12 februari - 6 maart 2005

Low Tech
Jongens houden van techniek, meisjes niet

Het baldadige werk van Jasper van den Brink, dat aan de gevel van het Arti gebouw hangt, doet me een groot plezier. De enorme rood-wit-blauwe vlag is zeiknat en hangt als een plank van de vlaggenstok naar beneden. Je moet goed uitkijken waar je je fiets neerzet, anders druipt het water op je kop. Als ik eenmaal in de zalen van Arti sta, kom ik te weten dat het waait in de ultieme voorstelling van Van den Brink – hij beschrijft dit effect in een wat melige brief aan de koningin - en dat de vlaggen, die via een systeem in de stok geïrrigeerd worden, wild water sproeiend, langs de kant van de weg moeten staan. Ik vond het al leuk toen het windstil was!


Voor de expositie Low Tech brachten Arjen Lancel en Radek Vana twaalf kunstenaars bijeen, die gemeen hebben dat hun kunst beweegt. Zo simpel is het uitgangspunt, want hoewel de titel Low Tech een enigszins kritische kijk op het moderne verschijnsel high tech suggereert, komt dit amper aan de orde. Werk en kunstenaars komen uit verschillende richtingen en hebben weinig inhoudelijke overeenkomsten. Dat is jammer, want de combinatie van moderne technieken en concepten als langzaam en onmogelijk heeft regelmatig tot aardige kunstwerken geleid, denk aan Panamarenko of de machines van Gerrit van Bakel, die millimeter voor millimeter door het Kröller-Müllermuseum slopen.

De expositie toont werk van twaalf kunstenaars, elf jongens en één meisje, waarmee de laatste de regel bevestigt. Het zijn vooral jonge heren die knutselen met techniek. Maartje Folkeringa, heeft een glanzend prinsesje gemaakt, dat, zoals prinsesjes betaamt in een nisje heel erg mooi staat te wezen. Mooi als een sieraad, dat op de koop toe beweegt. Maar voor het overige zijn het mannen die zeer uiteenlopende uitspraken doen. In de context van de expositie is het niet eenvoudig om te begrijpen wat hen werkelijk beweegt.

Het werk van Harco Haagsma, Florian Götke en Arjen Lancel is bij trouwe bezoekers van exposities in de bovenzalen wellicht bekend. Haagsma nam ooit deel aan een expositie in Arti, waarop interactieve kunstwerken werden getoond. Het was de start van zijn experimenten met automatismen. Destijds stond er een camera in Arti, die bezoekers fotografeerde, wanneer zij voor het werk gingen staan. De toeschouwer zette het mechanisme in werking, maar had geen controle over het moment waarop de polaroidfoto in de enorme verzamelbak terecht kwam. Sindsdien heeft Haagsma aan vele grote interactieve projecten in de openbare ruimte gewerkt. Daarnaast heeft hij zijn robots ontwikkeld. Lorre toont een cameravogeltje in een kooi, dat beelden opneemt die op het scherm daarnaast geprojecteerd worden. De vogel is schuw en wijkt uit als de toeschouwer in zijn richting komt. Op soortgelijke effecten en defecten van machines, reageren wij emotioneel. We gaan de machine lief, verlegen of boosaardig noemen. En het is deze merkwaardige relatie tussen mens en machine waar Haagsma op focust. Het werk komt in Arti echter niet tot zijn recht. De verlegen Lorre wordt door het gebulder van andere werken overstemd.

Iets dergelijks geldt voor het werk van Florian Götke, die op velerlei wijzen de hedendaagse familiaire verhoudingen bekritiseert. Zijn Zondagse wandeling, een poppenfamilie die ondersteboven langs een rail schuift, is grappig, maar mist zijn doel. Het is jammer, dat er geen ander werk van hem te zien is, zoals zijn foto’s of maquettes, die zijn gedachtengang hadden kunnen onderstrepen.
Dat spectaculair soms heel functioneel is, blijkt uit het werk van Eric Staller, een rad van laarzen. Ik weet niet of het rad in Arti gerold heeft, maar tijdens de Kunstvlaai van het afgelopen jaar deed het dit wel. De trappelende laarzen wentelden over het open terrein voor de gashouder en kwamen daarbij in botsing met een werk van Jasper Kooper, die een elektrisch eier-rook-mobiel had gebouwd, dat tergend langzaam heen en weer reed. Het rad van Staller kwam uit het niets en maakte zijn absurde rolbeweging. Gelukkig was de ramp te overzien en bleven beide machines ook na de knal functioneren. In de tentoonstelling wordt het werk van Staller begeleid door een film. Het anonieme optreden op de Kunstvlaai was spannender. De implicaties van Mr. President zijn ook zonder extra beeldinformatie goed te overzien.

Naast de genoemde werken, ook werk van een heel andere snit. Zij ruiken naar het platteland. Van de grote lopende banden van James Becket, ruw zoals ze in de landbouw worden gebruikt, via de scharrelende pauwen van Christiaan Zwanniken, en weer terug naar de aardappelmensen van Kristov Kintera. ‘We’ve got the Power’ spreekt de sculptuur; een driedimensionale verbeelding van een Archimbaldo, afgezet met versleten elektronica-onderdelen. De werken bezitten een zekere charme. Dit wordt benadrukt door het heilzame geluid van rinkelende glazen in een kast, Good Vibrations van Arjen Lancel, dat in de eerste zaal hangt en kleine aardschokken te weeg brengt. Al deze werken zijn leuk, maar het samengaan leidt tot een zekere onverschilligheid. Het is een beetje déja-vu, terwijl dat zeker niet de bedoeling was.

Wat beweegt, is onderhoudend, dat wist ik al als kind en zocht in het Stedelijk Museum meteen naar de knop op de vloer, die het werk van Tingeluey in beweging zou zetten. Toch zou het leuk zijn geweest, als de tentoonstelling iets meer diepgang had gehad. Iets meer experiment, iets meer inhoud, ten gunste van de beeldende kunst. Natuurlijk moet ik lachen om de mopperende plastic zak van de Dirk van den Broek, ik denk dat dat vooral door de komkommer komt, die eruit steekt, maar ik had graag meer geweten over de motivatie van de kunstenaar, meer inzicht gehad in de ideeënwereld, in de reden om het zó en niet anders te doen.

Saskia Monshouwer

beeld:
Emese Benczúr ‘Should I live to be a hundred - Day by day I think about the future’, 2500m, 1998
Emese Benczúr ‘Try to see the world...’, 1178x610cm, 1999
Marc Nagtzaam ‘Your Words/Always on my mind’ 96x64cm, 1998

< back