|
Low Tech
Jongens houden van techniek, meisjes niet
Het baldadige werk van Jasper van den Brink, dat aan de gevel van het
Arti gebouw hangt, doet me een groot plezier. De enorme rood-wit-blauwe
vlag is zeiknat en hangt als een plank van de vlaggenstok naar beneden.
Je moet goed uitkijken waar je je fiets neerzet, anders druipt het water
op je kop. Als ik eenmaal in de zalen van Arti sta, kom ik te weten dat
het waait in de ultieme voorstelling van Van den Brink hij beschrijft
dit effect in een wat melige brief aan de koningin - en dat de vlaggen,
die via een systeem in de stok geïrrigeerd worden, wild water sproeiend,
langs de kant van de weg moeten staan. Ik vond het al leuk toen het windstil
was!
Voor de expositie Low Tech brachten Arjen Lancel en Radek Vana twaalf
kunstenaars bijeen, die gemeen hebben dat hun kunst beweegt. Zo simpel
is het uitgangspunt, want hoewel de titel Low Tech een enigszins kritische
kijk op het moderne verschijnsel high tech suggereert, komt dit amper
aan de orde. Werk en kunstenaars komen uit verschillende richtingen en
hebben weinig inhoudelijke overeenkomsten. Dat is jammer, want de combinatie
van moderne technieken en concepten als langzaam en onmogelijk heeft regelmatig
tot aardige kunstwerken geleid, denk aan Panamarenko of de machines van
Gerrit van Bakel, die millimeter voor millimeter door het Kröller-Müllermuseum
slopen.
De
expositie toont werk van twaalf kunstenaars, elf jongens en één
meisje, waarmee de laatste de regel bevestigt. Het zijn vooral jonge heren
die knutselen met techniek. Maartje Folkeringa, heeft een glanzend prinsesje
gemaakt, dat, zoals prinsesjes betaamt in een nisje heel erg mooi staat
te wezen. Mooi als een sieraad, dat op de koop toe beweegt. Maar voor
het overige zijn het mannen die zeer uiteenlopende uitspraken doen. In
de context van de expositie is het niet eenvoudig om te begrijpen wat
hen werkelijk beweegt.
Het werk van Harco Haagsma, Florian Götke en Arjen Lancel is bij
trouwe bezoekers van exposities in de bovenzalen wellicht bekend. Haagsma
nam ooit deel aan een expositie in Arti, waarop interactieve kunstwerken
werden getoond. Het was de start van zijn experimenten met automatismen.
Destijds stond er een camera in Arti, die bezoekers fotografeerde, wanneer
zij voor het werk gingen staan. De toeschouwer zette het mechanisme in
werking, maar had geen controle over het moment waarop de polaroidfoto
in de enorme verzamelbak terecht kwam. Sindsdien heeft Haagsma aan vele
grote interactieve projecten in de openbare ruimte gewerkt. Daarnaast
heeft hij zijn robots ontwikkeld. Lorre toont een cameravogeltje in een
kooi, dat beelden opneemt die op het scherm daarnaast geprojecteerd worden.
De vogel is schuw en wijkt uit als de toeschouwer in zijn richting komt.
Op soortgelijke effecten en defecten van machines, reageren wij emotioneel.
We gaan de machine lief, verlegen of boosaardig noemen. En het is deze
merkwaardige relatie tussen mens en machine waar Haagsma op focust. Het
werk komt in Arti echter niet tot zijn recht. De verlegen Lorre wordt
door het gebulder van andere werken overstemd.
Iets dergelijks geldt voor het werk van Florian Götke, die op velerlei
wijzen de hedendaagse familiaire verhoudingen bekritiseert. Zijn Zondagse
wandeling, een poppenfamilie die ondersteboven langs een rail schuift,
is grappig, maar mist zijn doel. Het is jammer, dat er geen ander werk
van hem te zien is, zoals zijn fotos of maquettes, die zijn gedachtengang
hadden kunnen onderstrepen.
Dat spectaculair soms heel functioneel is, blijkt uit het werk van Eric
Staller, een rad van laarzen. Ik weet niet of het rad in Arti gerold heeft,
maar tijdens de Kunstvlaai van het afgelopen jaar deed het dit wel. De
trappelende laarzen wentelden over het open terrein voor de gashouder
en kwamen daarbij in botsing met een werk van Jasper Kooper, die een elektrisch
eier-rook-mobiel had gebouwd, dat tergend langzaam heen en weer reed.
Het rad van Staller kwam uit het niets en maakte zijn absurde rolbeweging.
Gelukkig was de ramp te overzien en bleven beide machines ook na de knal
functioneren. In de tentoonstelling wordt het werk van Staller begeleid
door een film. Het anonieme optreden op de Kunstvlaai was spannender.
De implicaties van Mr. President zijn ook zonder extra beeldinformatie
goed te overzien.
Naast
de genoemde werken, ook werk van een heel andere snit. Zij ruiken naar
het platteland. Van de grote lopende banden van James Becket, ruw zoals
ze in de landbouw worden gebruikt, via de scharrelende pauwen van Christiaan
Zwanniken, en weer terug naar de aardappelmensen van Kristov Kintera.
Weve got the Power spreekt de sculptuur; een driedimensionale
verbeelding van een Archimbaldo, afgezet met versleten elektronica-onderdelen.
De werken bezitten een zekere charme. Dit wordt benadrukt door het heilzame
geluid van rinkelende glazen in een kast, Good Vibrations van Arjen Lancel,
dat in de eerste zaal hangt en kleine aardschokken te weeg brengt. Al
deze werken zijn leuk, maar het samengaan leidt tot een zekere onverschilligheid.
Het is een beetje déja-vu, terwijl dat zeker niet de bedoeling
was.
Wat beweegt, is onderhoudend, dat wist ik al als kind en zocht in het
Stedelijk Museum meteen naar de knop op de vloer, die het werk van Tingeluey
in beweging zou zetten. Toch zou het leuk zijn geweest, als de tentoonstelling
iets meer diepgang had gehad. Iets meer experiment, iets meer inhoud,
ten gunste van de beeldende kunst. Natuurlijk moet ik lachen om de mopperende
plastic zak van de Dirk van den Broek, ik denk dat dat vooral door de
komkommer komt, die eruit steekt, maar ik had graag meer geweten over
de motivatie van de kunstenaar, meer inzicht gehad in de ideeënwereld,
in de reden om het zó en niet anders te doen.
Saskia Monshouwer
|