemde collectie beheert en tevens als stichting de collectie uitbreidt met aankopen uit het topsegment van de hedendaagse kunst.
Toch is het waar: het gewone publiek kan slechts af en toe het gebouw en de tentoonstellingszalen bezoeken. Eens per jaar gedurende de zomer organiseert deze stichting een grote overzichtstentoonstelling, zoals afgelopen zomer met een retrospectief van Jeff Wall en slechts dan mag iedere bezoeker naar binnen. De overige negen maanden kunnen enkel professionele beroepsbeoefenaren (kunstenaars, kunstbeschouwers, wetenschappers en studenten) in de beeldende kunst op een gespecificeerde aanvraag op afspraak toegang krijgen.
Wat bezielt zo’n instelling om de rijen goedgevulde portemonnees, die ongetwijfeld op al die beroemde werken van deze geliefde vroeg twintigste-eeuwse meesters af komen, te weigeren? Vanuit Nederlands perspectief is dit een taboe van de eerste orde. Alles mag hier, behalve het betalende publiek weigeren. Sterker nog: alles is in ons land er op gericht om zoveel mogelijk publiek ergens in te krijgen, maakt niet uit waarnaar ze kijken, zolang ze maar betalen.
Het gebouw
Het nieuwe Schaulager, een gebouw uit 2003 van Herzog & de Meuron ligt niet aan een centraal plein in Basel maar relatief afgelegen in een voorstad tussen bedrijfsterreinen en woonhuizen in Münchenstein. Het gebouw meet 74 x 55 x 22 m en heeft 16500 m2 vloeroppervlak, twee tentoonstellingsverdiepingen(3650 m2) en drie onderzoeksverdiepingen. Als een mysterieuze doos met leembruine gesloten muren ligt het gebouw achter een hek, met als ingang een klein huisje onder een grote witte toegangspoort van 28 m hoog. Eenmaal binnen overheerst de weldaad van de rust, licht en ruimte. Geen uitpuilend grand-café met daarnaast een winkel stampvol handelswaar. Het tentoongestelde werk hangt centraal aan ruime witte muren zonder opsmuk of kinky kleuren ter vermaak. Er lijken haast geen ruimtelijke beperkingen te gelden. De benedenruimte, bijvoorbeeld, gaat voor een groot deel op aan twee kolossale zalen gevuld met elk één permanente installatie van Gober en Fritsch.
Het klimaat in het gebouw is geheel gericht op behoud van de werken en is centraal geregeld. Nergens loeien de gebruikelijke airco’s en geen enkele keer hoef je omzichtig te schuifelen langs drommen mensen, die middels koptelefoontjes aanwijzingen krijgen waarnaar ze moeten kijken of langs hompen klierende jeugd met een bijbehorende wanhopige CKV-docent. Ook ontbreken de zo bekende grote borden met uitleg in Jip en Janneketaal.
Het is er geconcentreerd stil als in een ouderwetse universiteitsbibliotheek.
Het Schaulager is in alles totaal anders dan een doorsneemuseum en dit instituut zou in Nederland direct met de banvloek ‘elitair’ geconfronteerd worden. Maar het is een verademing om als toegewijde kijker hier te mogen vertoeven.
Het is dus geen traditioneel museum, maar een instituut waarin onderzoek en onderwijs centraal staan en dit verklaart ook direct waarom het ‘gewone’publiek maar spaarzaam toegang krijgt. Het gewone publiek kan immers ook niet zomaar de Rijksacademie bezoeken. (Slechts enkel het laatste weekend van november). Het is niet duidelijk in hoeverre de Zwitserse overheid zich ermee bemoeit, maar deze opstelling kan enkel vanuit een particulier belang plaats vinden.
Schaulager is a new space for art. Neither a museum or an art gallery nor a traditional storage facility, Schaulager as its name suggests is a place for creativity and activity, for learning and pleasure.....
Schaulager aims to promote contact and interaction between experts and institutions. Like a scientific institute, the principal activities of Schaulager will be directed primarily towards a specialized audience and students.
‘Liever iedereen niets dan een paar mensen alles’
Het is wel vreemd dat zoveel prachtige werken het publiek uit hoofde van onderzoek onthouden wordt. Eigenlijk beschouwt haast iedere belangstellende beroemde topkunst als openbaar kunstbezit en verwacht daarom dus geen enkele barrière. Tijdsloten, enorme rijen en daarna met honderden tegelijk schuifelend langs kunstwerken worden niet als barrières ervaren.
De meeste tentoonstellingen worden zodanig met publiek overlopen, dat de meeste bezoekers nauwelijks wat zien. Momenteel worden in Nijmegen de drommen bezoekers in golfjes van tien minuten langs de beroemde miniaturen van de Gebroeders van Limburg gejaagd.Tien minuten is al te kort om één detail voldoende aandacht te geven, laat staan het geheel. In feite maakt deze aanpak het onmogelijk om de werken de aandacht te schenken die het nodig heeft en eigenlijk kun je zeggen dat niemand van deze bezoekers deze werken heeft gezien.
Op de keper beschouwd zijn in Nijmegen de prachtige miniaturen onzichtbaar geworden door de kijkdruk. Ik zou deze werken dolgraag willen zien, maar op deze wijze heeft het geen zin. De opstelling van Schaulager roept veel weerzin op, maar iedereen begrijpt de Nijmeegse aanpak. ‘Liever iedereen niets dan een paar mensen alles’, zo redeneert men. Het Schaulager herstelt, door werken weg te houden van het grote publiek, de zichtbaarheid van de werken. Hadden ze dàt maar in Nijmegen begrepen! De hoogdrempeligheid en de serieuze aandacht voor het kunstwerk zelf geeft ook een signaal af: beeldende kunst is een professioneel vakgebied dat meer aandacht verdient dan de dertig seconden met een koptelefoon op. Het Schaulager deelt niet de opvatting, dat privileges vermeden moet worden en dat kunst voor iedereen toegankelijk en begrijpbaar gemaakt moeten worden.
Vooral in Nederland is die laagdrempeligheid het verst doorgeschoten zichtbaar in de reeksen thematentoonstellingen in hurktoon. Vooral de Kunsthal, het GroningerMuseum en het DrentsMuseum vallen op in de op populaire wijze bedienen van het massapubliek en het vermijden van elke vorm van mogelijke artistieke complexiteit of kunstbeschouwelijke kwaliteit. De stunttentoonstellingen van grote namen, zoals dit jaar bij Willem de Kooning in de Kunsthal, zijn meestal slordig en oppervlakkig. Snel, makkelijk en toegankelijk zijn kennelijk de werkbegrippen en dit gaat ten koste van de reeds vergeten kerntaken van het museum zoals collectievorming, onderzoek en behoud. Alleen het Bonnefan-tenmuseum keert zich openlijk af van deze algemene publieksgeile policy.
1933: Maja Hoffmann-Stehlin (later Maja Sacher) sets up the Emanuel Hoffmann Foundation in memory of her first husband, who had died in a road accident.
The purpose of the Foundation is to collect the work of artists who ‘use new means of expression that look to the future and are not yet generally
understood in the present’ and to ‘put it on view in permanent exhibitions’
(extract from the Deed of Foundation)
Dienstbaar aan de kunst
De verzameling van Emanuel Hoffmann is de basis van dit instituut en deze bevat werken van honderdvijftig kunstenaars, zoals de klassiek modernen als Arp, Dalí, Delaunay, Klee, Ernst en de Belgische expressionisten. De collectie wordt nog steeds uitgebreid en bevat nu werken van zeshonderdenvijftig kunstenaars ( o.a. Beuys, Schneider, Wall en Roth). Dat het Schaulager principieel in haar keuze is, blijkt uit het onderstaande citaat:
Maar Schaulager kent nog meer principes. Er is geen depot. Elk kunstwerk is zichtbaar en er is dus geen opslagplaats van rekken en kasten in kelders. Behoudens de jaarlijkse tijdelijke publiekstentoonstelling worden er geen tijdelijke tentoonstellingen gemaakt. De werken worden niet constant versleept en onderzoek, restauratie en onderwijs zijn hier geen gescheiden activiteiten. Het bijzondere gebouw is speciaal voor deze taken ontworpen en is duidelijk ongeschikt voor grote groepen bezoekers.
In het traditionele museum zijn vrijwel de meeste kunstwerken onzichtbaar en wachten ze veelal jarenlang op het moment dat ze tentoongesteld worden. Het principe van permanente zichtbaarheid voor specialisten wordt verkozen boven spaarzame toonbaarheid voor een groot publiek. Hiermee keert het Schaulager dus terug naar de oorspronkelijke 19e eeuwse functies van een museum: collectievorming, onderzoek en behoud. Daarmee verkiezen zij het intensief kijken boven de beruchte dertig seconden aandacht per werk van de gemiddelde bezoeker en daarmee rebelleren ze tegen het gangbare museum. Althans zo lijkt het.
Zelf zien zij het niet als rebellie maar als het gevolg van een technisch probleem. De huidige kunstwerken zijn vaak erg groot van formaat en de gebruikte materialen kennen een grote diversiteit en zijn vaak kwetsbaar. De traditionele bewaarcondities zijn vaak onvoldoende en kunnen het werk daarom beschadigen. Zelf zeggen ze hierover:
Art depositories today must meet specific requirements: they must
firstly, allow the works to be stored under suitable conditions (climatic conditions) for their conservation and
secondly, be appropriately equipped for the works to be viewed and accessed by the experts wishing to restore them or carry out research.
Schaulager satisfies these requirements.
Geen dienstbaarheid aan het grote publiek, geen enkele dienstbaarheid aan de markt en geen dienstbaarheid aan een overheid, maar enkel dienstbaarheid aan de kunst zelf. De enige norm is de intrinsieke waarde van de kunstwerken zelf en het behoud daarvan. De zorgvuldige wijze van werken, het optimale gebouw en de geformuleerde principes zijn eigenlijk eenvoudig en concreet, maar ook onnavolgbaar. Voor een Nederlands museum is het zeker niet weggelegd. Hier waait al jarenlang de meedogenloze wind van de kleine kruidenier, die ondertussen elke bloei heeft gedood. Het gaat bij musea, theatergezelschappen, orkesten, omroepen of boeken altijd maar om kijkcijfers, popularisering, doelgroepen en gemiddelden. De afkeer voor alles wat bijzonder is, schijnt zo groot geworden te zijn dat enkel de doorsneehap, doorgekookt en kant-en-klaar, het altijd tevreden publiek voorgeschoteld wordt.
|