2002/3
INTERVIEW MET VALENTIJN VAN DER HEIJDE

Het landschap is heel essentieel voor mij. Daarom zit ik ook hier in Abbekerk in de polder. Niet de oneindigheid, maar de eindigheid is hier aanwezig. Het platte landschap. Wat ik hier zo mooi vind is het licht. Misschien stel ik me wel aan, maar dat vind ik prachtig terwijl ik helemaal geen schilder ben. De wisselingen van het licht door de jaargetijden heen zijn hier veel meer zichtbaar dan in de stad. Hoewel ik niets tegen de stad heb natuurlijk. Daar zit ik de helft van de week, ook door mijn werk. Ik praat twee dagen per week met schoolkinderen in musea. Elf- en twaalfjarigen die je alles vertellen over het hoe en waarom; die komen met prachtige, oprecht boute uitspraken.

Pyramide
Ik ben natuurlijk wèl een Hollander; ik bedoel ik ben geen Italiaan die in marmer hakt of zo. Dat wil ik ook niet. Ik ben beeldhouwer, maar niet in de traditionele zin van het woord. Ik gebruik in mijn werk Abbekerkse aarde, gewoon uit de voortuin. Dat kook ik om de dingetjes daarin te doden. Ik droog het, zeef het en meng het dan bijvoorbeeld met lak. Er zitten schelpjes in, want Abbekerk is een oude havenplaats. Ik gebruik vaak de pyramide- en de kegelvorm. Eigenlijk komt die pyramidevorm voort uit de West-Friese stolpboerderij (mijn vader, de beeldhouwer Herman van der Heide, had zo’n boerderij gekocht). Ook het landschappelijk perspectief kun je zien als een liggende pyramide. De traditionele Egyptische pyramide is heel gesloten. Ik heb hem opengeklapt. Ik wil er helemaal in kunnen kijken; dat er geen volume is en je kunt zien wat er in zit. Eigenlijk wil ik -blootgeven is zo’n mooi woord - dat er niets verborgen is. Je moet eruit kunnen aflezen hoe het is gemaakt. Ik wil het zo helder mogelijk hebben. Het driedimensionale vind ik mooi; dat het vele gezichten heeft - door de lichtval, hoe het staat en hoe je er om heen kunt lopen. Ik hang dingen ook wel aan de wand en ik gebruik ook kleur. Zoals bij deze ‘portretten’ die ik voor mijn overleden moeder maakte. Als iemand is overleden dan lijkt het alsof hij niet meer bestaat en toch zit het in je hoofd. Ik heb toen tien hoofden met tien titels gemaakt en opeens is het, doordat je een titel gebruikt zoals ‘overleden moeder’, minder macaber geworden. Het is vorm geworden. Kijk, dit is een van de tien portretten (laat werk zien -MV). Kijk, hoe het naar buiten steekt. Daar heb ik die Abbekerkse aarde gebruikt en hier met was die contrasterende kleur er tegenaan gezet, zodat je een binnen- en buitenkant krijgt. Het ging me om de kwetsbaarheid. Je kan er alle emoties inleggen door de manier van kantelen ten opzichte van het vlak. Kijk, dit zijn de schaduwen van het ding (wijst naar een metalen onderdeel), want ik wil er toch altijd een derde element bij, een vervreemding, de platheid ten opzichte van het volume

Handwerk.
Ik ben gek op pigment. Door het gebruik van Abbekerkse aarde mag ik nu van mijzelf ook kleur gebruiken. Ik ben begonnen met loodmenie. Op die potten stond een doodshoofdje. Daarna mocht ik van mijzelf alleen die pigmenten gebruiken waar ook een doodshoofdje opstond - de dood is altijd onderdeel - en die pigmenten meng ik dan met was. Het is eigenlijk een vorm van boetseren; je moet tamelijk snel werken. Ik vind het mooi om alles met de hand te beslaan Ik timmer al die vormen uit de vlakke plaat. Ik knip stroken en jens het rond zodat het holle buisjes worden en dan krijg je iets dat een eigen leven gaat leiden, doordat het materiaal bijvoorbeeld de andere kant opgaat. Ik sta zo uren te meppen op dat ding. Dat is heerlijk. Ik heb ook dingen gemaakt voor in de openbare ruimte. Die maak ik altijd zelf al is het vijf meter hoog en breed, want dan ben je er bij als er belangrijke beslissingen genomen moeten worden. Dan loop je ook tegen de beperkingen aan. Dat hoort ook bij de eigenwijsheid van de kunstenaar. Ik ben iemand die heel veel kijkt. Ik maak iets, hang het op, doe er iets bij en dan kijk ik er opnieuw naar. Het zoeken.
Ik geloof niet dat kunst maken alleen maar doen is. Er komt hier wel eens iemand die zegt: ‘zit-ie weer te denken. En maar denken’. Wat er in je hoofd gebeurt is essentieel voordat je iets gaat maken. De twijfel zit er altijd in. Waarvoor doe je het allemaal? Omdat je het fantastisch vindt natuurlijk, want het is een prachtig vak - als je het al een vak kunt noemen. Het is eigenlijk meer een levenshouding; hoe je in het leven staat. Het is ook altijd bij je. Het is een constante stroom. Het grootste probleem is om niet te veel te willen. Ken je dat? Want eigenlijk ben ik wel iemand die enthousiast is in de zin van whapppp..... ik zal het ze wel in één keer duidelijk maken.

Marianne Vollmer

< back