Nieuwe zakelijkheid 2005/11

Een vette kluif

Over de kunstenaar als ondernemer

‘De kunst loopt voor en deed dat altijd al.’
Kunstenaars hebben zich reeds in de vorige eeuw het hoofd gebroken over het vraagstuk hoe zich in de maatschappij te bewegen, hoe hun publiek te bereiken als geïnteresseerde en dus ook als potentiële koper van hun werk. De geschiedenis laat ook zien welke acties - meer of minder geslaagd - er in de loop van de tijd ondernomen zijn. De houding van de kunstenaar anno nu tegenover het verse verleden is niet meer dan die van een opgroeiend kind tegenover zijn ouders; het móét anders. En dat is naar mijn idee ook goed, steeds een nieuwe stroom die reageert op wat gisteren nog gold. Introspectie ingeruild voor een nieuwsgierige blik naar buiten.

De laatste jaren is de culturele politiek in Nederland sterk aan verandering onderhevig geweest. Onder het bewind van diverse staatssecretarissen is er onder het voorwendsel van minder ‘politieke’ bemoeienis een groter appèl gedaan op de eigen creatieve betrekkingen van de kunstenaar. De kunstenaar moest zich vanuit een schijnbaar ‘ivoren-toren-situatie’ zichtbaar maken aan zijn publiek, als cultureel ambassadeur van zijn eigen producten die volgbaar aan de man gebracht dienden te worden. Publieksbereik werd gemeten en het zogenaamde Cultureel Ondernemerschap werd een begrip en feit. Landelijke instellingen, provinciale en lagere overheden, maar ook (groepen) kunstenaars en andere culturele organisaties deden allen hun best om deze nieuwe maatschappelijke criteria gelijkelijk toe te voegen aan het al geldend kwaliteitsbeginsel.

En daar heeft altijd mijn zorg over de kunstenaar als cultureel ondernemer gelegen.
Want wat moet een kunstenaar heden ten dage nog uit de kast trekken om in de gratie te vallen bij landelijke en locale overheden, potentiële kopers, opdrachtgevers en commissies?
Zo worden bijvoorbeeld maar al te vaak subsidieaanvragen opgeleukt met van buitenaf aangedragen maatschappelijke franje, welke soms verre staan van enige inhoudelijke visie en noodzaak. Behaaglijke kwantiteit voor kwaliteit. Mijn aandacht is altijd uitgegaan naar de kunstenaar zelf en te waken over zijn eigen artistiek functioneren in relatie tot zijn houding naar de buitenwereld.

Ruim vier jaar vervul ik de functie van voorzitter van de Basissubsidies bij het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. In deze functie heb ik in de loop van de tijd opmerkelijke veranderingen geconstateerd met betrekking tot de houding van aanvragende kunstenaars.
Toen ik aantrad in 2001 was er de regeling Basisstipendia, waarvan ik nu voluit kan concluderen dat er geen enkele regeling zo mooi in elkaar stak als deze, doordat artistieke kwaliteit in onderlinge samenhang getoetst werd met de maatschappelijke erkenning. In dat jaar werd de regeling verder uitgebreid met een aantal aspecten dat verder onder het ‘Cultureel Ondernemerschap’ is te scharen:
- de wijze waarop de kunstenaar naar buiten treedt in zijn pogingen een publiek voor zijn werk te vinden
en waarop hij dat publiek aan zich weet te binden (publieksbereik);
- de manier waarop de aanvrager zijn kunstenaarsschap in economisch rendement weet om te zetten (verkopen).
- de activiteiten van de kunstenaar die voortvloeien uit de aard van zijn kunstenaarsschap (didactische of organisatorische activiteiten).
Een aantal criteria is wederom ingedikt en vallen nu onder verantwoording van de kunstenaar zelf.
Ik was me er toen nog niet van bewust wat deze toevoeging aan de maatschappelijke criteria in ons kunstenland zou betekenen ...

De commissies hadden de opgave deze aspecten in relatie tot de erkenning te wegen en te bepalen hoe dat cultureel ondernemerschap eigenlijk te meten valt. Sec genomen is het cultureel ondernemerschap niet te meten. Vragen naar het bereiken van het publiek werden - hoe kan het ook anders - over het geheel genomen onbevredigend beantwoord. Veel essentiëler in het oordeel was de mentaliteit van een kunstenaar. Deze was niet direct zichtbaar, maar wel voelbaar tussen de regels door. Iemands actieve houding blijkt met name uit het geheel van activiteiten, die hij of zij onderneemt.

En daar ligt de cruciale ontwikkeling van de kunstenaar heden ten dage, althans bezien vanuit mijn persoonlijke bevindingen bij het Fonds en mijn eigen praktijk daarnaast. Met bewondering heb ik mogen constateren dat die houding steeds actiever is geworden, minder afwachtend, initiatiefrijker, innovatiever in ideevorming en acties daaromtrent en ik heb me vaker afgevraagd wat er nou eerder was, de kunstenaar of het systeem ..?
Het systeem is altijd onderhevig aan de politieke, sociale en maatschappelijke ontwikkelingen en de beslissingen die daaruit voortkomen. De kunst daarentegen fluctueert binnen grotere sociale maatschappelijke stromingen en veranderingen, die zich op een veel breder en mondiaal niveau afspelen. Naar mijn mening is binnen het huidige culturele bestel alles onderhevig aan grotere verschuivingen die op wereldlijk, maatschappelijk, technologisch en commercieel gebied plaatsvinden. Ook in landen waar geen enkele kunstsubsidie vergeven wordt, is men behept met deze ontwikkeling en pikt men een graantje in het internationale discours mee.

Wat ik daarmee wil aangeven is het volgende. De ontwikkeling in de houding van de beeldend kunstenaar is een gunstige, daar ik tot de stellige conclusie moet komen dat hij of zij zeer actief in het arbeids- en maatschappelijk proces staat. Bijna niets staat meer op zichzelf, alles is onderhevig aan discussie, communicatie, uitwisseling, samenwerking of synergie. Daarbij worden disciplinaire grenzen, ook ver buiten de kunsten, niet vermeden, de honger naar het andere, het onbekende is enorm… Zoals ik al zei: introspectie wordt ingeruild voor een nieuwsgierige blik naar buiten. Leergierigheid is daarvan mede een gevolg.
Dit is ook de houding van studenten beeldende kunst en vormgeving die onderwijs genieten aan huidige kunstvakopleidingen. Was een aantal jaren geleden leerstof over zelfstandig ondernemen, belastingen, contracten en juridisch advies nog ‘not done’, nu worden de leergierige vragen vooral voortgestuwd vanuit de studenten zelf. Hoewel zakelijkheidtrainingen kunnen helpen, is het vooral de positie van de studenten zelf, als initiatiefnemer en onderzoeker, die ervoor zorgt dat zij een eigen pad weten te bewandelen in de hedendaagse maatschappij.

Ik vind het belangrijk om deze actieve houding - die schijnbaar parallel loopt met de veranderingen binnen het cultureel politiek bestel in Nederland - te stimuleren. Nederland neemt met zijn subsidieregelingen, hoewel sterk verminderd, nog steeds een unieke plaats in op mondiaal niveau. Ons subsidiesysteem is gepokt en gemazeld, maar enorm geraffineerd en gespecificeerd naar de huidige maatstaven van gebruiker en overheid. Het voortbestaan van een regeling zoals de basissubsidies acht ik derhalve van zeer groot belang, daar het juist de gebruikers de mogelijkheid biedt zich mede maatschappelijk te ontplooien.

Eigenlijk loopt het systeem voor op de politieke ontwikkeling en deed dat altijd al.
En de kunstenaars…? Die bewaken het ‘vrije denken’, waarbij binnen het kunstenaarsschap alle mogelijke te bewandelen wegen en aangegane allianties gekend moeten worden om dit denken en handelen volop ruimte te geven. Daarvan moet elk systeem doordrongen zijn.

Het is van wezenlijk belang om iedereen die enige vorm van subsidie aanvraagt in zijn waarde te schatten. Nooit is het een optelsom van feiten. Steeds weer zal bij elke aanvraag de onderlinge samenhang tussen de kwaliteit van het werk en de erkenning en cultureel ondernemerschap van de aanvrager, op zijn merites beoordeeld moeten worden.
Iedere kunstenaar, waar ook ter wereld, is in wezen uniek, elke aanvraag is anders.
Dat maakt het, voor wat betreft de beoordeling ervan, ook iedere keer tot een uitdaging. En een vette kluif.

Krien Clevis

Krien Clevis is beeldend kunstenaar en curator. Daarnaast vervult zij de functie van voorzitter van de Commissie Basissubsidie van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst en doceert zij Beroepsvoorbereiding aan de Academie Beeldende Kunsten Maastricht.

beeld: Bart Lodewijks ‘Ninety degrees in a barren landscape’, Highlands, Sky 2004, foto Huig Bartels

< back